INTERVIEW MET DIRK VANDERPOORTEN, SECRETARIS-GENERAAL WERK EN SOCIALE ECONOMIE

"Dit akkoord maakt echt het verschil"

Mei 2021

Een zucht van opluchting en tevredenheid ging door alle sectoren van zorg en welzijn toen het Vlaams Intersectoraal Akkoord 2021-2025 – kortweg VIA6 – werd goedgekeurd en bekendgemaakt. Negen maanden moeizaam onderhandelen had geen muis gebaard, maar een akkoord waarin alle partijen zich kunnen terugvinden. Meer koopkracht, extra personeel, meer kwaliteitsvolle loopbanen. Dirk Vanderpoorten, secretaris-generaal van het departement Werk en Sociale economie, leidde de onderhandelingen. Wij zochten hem op.

Vlaanderen kent ondertussen een lange traditie van VIA-akkoorden. Het zijn tripartite akkoorden tussen werkgevers, werknemers en de overheid voor de door Vlaanderen gesubsidieerde socialprofitsectoren. Hiertoe behoren naast de publieke en private sectoren uit zorg en welzijn ook de socio-culturele sector en de sociale economie.

De groep sectoren waarop een VIA van toepassing is, groeit door de staatshervorming alsmaar aan. Waardoor de onderhandelingen steeds complexer worden, zegt Dirk Vanderpoorten. “Hoe meer paritaire comités betrokken zijn, hoe minder evident het wordt een gezamenlijk draagvlak te vinden. Deze keer waren er zeven werkgeversorganisaties bij betrokken, met voor elke sector telkens de drie vakbonden én de bevoegde ministers en kabinetten. Dat is veel volk voor een onderhandelingstafel. Maar de VIA-akkoorden zijn tegelijk een mooie traditie van Vlaams sociaal overleg. Elk VIA geeft het comfort van stabiliteit en sociale vrede voor meerdere jaren.”

“De coronacrisis was een wake-up call op politiek niveau. De onderbezetting, de werkdruk, de soms matige lonen… Men wist dat natuurlijk al jaren, maar als puntje bij paaltje kwam ontbraken altijd de budgetten.” 

Wat was uw rol als hoofdonderhandelaar precies?

Zo’n onderhandelingsproces kent verschillende fasen. Het is onmogelijk om alle vergaderingen zelf bij te wonen, maar bij de besprekingen over de grote lijnen en de cruciale details was ik er altijd bij. Ook als het over de centen ging, hield ik de touwtjes in handen. Ik leidde zeer actief de onderhandelingen voor het voorakkoord dat in het najaar tot stand kwam. In de verdere uitwerking van het koopkracht- en kwaliteitsluik kon ik soms wat meer op afstand sturen, al bleef ik de grote principes mee bewaken. Als het ergens dreigde vast te lopen, sprong ik bij als een soort van coach en ontmijner. Ik zie mezelf vooral als een bruggenbouwer.”

Hoe is men bij u terechtgekomen voor de rol als hoofdonderhandelaar?

“Ik heb veel ervaring als onderhandelaar, maar toch kwam de vraag ook voor mij wat onverwacht. Het is minister Crevits die het me vroeg. Ik heb er niet lang over hoeven na te denken. In maart vorig jaar stond ook ik elke avond op het terras van mijn appartement te applaudisseren voor de zorgverleners. Ik zag toen al de consequenties voor het sociaal akkoord. Ik wou mee die uitdaging opnemen, omdat die mensen een goed akkoord verdienen.

Ik wist dat het moeilijk zou worden. Onder minister-president Dewael (1999-2003) had ik als kabinetsadviseur VIA2 (voor de periode 2000 tot 2005) van nabij gevolgd. Ik wist waaraan ik begon. Ik ken de zorg- en welzijnssector ook goed. Tot 2006 werkte ik bij Kind en Gezin, waar ik als algemeen directeur afscheid nam. Ook dat zal hebben meegespeeld in mijn aanstelling. En zoals gezegd: ik had wel wat ervaring als onderhandelaar. Ik heb bijvoorbeeld ook de grote politiehervorming mee onderhandeld.”

U verwees al naar de coronacrisis en de impact daarvan op de beeldvorming over zorg en welzijn. Heeft deze crisis ook een grote impact gehad op het VIA-akkoord?

“Jazeker. De coronacrisis was een wake-up call op politiek niveau. De onderbezetting, de werkdruk, de soms matige lonen… Men wist dat natuurlijk al jaren, maar als puntje bij paaltje kwam ontbraken altijd de budgetten. De overheid moet natuurlijk op haar centen letten. Maar corona zorgde voor een acceleratie. De waardering voor de sector groeide, de wil was er en plots was er een opening over alle partijen heen. Er was een common ground, en dat is cruciaal in onderhandelingen. VIA6 levert dan ook een ferme inspanning voor de betrokken sectoren.”

