Zorgwijzer 77 Bruno Vanobbergen

KINDERRECHTENCOMMISSARIS BRUNO VANOBBERGEN

KINDERRECHTEN NOG MEER VERANKEREN IN DE PRAKTIJK


WIE IS BRUNO VANOBBERGEN?

Bruno Vanobbergen is doctor in de Peda­gogische Wetenschappen. Hij is gastprofessor aan de vakgroep sociaal werk en sociale pedagogiek van de Universiteit Gent. Hij schreef twee boeken en publiceert regelmatig artikels over kinderrechten en de geschiedenis van het kind-zijn in zowel nationale als internationale tijdschriften. Op 2 juni 2009 werd Bruno Vanobbergen door het Vlaams Parlement benoemd tot kinderrechtencommissaris.


Met de boeiende studiedag Kind in alle staten vierde het Kinderrechtencommissariaat (KRC) op 15 juni zijn 20-jarig bestaan. “We hebben al een hele weg afgelegd, maar er is nog veel werk aan de winkel”, luidde de centrale boodschap van kinderrechtencommissaris Bruno Vanobbergen. Wij gingen vooraf even bij hem langs voor een uitgebreide babbel. Aan gespreksstof geen gebrek.

Het is woensdag 30 mei als we Bruno Vanobbergen bij hem thuis in Gent ontmoeten. De zon schijnt fel, maar er hangt onweer in de lucht. De dag ervoor vond in Luik de aanslag plaats waarbij een 22-­jarige student en twee agenten het leven lieten. Op het nieuws woedt de discussie over het penitentiair verlof van de dader, die als 16-jarige in de jeugdinstelling in Everberg verbleef. Als we aanbellen, excuseert Bruno Vanobbergen zich dat hij straks zeker de trein naar Brussel moet halen. Hij zal er de begrafenis van Mawda bijwonen, het tweejarige meisje dat op 17 mei omkwam toen de politie op een bestelwagen met vluchtelingen schoot. Bruno Vanobbergen is zichtbaar aangedaan door de zaak. Toch beginnen we het gesprek met een positieve noot: de twintig kaarsjes die het KRC mocht uitblazen.

Het KRC werd twintig jaar geleden opgericht door het Vlaams Parlement. Het moest de pleitbezorger worden van kinderrechten. Waar staan we vandaag?
Bruno Vanobbergen: Er is veel ten goede veranderd. Volgend jaar vieren we ook het 30-jarig bestaan van het Kinderrechtenverdrag, dat veel in gang heeft gezet. De voorbije periode is er veel regelgeving gekomen met expliciete aandacht voor de kinderrechten. Denk aan de wet op de familierechtbank, de wet op de patiëntenrechten, het decreet rond de rechtspositie van jongeren in de jeugdhulp of de installatie van de leerlingenraden in het onderwijs. De positie van kinderen en jongeren is zeker versterkt. Dat er goede regelgeving is, betekent echter niet dat alles in orde is. Te veel kinderen en jongeren blijven erg kwetsbaar. Het blijft een uitdaging én een opdracht voor alle beleidsdomeinen om daar continu werk van te maken. We moeten de kinderrechten verankeren in de praktijk. Ik ben dus positief, maar we zijn er nog niet.

“Niets is erger dan afgesloten te worden van alle communicatie.
Dat verdient meer aandacht.”

Een van de opdrachten van het KRC is de behandeling van klachten. Welke evoluties ziet u daar?
De voorbije tien jaar is het aantal klachten licht gestegen, van 1.000 naar 1.250 per jaar. De thema’s zijn vrij constant: gezin, onderwijs en jeugdhulp. Wat het gezin betreft: die klachten gaan vooral over escalerende conflicten, bijvoorbeeld bij een vechtscheiding. Kinderen lijden daar­onder. Ze weten vaak niet hoe ze hun stem kunnen laten horen.

