NIEUW DECREET JEUGDDELINQUENTIERECHT

NADRUK OP VERANTWOORDELIJKHEID


Johan Put is gewoon hoogleraar aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven en verbonden aan het Instituut voor Sociaal Recht (ISR) en het Leuvens Instituut voor Criminologie (LINC). Vanuit die functie is hij nauw betrokken bij de totstandkoming van het nieuwe jeugddelinquentierecht. Met de staatshervorming kreeg een consortium van de universiteiten van Leuven, Brussel en Gent, en het Kenniscentrum Kinderrechten in 2015 de opdracht om een omgevingsanalyse te maken. Zes themagroepen gingen in 2015-2016 met de resultaten aan de slag. Zowel praktijkmensen als academici, waaronder Johan Put. Uiteindelijk belandde een voorstel bij het Agentschap Jongerenwelzijn en op het kabinet van Vlaams Welzijnsminister Jo Vandeurzen, waarop er werd voortgewerkt. Prof. Put was een van de ‘assessoren’ die mee advies gaf toen het ontwerp van decreet aan de afdeling wetgeving van de Raad van State werd voorgelegd.


Op 1 september wordt het nieuwe decreet op de jeugddelinquentie van kracht. Of althans een eerste luik ervan, want voor de volledige uitrol is er een overgangs­periode van drie jaar. Er moet dan ook nog veel voorbereidend werk gebeuren. Toch tekenen zich duidelijk enkele nieuwe lijnen af nu Vlaanderen sinds de zesde staatshervorming bevoegd is voor de materie. Prof. Johan Put leidt ons door de belangrijkste elementen van het nieuwe decreet.

“De jeugdhulp was al langer Vlaamse materie en met de zesde staatshervorming zit ook de jeugddelinquentie bij de deelstaten”, vertelt prof. Put. “Het is goed dat preventie, hulpverlening en delinquentie nu vanuit één visie kunnen worden aangestuurd. Tegelijk constateren we dat er zowel onder de oude wetgeving als onder het nieuwe decreet een breed palet aan mogelijkheden is voor de jeugdrechters. Zij maken net als de wetgever keuzes en bepalen zo mee de praktijk.”

“Een eerste opvallend element is de naam van het decreet. We spreken niet meer over jeugdbescherming, maar over jeugddelinquentie. Die naamgeving geeft meteen de toon aan. De nadruk in de federale wet lag voor velen iets te sterk op het beschermende karakter, terwijl nu met jeugddelinquentie voor een meer neutrale term wordt gekozen. Neutraal, want men had bijvoorbeeld ook voor ‘jeugdstrafrecht’ kunnen opteren, zoals in Nederland.”

“De grootste verandering is de nadruk op de verantwoordelijkheid. Zozeer zelfs dat ik tijdens lezingen dit decreet weleens het ‘verantwoordelijkheidsmodel’ noem. Minderjaren zijn geen volwassen mensen. Daarmee moeten we rekening houden: je kunt ze niet als volwassenen straffen. Maar je kunt ze wel op hun verantwoordelijkheid aanspreken. Op een constructieve manier.”

“Positief daaraan is het herstelrecht: de jonge delinquent krijgt de kans om het goed te maken. Hij kan daarvoor een beroep doen op een bemiddelingsorgaan: de Herstelgerichte Constructieve Afhandeling of HCA-diensten. Die bemiddeling kan met alle partijen aan tafel of via gesprekken over-en-weer. Het gaat over het vergoeden van de schade, maar ook over de kans voor beide partijen om hun verhaal te doen. Ook het aanbieden en aanvaarden van excuses is ontzettend belangrijk. De jongere kan voorts een engagement aangaan. Bijvoorbeeld om een cursus agressiebeheersing te volgen, aan een ontwenningsprogramma deel te nemen of vrijwilligerswerk te doen. Die bemiddelingspiste is een parallel circuit, op vrijwillige basis (dus met instemming van zowel dader als slachtoffer) en met een garantie van vertrouwelijkheid. De jongere krijgt de kans om met het slachtoffer een overeenkomst te sluiten. Die overeenkomst wordt dan voorgelegd aan de procureur (als het nog niet tot een proces is gekomen) of aan de rechter (bij een proces of in de voorbereidingsfase ervan). Vindt de procureur de overeenkomst afdoende, dan hoeft het niet tot een proces te komen. Vindt hij dat er toch nog een extra maatregel nodig is, dan komt de zaak wel voor de rechter. Wordt de overeenkomst voorgelegd aan de rechter, dan kan ook hij daarmee rekening houden. Let wel: dat zat allemaal ook al in de federale wet!” 

“Wel nieuw is het positief project als er geen identificeerbaar slachtoffer is of als geen bemiddeling kan worden opgestart. Althans: dat bestond ook al wel, maar werd in de praktijk zo goed als nooit gebruikt omdat het onbekend was en pas mogelijk bij een proces ten gronde – wanneer het dus eigenlijk al te laat is. Nu wordt zo’n positief project op elk moment mogelijk. De jongere krijgt zo de kans om toch een eigen voorstel te doen om zijn fout goed te maken. Dat voorstel wordt beoordeeld door de procureur of de rechter. Uiteraard zijn de ouders bij dat alles betrokken. Bij alle maatregelen en sancties werkt een jeugdrechter contextgericht. Niet om de ouders te straffen, maar om ze te erkennen en te respecteren in hun rol in de opvoeding.”