“IFIC is strategisch en toekomstgericht allicht het belangrijkste element van dit akkoord. Omdat het de beste garantie vormt voor een betere Vlaamse arbeidsmarkt op het vlak van zorg en welzijn.”

Toch hebben de onderhandelingen negen maanden lang geduurd. Het is niet dat het snel beklonken was?

“Onderschat de complexiteit met al die verschillende sectoren niet. Er zijn een aantal generieke thema’s zoals werkbaar werk, koopkracht, innovatie, vorming en opleiding… maar die moeten telkens vertaald worden naar de specifieke situatie van elke sector. Een woonzorgcentrum is geen kinderdagverblijf of een socio-culturele instelling. Het uiteindelijke akkoord telt daardoor ook honderd pagina’s in een klein lettertype, zonder de bijlagen.

Die lange duurtijd is trouwens niet ongewoon voor een VIA-onderhandeling. Het was een goede methodiek om eerst tot een generiek voorakkoord te komen. De grote lijnen én de budgetafspraken op veertien pagina’s. Voor sommige partijen was die methodiek even wennen. Iedereen heeft de neiging om snel in de details te duiken: wat betekent dat voor mijn sector, what’s in it for me? Maar ik wou eerst het grote kader helder krijgen. Ik ben nog altijd overtuigd van die methodiek.

Ik wou ook niet voortdurend met meer dan veertig vertegenwoordigers aan tafel zitten. Dat is niet werkbaar. Daarom hebben we met woordvoerders gewerkt: één vertegenwoordiger van de vakbonden (Marc Selleslagh, ACV), één vertegenwoordiger van de werkgevers (Ingrid Lieten, Verso), twee vertegenwoordigers van de publieke sector (Christoph Vandenbulcke, ACV-Openbare Diensten en Piet Vanschuylenbergh, VVSG) en dan telkens een woordvoerder van de vier meest betrokken kabinetten (minister-president Jambon, minister Crevits, minister Somers en minister Beke). Dat was in het begin niet evident voor de deelsectoren, maar gaandeweg is het vertrouwen gegroeid in een heel matuur klimaat.”

Dirk Vanderpoorten: “Er is geluisterd naar de noodkreten uit het werkveld. Er komt extra personeel. Dit akkoord maakt echt het verschil.”

Was het beschikbare budget van meet af aan duidelijk voor u?

“Ja. Er was 525 miljoen euro voorzien. Maar dat heb ik uiteraard niet meteen op tafel gelegd. Bij dit soort onderhandelingen hoort altijd een snuffelronde. Die gesprekken verlopen met alle betrokken partijen afzonderlijk. Op een informele en vertrouwelijke manier tasten we af wat de mogelijkheden zijn. Zo wordt het speelveld bepaald. Dat is in de zomer gebeurd. Vanaf september zijn dan de eigenlijke onderhandelingen gestart. Uiteindelijk is het budget nog opgetrokken tot 575 miljoen in het voorakkoord en helemaal op het laatste heeft minister-president Jambon na bijna 24 uren onderhandelen nog groen licht gegeven voor 2 miljoen extra, waarvoor ik hem dankbaar ben.”

Vóór het VIA-voorakkoord was er het federale akkoord voor de federale zorgvoorzieningen. Bovendien was er het IFIC-verhaal dat ook in Vlaanderen ingevoerd moest worden. Zorgde die context voor extra druk?

“Het speelde mee, maar louter op een positieve manier. Er was niet echt sprake van enige concurrentie op dat vlak tussen de overheden. Er was politiek een common groud over IFIC. IFIC is cruciaal voor een gelijk speelveld over alle sectoren heen. Het is een noodzakelijke tool voor de transparante en flexibele arbeidsmarkt die we nodig hebben. Dat is, los van de federale overheid, ook het streven van de Vlaamse overheid. IFIC garandeert een betere arbeidsmarkt. Dat helpt ons structureel vooruit. Als secretaris-generaal van het departement Werk en Sociale economie was dat voor mij een extra motivatie om ervoor te gaan. 

IFIC is strategisch en toekomstgericht allicht het belangrijkste element van dit akkoord. Omdat het de beste garantie vormt voor een betere Vlaamse arbeidsmarkt op het vlak van zorg en welzijn. En dat is nodig, gezien de uitdagingen waarvoor we staan.”

“We willen voor de VIA-sectoren een actieplan voor de aantrekkelijkheid en de slaagkansen in deze beroepen dat de vergelijking met het STEM-actieplan kan doorstaan.” 