De klachten over het onderwijs gaan meestal over pesten en geweld. Waar mogelijk verwijzen we naar het CLB, maar als de moeilijkheden aanslepen, dan kunnen wij extra druk uitoefenen. Wij ondersteunen scholen en het CLB ook met de uitwerking van een volwaardig pestbeleid. Ook het sanctiebeleid in het onderwijs is een terugkerend thema. Ik maak me grote zorgen over de stijging van het aantal definitieve uitsluitingen van leerlingen in het secundair onderwijs. In 2017 werden 3.600 leerlingen definitief uitgesloten. Dat is erg veel! Ook in het basisonderwijs stijgt dat aantal. Leerlingen van acht of negen jaar, uitzonderlijk zelfs van vijf jaar… Dat is problematisch, want een definitieve uitsluiting legt een hypotheek op de verdere schoolloopbaan. Het gaat bovendien vaak over kinderen uit kwetsbare gezinnen. Vaak is de straf buiten proportie, uitzonderingen niet te na gesproken. Zo was er een leerling die een flesje water dronk tijdens de les. Als de leerkracht de leerling daarop aanspreekt, wijst de leerling op de hitte. De leerklacht interpreteert dat als tegenspraak en laat de leerling nablijven. De leerling mort, met als gevolg: drie uur strafstudie. Na die drie uur strafstudie blijkt de leerling maar een halve pagina straf te hebben geschreven. Voor de school een teken van weerspannigheid en gebrek aan respect, met een preventieve schorsing als gevolg. Korte tijd later volgt de definitieve uitsluiting. Als je dat soort gevallen reconstrueert, dan is dat waanzin… Ik maak me daarover echt zorgen. Er is een betere samenwerking nodig tussen welzijn en onderwijs. Samen moeten ze nadenken over een ander sanctiebeleid.

Een derde groot thema in de klachten­behandeling is de jeugdhulp met de klassieke pijnpunten: wachtlijsten en een gebrek aan continuïteit. Jongeren op een wachtlijst worden in afwachting vaak op een plek ondergebracht waar men niet de gepaste hulp kan bieden: in de psychiatrie of in een gemeenschapsinstelling. Het duurt vaak lang voor ze de juiste hulp krijgen, tot frustratie van de jongere, de ouders én de hulpverleners. Je ziet hetzelfde bij kinderen en jongeren met een beperking: ze krijgen recht op een persoonlijk assistentiebudget (PAB), maar moeten soms jaren wachten voor ze die steun effectief krijgen. Daardoor wordt een ouder vaak gedwongen om te stoppen met werken, met alle financiële gevolgen vandien. Het hoeft ons niet te verbazen dat sommige gezinnen daardoor in armoede terechtkomen.

Een andere opdracht van het KRC is het geven van beleidsadvies. Luistert de overheid naar die adviezen?
Het beleid doet inspanningen om rekening te houden met het perspectief van kinderen en jongeren. Er is een Vlaams Jeugd- en Kinderrechtenbeleidsplan. Het decreet Integrale Jeugdhulp houdt rekening met de kinderrechten, net als de decreten Ethiek in de sport en Pleegzorg. Tegelijk beweegt er op sommige terreinen erg weinig. Het armoedebeleid kiest te weinig het perspectief van het kind en legt te veel nadruk op de eigen verantwoordelijkheid. Ook het asiel- en migratiebeleid heeft te weinig oog voor de kinderen. Ook in de toepassing van het beleid is nog veel ruimte voor verbetering. Zo vroegen we eind 2016 bijzondere aandacht voor dak- en thuisloze kinderen en jongeren. Wanneer een gezin uit zijn huis wordt gezet, dan gaat er te weinig aandacht naar de kinderen. Als de pc van het gezin in beslag wordt genomen, dan kan het kind zijn werk voor school niet meer maken. Dat soort impact wordt te vaak over het hoofd gezien.