LEEFTIJDSGRENZEN EN UITHANDEN­GEVING

“Kinderen jonger dan 12 jaar kunnen niet vervolgd worden. In theorie kon dat vroeger wel, al gebeurde het heel zelden. De maximumleeftijd voor de feiten blijft 18 jaar. Vroeger mocht de straf reiken tot de leeftijd van 20 jaar. Met twee uitzonderingen: verkeersmisdrijven en de ‘uithandengeving’. Uithandengeving laat de jeugdrechter toe om jongeren die feiten plegen op 16 of 17 jaar toch naar het strafrecht (voor volwassenen) te verwijzen. België is voor die praktijk al op de vingers getikt door het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties. Nu was er de kans om dat af te schaffen, maar de politiek heeft beslist om eraan vast te houden, tegen de meeste adviezen in.”

“Stel dat een 17-jarige een moord pleegt, dan kon die onder het federale jeugdrecht maar een straf krijgen die duurde tot zijn 20ste verjaardag. Tenzij de jeugdrechter de uithandengeving toepaste. Het nieuwe decreet breidt die maximumleeftijd uit tot 23 jaar en bij ernstige feiten gepleegd op 16 of 17 jaar tot 25 jaar.”

“Voor dat alles in werking kan treden, moet er echter nog veel voorbereidend werk gebeuren. Het decreet gaat in op 1 september, maar heel het stuk over de gesloten opvang treedt pas later in voege. Er is een overgangsperiode tot uiterlijk 1 september 2022.”

GEEN PSYCHIATRIE ALS SANCTIE

“Jongeren kunnen nooit in een psychiatrisch ziekenhuis worden geplaatst als sanctie. Het is wel een alternatieve mogelijkheid als er effectief sprake is van een psychiatrische aandoening. Daarvoor is er een verslag van een jeugdpsychiater nodig, waarin die bevestigt dat de dader niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor zijn daden en behandeling nodig heeft. Zowel een open als een gesloten voorziening is dan mogelijk. Gaat het om een gesloten afdeling, dan is de wet op de gedwongen opname van toepassing. Op het moment dat die wet wijzigt (zoals binnenkort allicht het geval is, n.v.d.r.), dan wijzigt ze ook in de context van dit decreet.”

“Minderjaren zijn geen volwassen mensen. Daarmee moeten we rekening houden: je kunt ze niet als volwassenen straffen. Maar je kunt ze wel op hun verantwoordelijkheid aanspreken. Op een constructieve manier.”

“Een goede samenwerking tussen de federale en de Vlaamse overheid is absoluut nodig”, zegt prof. Put. “Maar ook de sectoren moeten nog meer samenwerken. Mijn gevoel is dat de samenwerking tussen de geestelijke gezondheidszorg en de jeugdhulp toeneemt, maar dat we klaar zijn voor een volgende stap met een geïntegreerd aanbod voor de moeilijkste doelgroep. Waarom bijvoorbeeld niet een gezamenlijke afdeling uitbouwen – vanuit geestelijke gezondheidszorg én jeugdhulp. Dat lijkt voor beide partijen vandaag nog een brug te ver. Ook de verhouding tussen zorg en justitie kan nog beter. Er is een voortdurende spanning over de uiteindelijke beslissingsmacht. Misschien moeten we nadenken over een systeem van medebeslissing? Op het terrein zitten we in de fase van outreaching, wat je zou kunnen omschrijven als ‘elkaar helpen’. Maar we zijn nog niet toe aan cocreatie, waar we naartoe moeten. Er is in elk geval ruimte voor meer geïntegreerde samenwerking. Wie die nodig vindt, kan meteen aan de slag.”


Ruimte voor langere leer- en begeleidingstrajecten

Het nieuwe decreet op de jeugddelinquentie geeft de procureur en de jeugdrechter ook de mogelijkheid om voorwaarden op te leggen. Dat kan bijvoorbeeld gaan om een leertraject of een begeleiding door een Centrum Geestelijke Gezondheidszorg (CGG). Het aantal uren dat opgelegd kan worden, stijgt sterk in het decreet. Vandaag blijft dat aantal uren in de praktijk doorgaans beperkt tot 20 of 40 uur. Afhankelijk van de fase waarin de bijkomende voorwaarde wordt opgelegd – op parketniveau door een procureur, in de onderzoeksfase door een jeugdrechter of in de fase ten gronde door een jeugdrechter – kan het aantal uren oplopen tot 30, 60 of 220 uur.

Dat betekent dat onder meer dat de CGG’s langere leer- en begeleidingstrajecten kunnen uitbouwen. “De HCA-diensten zijn het eerste aanspreekpunt voor de jeugdrechter en de procureur”, zegt prof. Put. “De CGG’s kunnen het initiatief nemen om in overleg met de HCA-diensten een aanbod te ontwikkelen op maat van specifieke doelgroepen, bijvoorbeeld seksueel delinquenten. Dat gebeurt trouwens nu ook al.”


 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: SOPHIE NUYTTEN