matthieu mertens

26 september 2017

WERKGROEP RECHTSPOSITIE VAN DE CLIËNT

STREVEN NAAR HET INDIVIDUELE GELUK VAN ELKE BEWONER

Vlaanderen werkt aan een performant welzijns- en zorgbeleid voor ouderen. In februari 2017 stelde minister Jo Vandeurzen zijn conceptnota ‘Dichtbij en integraal – visie en verander­agenda’ voor. Diverse werkgroepen buigen zich momenteel over de uitwerking van die conceptnota. Zo ook de werkgroep ‘Rechtspositie van de cliënt’, voorgezeten door Mathieu Martens. “Niet zozeer het juridische aspect telt voor ons, maar wel het menselijke. Uiteindelijk streven wij naar het welzijn en het geluk van elke individuele bewoner in het woonzorgcentrum.”

“Als voorzitter van Okra Zorgrecht, één van de zes erkende mantel­zorgverenigingen, volg ik de ontwikkelingen in de ouderen­zorg van nabij”, steekt Mathieu Martens van wal. “Tot aan mijn pensioen ben ik zelf directeur van een woonzorgcentrum geweest. Ik heb dus wel enige voeling met de sector. We kunnen er niet omheen: woonzorgcentra hebben vaak een negatief imago. Veel mensen hebben er schrik voor. Vanwaar eigenlijk die negatieve perceptie? Dat heeft ongetwijfeld historische wortels. Maar ook vandaag bieden woonzorgcentra soms onvoldoende antwoord op bepaalde noden. Ook als voorzitter van de Commissie Welzijn, Gezondheid en Zorg van de Vlaamse Ouderenraad en als medevoorzitter van de Alzheimer Liga zie ik dat veel mensen bezorgd zijn over de manier waarop we met kwetsbare ouderen omgaan.”

“Wie de literatuur erop naslaat, vindt een hele inventaris van elementen die soms minder goed gaan in woonzorgcentra. In eigen land kunnen we bovendien terugvallen op het onderzoek van Dimarso, dat sinds 2014 elk jaar georganiseerd wordt. In 2016 werden maar liefst 8.000 bewoners bevraagd. Uit dat onderzoek – ‘De meting van de kwaliteit van leven in de Vlaamse woonzorgcentra’ – komen duidelijk knelpunten naar voren. Het zijn die knelpunten waarvoor we in de werkgroep oplossingen proberen te vinden.”

“Begrijp me niet verkeerd: uit de Dimarso-onderzoeken blijkt dat woonzorgcentra over het algemeen goed scoren wat de zorgverlening betreft. Als we echter breder dan het loutere zorgaspect kijken, dan is er veel verbetering mogelijk. Pijnpunten zijn bijvoorbeeld het ontbreken van keuzeactiviteiten, de band met de zorgmedewerkers, de persoonlijke omgang met medebewoners… Ouderen hechten veel belang aan een goede relatie met de mensen die voor hen zorgen. Maar daar is niet altijd evenveel ruimte voor. De focus gaat vooral naar het medische en de zorg; het menselijke, het relationele, blijft onder de radar. Met de werkgroep proberen wij suggesties te formuleren om hier meer werk van te maken. Niet alleen suggesties voor woonzorgcentra, maar bijvoorbeeld ook voor de opleidingen, want daar begint het allemaal.”

matthieu martens
MANTELZORGERS INTEGREREN

“We mogen ook niet te snel tevreden zijn. Zo voelt 95% van de bewoners zich gerespecteerd in zijn privacy. Op het eerste gezicht kan je blij zijn met die score. Toch hebben we te weinig oog voor die 5%. Die mensen – en het blijft een vrij grote groep – vinden dat hun privacy onvoldoende gerespecteerd wordt. Waaraan ligt dat? Die 5% tevreden stellen is niet gemakkelijk. Toch is het precies dat wat we wensen.”

“Een vraag die terugkeert in dat soort discussies, is of woonzorgcentra over voldoende personeel beschikken om die menselijke, warme zorg te realiseren. Het is een pertinente vraag, die we niet zomaar onder de mat schuiven. Wat als we de ROB’s op hetzelfde niveau brachten als de RVT’s? Is dan alles opgelost? Ik vrees van niet. Want ook de RVT-normen voldoen niet voor zwaar zorgbehoevende bewoners. De zorgzwaarte verhoogt jaar na jaar, terwijl de personeelsnormen niet mee-evolueren. Daar zit een contradictie.”