COMMISIE VAN TOEZICHT

Sinds vorig jaar heeft het KRC ook een opdracht als Commissie van Toezicht in de gemeenschapsinstellingen en voorzieningen bijzondere jeugdzorg. Hoe verloopt die opdracht?
Het is te vroeg voor een evaluatie, maar we werken met twaalf maandcommissarissen, een secretaris en mezelf als voorzitter. Het is nog wat zoeken, maar de eerste signalen zijn positief, ook vanuit de jongeren en de voorzieningen. Elke commissaris bezoekt elke maand ‘zijn’ instelling. Het gaat om vrijwillige burgers die het reilen en zeilen in de instelling opvolgen. Ze praten met jongeren, stellen vragen, nemen deel aan activiteiten … Ze kijken met een frisse blik. Zo blijkt een aantal gemeenschapsinstellingen heel gestructureerd te werken. Dat heeft voordelen, maar het laat weinig ruimte voor een aanpak op maat. Voor een externe commissaris valt dat op. Hij merkt ook dat jongeren het daar lastig mee hebben. De commissaris kan daarover in dialoog gaan met de voorziening. Een ander voorbeeld is het beleid rond afzondering en isolatie. Wie hier met een onbevangen blik naar kijkt, de juiste vragen stelt en blijft doorvragen, kan een proces van reflectie op gang brengen. Dat alleen al is een stap in de goede richting.

Ervaren de voorzieningen de Commissie van Toezicht als een meerwaarde of als een luis in de pels?
We hebben ons uiterste best gedaan om daarover duidelijk te communiceren met de voorzieningen. Ons doel is tweeledig. Ten eerste willen we jongeren met klachten de kans geven om die te uiten. Dat is niet evident als je zoals in de Gemeenschapsinstellingen van je vrijheid beroofd bent. Ten tweede wil de Commissie ook dat extra raam zijn om van buiten naar binnen te kijken. De commissarissen houden hun oren en ogen open om ook op structureel niveau de gang van zaken te bekijken. Jaarlijks brengt de Commissie verslag uit aan het Vlaams Parlement, maar de impact op de dagelijkse praktijk is op zijn minst even belangrijk. We rapporteren ook aan de voorzieningen zelf en aan Zorginspectie. We merken nu al een constructieve samenwerking. Ik ga ervan uit dat dat in de toekomst alleen nog maar zal verbeteren.

BRUNO VANOBBERGEN

Er zijn ook voorzieningen die de commissarissen liever niet zien komen?
Ik snap de terughoudendheid bij sommigen. Waarom wij, denken ze. Waarom geen Commissie van Toezicht in de forensische kinder- en jeugdpsychiatrie of in de VAPH-voorzieningen? Het antwoord is pragmatisch: de decreetgever wou ergens beginnen. Op termijn hoop ik dat er ook naar andere sectoren een uitbreiding komt.

Er is ondertussen ook een resolutie aangenomen die de Commissie van Toezicht wil uitbreiden naar GGZ-voorzieningen voor kinderen en jongeren. Vanaf wanneer is dat voorzien?
Dat is nog niet beslist. Allicht wordt dat werk voor de volgende legislatuur. Maar het zou interessant zijn om ook met de GGZ-voorzieningen samen te werken. Thema’s zoals afzondering en isolatie leven er ook heel erg. We zien grote verschillen in praktijken tussen voorzieningen. Zorginspectie heeft dat opgenomen en streeft naar eenzelfde beleid voor alle organisaties. Het lijkt me aangewezen om daar ook de VAPH-sector bij te betrekken. De Commissie van Toezicht kan faciliterend optreden. We kunnen leren van elkaar. Er zijn voldoende goede praktijkvoorbeelden.

Wat is voor u de plaats van isolatie in de kinder- en jongerenpsychiatrie. Kan het in sommige gevallen of zegt u principieel neen?
Ik pleit voor een beleid zonder gedwongen afzondering en voor een continuüm aan maatregelen. We zijn daarover in dialoog gegaan met kinderen en jongeren. Zij vinden het heel belangrijk om een plek te hebben waar ze zich kunnen terugtrekken, bijvoorbeeld als ze agressie voelen opkomen. Maar waar ze vooral nood aan hebben, is goede communicatie: voor, tijdens én na de afzondering. Niets is erger dan afgesloten te worden van alle communicatie. Dat verdient meer aandacht. Er zijn al mooie praktijken. Ik was onlangs in De Kaap van Karus in Melle, waar ze een stilteplek hebben, een soort van snoezelruimte waar kinderen op eigen initiatief even alleen kunnen zijn. Elk kind heeft zijn manier om zich af te reageren: met muziek, met krijt op een bord, iets om op te slaan of te kloppen … Ga daarover in dialoog en laat jongeren zelf voorstellen doen over hoe ze behandeld worden in een crisis. Er is een enorm verschil tussen zichzelf afzonderen en afgezonderd worden.

Verandert de situatie als het gaat over een jongere die een misdrijf pleegde?
Die jongeren hebben vaak een complexe, meervoudige problematiek. We slagen er onvoldoende in om een goed aanbod voor die doelgroep te ontwikkelen. Er zijn de gemeenschapsinstellingen, maar zowel de voorzieningen als de jongeren geven aan dat dat niet de juiste oplossing is. We moeten nadenken over een meer gedifferentieerd aanbod voor die jongeren. Die reflectie gebeurt nu gelukkig, bijvoorbeeld voor slachtoffers van tienerpooiers. Ook dat is een groep die dringend een gepaste zorg en begeleiding nodig heeft.

KINDERPARDON

Ondanks grote inspanningen leeft de overtuiging dat we te weinig doen. Waar zit volgens u de kern van het probleem: een gebrek aan capaciteit, een gebrek aan preventie of een gebrek aan interesse in de samenleving?
De drie factoren spelen mee. Een gebrek aan capaciteit zeker en vast. Met bijkomend ook nog eens het spanningsveld tussen psychiatrie en justitie, waarvan kinderen te vaak de dupe zijn. We moeten dat spanningsveld dringend uitklaren. Verder kan een betere samenwerking tussen welzijn en onderwijs ons vooruit helpen. Ik heb er mee voor geijverd dat de Rode-Neuzendag dit jaar focust op het mentaal welzijn van kinderen op school. De gevoeligheid daarvoor bij leerkrachten moet omhoog. Vandaag moeten kinderen en hun ouders te vaak zelf hun weg zoeken in het complexe aanbod. Als we dat zouden kunnen omdraaien, zou dat een groot verschil betekenen. Het is onze gezamenlijke verantwoordelijkheid, over alle sectoren heen, om daarvan werk te maken.

“Hoe zijn we tot hier gekomen? Hoe is die situatie kunnen ontstaan?
Ja, ik heb het daar bijzonder moeilijk mee. We bieden arme antwoorden als het over vluchtelingen gaat.”

Ook het thema van de vluchtelingenkinderen is al enkele jaren brandend actueel. Hoe kijkt u daar tegenaan?
De vluchtelingen, en vooral de kinderen, zijn de groep die mij het meest raakt. Zij bevinden zich in de meest kwetsbare situatie. Ik heb al vele gesprekken met vluchtelingen gevoerd. Ik heb Calais en opvangcentra bezocht. Als je luistert naar de verhalen van die mensen, dat is verschrikkelijk… Een cumulatie van ellende: in hun land van herkomst, onderweg, en dan nog eens hier, bij ons. Ik neem mijn hoed af voor iedereen die hen helpt. Maar een structurele oplossing blijft uit. Soms worden kinderen en jongeren die eerst een verblijfsvergunning kregen, alsnog teruggestuurd. Zelfs kinderen die hier geboren zijn of hier al tien of vijftien jaar wonen, krijgen soms het bevel om het land te verlaten. In Nederland bestaat het ‘kinderpardon’: verre van optimaal, maar het biedt wel potentieel als oplossing.

Om het in die context over de verantwoordelijkheid van de ouders te hebben, vind ik bijzonder moeilijk. Ik ken geen enkele ouder die met plezier vertrekt uit zijn of haar thuisland. Geen enkele ouder doet zoiets onbezonnen. Er is ontzettend veel kwetsbaarheid. Vanuit kinderrechtenperspectief proberen wij mee antwoorden te bieden. Ik houd geen pleidooi voor open grenzen. Ik ben wel op zoek naar een humane oplossing. Een duurzame oplossing ook. In Nederland werd een onderzoek voorgesteld over vluchtelingen uit Armenië en Kosovo die tijdelijk in Nederland opgevangen waren, maar daarna teruggestuurd. Die mensen blijken in hun thuisland in erbarmelijke omstandigheden te leven met ook complexe mentale problemen. Dat kan niet ons antwoord zijn. Als we mensen terugsturen, moeten we er zeker van zijn dat ze op iets terug kunnen vallen: werk, een woning, veiligheid …

Met welk gevoel gaat u straks naar de begrafenis van Madwa?
Ik voel me persoonlijk erg geraakt. Ik heb het er heel lastig mee. Ik wijs in die concrete case niemand met de vinger. We moeten ons wel fundamentele vragen stellen. Hoe komt het dat we tot zo een agressief discours over vluchtelingen zijn gekomen? De gebeurtenissen én de reacties van de publieke opinie maken me kwaad. Ook de reacties van sommige van onze politici helpen ons niet echt vooruit. Tegelijk moeten we de hoop levend houden en andere antwoorden proberen te bieden. Dat is onze plicht.

U bent teleurgesteld in het maatschappelijke discours na de dood van Mawda?
Absoluut. Het voorstel voor een humanitaire regularisatie voor de ouders en het broertje van Mawda staat nu centraal in de discussie. Dat is belangrijk, maar uiteindelijk zouden we het over zoveel méér moeten hebben. Hoe zijn we tot hier gekomen? Hoe is die situatie kunnen ontstaan? Ja, ik heb het daar bijzonder moeilijk mee. We bieden arme antwoorden als het over vluchtelingen gaat.


“BELGISCHE KINDEREN MOETEN OP ONS KUNNEN REKENEN”

Belgische kinderen uit terroristische conflictzones moeten kunnen rekenen op onze hulp, vindt het Kinderrechtencommissariaat. Kinderen van (voormalige) IS-vrouwen moeten we veilig begeleid naar België halen. Het KRC schaart zich daarmee achter Unicef en andere kinderrechtenorganisaties ter plaatse.

Is dat voor u een complex vraagstuk waarover lang gediscussieerd werd of is het antwoord zo klaar als een klontje?
Voor mij is het de evidentie zelf. We hebben ons vooraf wel goed geïnformeerd. Aan het Agentschap Jongerenwelzijn hebben we gevraagd hoe zij de opvang van die kinderen zouden organiseren. Er ligt daarvoor een gedifferentieerd plan klaar. Alles is paraat. Dat was een belangrijke voorwaarde. Verder hebben we informatie gevraagd aan het OCAD, het Orgaan voor de Coördinatie en de Analyse van de Dreiging. Volgens het OCAD gaat het om 150 tot 160 kinderen, waarvan driekwart tussen de nul en de zes jaar en heel kwetsbaar voor ziektes en ander onheil.

Ik begrijp dat mensen het moeilijk hebben als het gaat over jongeren die meegestreden hebben met IS. Ook al gaat het om kinderen van tien jaar. Ik snap het voorbehoud. Maar het blijven kinderen met de Belgische nationaliteit. Wat is het alternatief? Dat we hen laten sterven of in erbarmelijke omstandigheden opgroeien? Neen. Ze hebben recht op dezelfde behandeling die jongeren hier krijgen als ze een zwaar misdrijf hebben gepleegd.

Kan u zich een situatie voorstellen waarin veiligheidsoverwegingen de doorslag krijgen en kinderrechten maar een van de vele perspectieven zijn? Of primeren sowieso altijd de kinderrechten?
Het veiligheidsperspectief in die kwestie ontbreekt in elk geval niet. Het is niet mijn taak om daarvoor extra aandacht te vragen. De kinderrechten daarentegen zijn te lang onderbelicht gebleven. Beide perspectieven moeten mee in de discussie worden genomen. We moeten situatie per situatie bekijken en evalueren. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat die kinderen veilig worden opgevangen? Het ene hoeft het andere niet uit te sluiten.


KRC IJVERT VOOR ONDERWIJS IN ZIEKENHUIS

“In elke context waar kinderen en jongeren voor langere tijd verblijven, moeten we onderwijs kunnen aanbieden”, zegt Bruno Vanobbergen. “Het KRC heeft daarover overleg gepleegd met verschillende ziekenhuizen en we willen dat als thema agenderen in het kader van de opvolging van het M-decreet.”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: PETER DE SCHRYVER