Wat zijn voor u andere belangrijke realisaties van VIA6?

“Alle elementen zijn belangrijk. De koopkracht, maar zeker ook het extra personeel. Voor de private zorg- en welzijnssectoren alleen al gaat het over 3621 voltijdse equivalenten (VTE). Voor de publieke sectoren gaat het over 854 VTE. Dat is een enorme investering. Er is geluisterd naar de noodkreten uit het werkveld. Er komt extra personeel. Dit akkoord maakt echt het verschil.

Daarnaast zijn ook de inspanningen voor de instroom en de zij-instromers belangrijk. Dat is voor mij de derde poot van het akkoord. De werkgevers hebben hiervoor hun nek uitgestoken, met de steun van de vakbonden. We willen voor de VIA-sectoren een actieplan voor de aantrekkelijkheid en de slaagkansen in deze beroepen dat de vergelijking met het STEM-actieplan kan doorstaan. Iets met dezelfde reikwijdte en bekendheid. Omdat het nodig is. Per jaar is er tot 2026 nood aan 46.000 extra arbeidskrachten, als een gevolg van de vergrijzing in de sector en de uitbreidingsnoden.”

De Vlaamse Zorgambassadeur werkt al jaren aan de aantrekkelijkheid van de zorgberoepen. Wat kan er nog extra gebeuren? 

“Er gebeurt inderdaad al veel, maar erg verkokerd. Dit akkoord laat toe om de drie werelden samen te brengen: zorg en welzijn, onderwijs, werk en sociale economie. We moeten bruggen bouwen, elkaar versterken voor meer sturing en slagkracht. Samen kunnen we de sense of urgency sterker uitdragen. Dit zijn de jobs van de toekomst! We staan allemaal voor dezelfde uitdagingen. Laat ons, zonder afbreuk te doen aan de eigenheid van elke sector, de krachten bundelen en aan één zeel trekken.”

De loopbanen zelf moeten ook meer “kwaliteitsvol” gemaakt worden. Alle werknemers kunnen voortaan drie weken onafgebroken vakantie opnemen.

“Dat was belangrijk voor de vakbonden. Zelf ben ik vooral blij dat de werkgevers ermee ingestemd hebben om het aanbod vorming en opleiding geleidelijk op te trekken van twee naar vijf dagen per medewerker per jaar. Een blijvende professionalisering is noodzakelijk. Werkbaar werk gaat hand in hand met vorming en talentontwikkeling. We moeten hiervoor de nodige tijd vrijmaken. Door de extra voltijdse equivalenten wordt dat mogelijk. Het zal de kwaliteit van zorg en welzijn alleen maar ten goede komen.”

Tijdens de onderhandeling is de nood aan intersectorale samenwerking en multi-inzetbaarheid gebleken. De regelgeving werpt veel drempels op. Daar wordt iets aan gedaan, ook in overleg met de federale sectoren?

“We moeten inderdaad openingen maken. Dat staat ook in het Vlaams regeerakkoord. De verkokering is hardnekkig, het gaat niet van een leien dakje. Maar IFIC effent in elk geval mee het pad. Als de loon- en arbeidsvoorwaarden over alle sectoren heen al gelijk zijn, dan is alvast die noodzakelijke voorwaarde vervuld. De geest en de intentie van het VIA-akkoord is duidelijk, maar Rome is niet op één dag gebouwd.”

Blijft u ook deze onderhandelingen de komende maanden en jaren opvolgen?

“Ik zit ondertussen al volop in sociale onderhandelingen in een andere sector. Voor mij is VIA6 afgerond. Maar alles wat instroom en zijstroom betreft, hoort natuurlijk wel tot mijn terrein en zal ik dan ook gepassioneerd blijven volgen. Ik blijf dus betrokken, maar niet bij elk aspect.”

Welk gevoel houdt u aan deze onderhandelingen over?

“Ik voel vooral fierheid. Het klinkt old school, maar we hebben keihard gewerkt en ik voel me fier en uiterst dankbaar over de goede samenwerking met alle partners. De onderhandelingen verliepen in een klimaat van discretie, vertrouwen en sociale vrede. Bij de politieke partijen waardeer ik vooral het geduld dat ze opgebracht hebben. Minister Wouter Beke stond erg onder druk om snel met resultaten te komen, maar hij gaf ons de nodige tijd en ruimte om tot een goed akkoord te komen.”

Mogen ze u over vier jaar opnieuw vragen voor VIA7?

“Tegen dan ben ik met pensioen. Tenzij de loopbanen ondertussen danig verlengd zijn. Maar daar ga ik nu even niet van uit. (lacht)”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: SOPHIE NUYTTEN