“De vraag is: hebben we meer van dezelfde mensen nodig of hebben we andere functies of rollen nodig? Wat met de functie van animator? Kan die een bijkomende rol vervullen? En kan het verzorgend personeel andere rollen op zich nemen? Welke impact zal de persoonsvolgende financiering hebben? En moeten we alles met professionals realiseren? Kunnen we de mantelzorgers niet beter integreren in de woonzorgcentra? Sommige woonzorgcentra werken goed samen met mantelzorgers, bij andere is er marge voor verbetering. Die samenwerking is niet altijd evident. Een collega verwoordde het mooi: ‘Zijn mantelzorgers moeilijke mensen of zijn het mensen met moeilijkheden?’ Eerlijk gezegd, als ik mijn ouders in een woonzorgcentrum moet laten wonen, dan zal ik ook de dialoog met dat woonzorgcentrum aangaan. Mijn ouders hebben hun eigen levensstijl, hun eigen levensverhaal, en ik zou willen dat daarmee rekening gehouden wordt. Natuurlijk moet je als bewoner en de familie ook toegevingen doen. Je kan niet anders in een gemeenschappelijke leefomgeving. Maar over welke toegevingen hebben we het dan en hoe ver moeten die reiken? Daar zit volgens mij de kern van de zaak. Niet in de kwaliteit van de zorg, maar in de kwaliteit van leven.”

RUIMTE CREËREN

“Ook de persoonlijke omgang met medebewoners blijkt over het algemeen zwak te scoren. Ligt dat aan de bewoners zelf? Of moet het woonzorgcentrum hiervoor de ruimte en het enthousiasme creëren? Hetzelfde voor de band met de medewerkers. De relatie moet van twee kanten komen. Dat betekent dat het personeel hiervoor de nodige ruimte moet krijgen. We moeten proberen de routine, die in veel woonzorgcentra het dagelijkse leven bepaalt, te doorbreken. Zo wordt authentiek menselijk contact mogelijk.”

“Een ander pijnpunt zijn de keuzeactiviteiten in het weekend, of beter het gebrek daaraan. Veel bewoners vinden zaterdag en zondag moeilijke dagen, omdat er zo weinig te doen is. Hoe kunnen we dat verbeteren? Kunnen mantelzorgers hierin een rol opnemen? En vrijwilligers? Hoe kunnen we vrijwilligers zo integreren dat ze weekendactiviteiten organiseren? Kunnen zij met de bewoners naar buiten om een wandeling te maken?”

“Het gaat ons in de werkgroep om dat soort rechten: het recht op een goed leven en op welzijn. We hebben dikwijls de mond vol over autonomie in de betekenis van: ‘ik wil kunnen eten als het mij uitkomt’. In een collectieve organisatie is dat soms moeilijk. Thuis leef ik in een mini-collectiviteit met mijn vrouw, welnu, ik moet mij ook aanpassen en aan tafel gaan als het eten klaar is. Dat soort toegevingen moeten kunnen, vind ik. Maar die toegevingen mogen niet wegen op het welzijn en het geluk van de mensen. Het is een slappe koord hoor, maar uiteindelijk gaat het over het gelukkig maken van elk individu. Niet de 90% staat centraal, maar het individu.”

“Ik weet uit ervaring dat je met een sterke vrijwilligerswerking al een heel eind komt. Daarin moet je als woonzorgcentrum investeren. Een kleinschalige organisatie kan ook helpen, zelfs in grotere voorzieningen. Hoe kleinschaliger, hoe beter de bewoners en de medewerkers elkaar leren kennen en hoe gemakkelijker het wordt om zorg en aandacht op maat te geven. Want mensen gelukkig maken is geen bandwerk. Waar de ene bewoner gelukkig van wordt, laat de andere koud, en omgekeerd. Elk individu draagt zijn eigen levensverhaal met zich mee en heeft zijn eigen noden, verwachtingen en wensen. Ook het betrekken van de familie en de mantelzorgers kan hierbij erg veel helpen, zeker bij mensen met dementie.”

“Het gaat dikwijls om het vinden van een evenwicht. Mantelzorgers mag je ook niet te zwaar gaan belasten. Vaak hebben deze mensen jarenlang de zorg voor hun ouder of hun partner op zich genomen. Op het moment dat de bewoner in het woonzorgcentrum komt, is de mantelzorger dikwijls aan het eind van zijn krachten. Laat die mensen daarom eerst op krachten komen. Geef ze de ruimte om hun plaats in de nieuwe context te vinden. Betrek ze, zonder ze te verstikken. Om dat goed te kunnen doen, heb je medewerkers nodig die die dynamiek begrijpen en er kunnen mee omgaan. Het gaat echt niet alleen over méér medewerkers, maar ook over inzicht verwerven en weten hoe je mensen – mantelzorgers, vrijwilligers – op een goede, actieve manier kunt betrekken”, besluit Mathieu Martens.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS