WOUTER BEKE, VLAAMS MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID, GEZIN EN ARMOEDEBESTRIJDING

MINISTER VAN EN VOOR KWETSBARE MENSEN

9 december 2019

Vlaams minister Wouter Beke wil eerst en vooral de ‘minister van en voor kwetsbare mensen zijn’. Hij is vast van plan om de vernieuwingsbeweging van zijn voorganger Jo Vandeurzen verder te zetten, met de Vlaamse sociale bescherming als overkoepelend huis. Wij mochten op bezoek om naar de concrete plannen te peilen.

Het Vlaams regeerakkoord werd niet overal op applaus onthaald. Het akkoord belooft een ‘warm en sociaal Vlaanderen’, maar de concrete uitwerking lijkt een andere richting uit te gaan. Kunt u de zorg- en welzijnssector geruststellen?
Sociaal en warm is inderdaad waar wij voor gaan. Dat is natuurlijk ook een kwestie van centen en hoe we die zo efficiënt mogelijk besteden. Om toch maar even alles in perspectief te zetten: het budget dat ik als minister van Welzijn, Gezin, Volksgezondheid en Armoedebestrijding mag beheren, is even groot als het totale budget van de Waalse regering. Dat geeft aan hoeveel Vlaanderen investeert in die domeinen: van het Groeipakket tot en met het woonzorgcentrum, in alle levensfasen bieden we kwetsbare mensen ondersteuning. Met de Vlaamse sociale bescherming heeft mijn voorganger de fundamenten gelegd en we bouwen hierop voort. Maar de middelen zijn beperkt. Begin 2019 gingen we nog uit van een overschot in de Vlaamse begroting van 1 miljard euro tegen 2024. Vandaag spreken we over een tekort van 600 miljoen euro. Een verschil van 1,6 miljard. Die schuld moeten we eerst wegwerken voor we nieuw beleid kunnen voeren. Elke minister moet zijn duit in het zakje doen. Tegelijk investeren we een kleine 600 miljoen euro in zorg en welzijn. Dat is de grootste stijging van alle departementen. Dat bedrag komt bovenop de voorziene uitbreidingen, waaronder 400 miljoen in het Groeipakket, de uitrol van de VIA-akkoorden en toekomstige indexeringen. Samen is dat goed voor 2 miljard euro extra of een stijging van 13 tot 15 miljard euro de komende twee jaar. Ik weet het, de noden zijn nóg groter: van de kinderopvang over de gehandicaptenzorg tot de ouderenzorg. Maar we moeten ook met andere uitdagingen rekening houden: op het vlak van onderwijs, mobiliteit, open ruimte… Ook die domeinen bepalen mee het welzijn van de Vlaming.

Met een pensioen van 1.200 euro kan je geen factuur in het woonzorgcentrum betalen van 1.600 euro. Mensen willen zekerheid voor hun oude dag, die zekerheid gaan we hen geven.

Uw voorganger Jo Vandeurzen heeft heel wat veranderingen op de sporen gezet, in zowat alle sectoren. Bent u van plan die voort te zetten? En welke eigen klemtonen wil u daarbij leggen?
Ja, we bouwen verder aan het huis van de Vlaamse sociale bescherming. Er zal continuïteit van beleid zijn. Eigen klemtonen leg ik op vier aspecten. Ten eerste wordt preventie een prioriteit. Dan denk ik aan de vroege detectie van aandoeningen, maar evenzeer aan het psychologisch welzijn. Daarnaast blijven we focussen op meer regie bij de zorgvrager, zoals met de persoonsvolgende financiering. Een derde punt is het wegwerken van de schotten tussen de sectoren en aandacht voor zorgcontinuïteit. Ten slotte wil ik inzetten op digitalisering en gegevensdeling, beide nodig om alle voorgaande punten te realiseren, en op de zoektocht naar voldoende personeel. Dat alles plaats ik binnen de filosofie van de vermaatschappelijking van de zorg.

Hoe ziet u het overleg en de samenwerking met het werkveld?
Vlaanderen heeft een sterke traditie in zorg en welzijn. Vóór de overheid een rol speelde op die terreinen waren er al vele initiatieven van onderuit, vanuit het middenveld en de caritas. Zo zijn de kinderbijslag en de sociale zekerheid ontstaan. Pas gaandeweg heeft ook de overheid een rol opgenomen. Wie dus een steen in die rivier wil verleggen, moet wel in overleg gaan met het werkveld. Dat is ook mijn wens. Ik wil de sector op sleeptouw nemen om, met hun ervaring en expertise, samen de veranderingen vorm te geven.

Het regeerakkoord spreekt van een doorgedreven ontschotting: geestelijke gezondheidszorg, ouderenzorg en de zorg voor personen met een handicap komen in een eengemaakt systeem van Vlaamse sociale bescherming. Hoe ziet u dat concreet? Welke gevolgen zal dat hebben voor de zorgvragers? En voor de zorgvoorzieningen?
Het aanbod zorg en welzijn is groot, maar de regelgevingen en de financierings­mechanismen zijn versnipperd. Elke mens wordt geboren omringd door zorg, groeit op als kind en jongere, wordt volwassen en oud… In al die levensfasen én in de overgangen van de ene naar de andere fase, is zorg en ondersteuning nodig. Die is er ook, maar nog te weinig afgestemd. Dan ontstaat soms onzekerheid. Mensen willen continuïteit, ook als ze 18 of 65 worden. Daaraan willen we werken met een aantal overkoepelende principes, die tegelijk rekening houden met de specifieke levensfase. Zo bereiden we ook voor de ouderenzorg een systeem van persoonsvolgende financiering (PVF) voor, maar dat wordt geen copy-paste van de PVF in de gehandicaptensector. In de ouderenzorg willen we liefst met ‘tickets’ werken: mensen kunnen rechten opbouwen, die we niet in euro’s uitdrukken. Een belangrijk instrument hiervoor is de BelRAI, die een juiste inschaling moet garanderen en zo ook een betere continuïteit.

Is de BelRAI klaar?
Neen, we zijn er nog niet. We moeten dat verder uitwerken. Maar het principe staat in het regeerakkoord.

Wat zal de persoonsvolgende financiering concreet betekenen voor de woonzorgcentra?
Het gaat niet alleen over de woonzorgcentra, maar ook over de gezinszorg en andere actoren. Voor we concrete plannen maken, organiseren we in het voorjaar een grondige evaluatie van de PVF in de gehandicaptenzorg. We moeten leren uit de ervaringen in die sector. PVF is een waardevolle methodiek, maar voorzichtigheid is geboden.

Het aanbod in de geestelijke gezondheidszorg wordt verhoogd om de wachtlijsten weg te werken, zegt het regeerakkoord. Waar wilt u concreet op inzetten? Hoeveel middelen hebt u hiervoor?
Het mentale welbevinden van mensen is meer dan ooit belangrijk. De kranten staan er elke dag vol van. Vlaanderen heeft geen goede cijfers wat suïcide betreft. Elke dag zijn er 25 suïcidepogingen en 3 effectieve zelfdodingen. Iedereen kent wel iemand in zijn omgeving of familie die zwaar worstelt met zichzelf. De voorbije jaren hebben we al heel wat inspanningen gedaan voor suïcidepreventie. Met resultaat want het aantal suïcides daalt, maar helaas niet voor alle doelgroepen. De groep van 25 tot 60-jarigen blijft erg kwetsbaar. Daarom wil ik verder inzetten op een toegankelijke hulpverlening via telefoon en chat, en op vervolgzorg. Volgend jaar komen we met een nieuw suïcidepreventieplan.

En de wachtlijsten die u weg wilt werken? Komen er extra middelen voor de centra geestelijke gezondheidszorg?
Ja, maar we moeten het breed bekijken. Ik las onlangs nog dat één jongere op vijf psychologische problemen krijgt. Mijn voorganger heeft het concept ‘één gezin, één plan’ ontwikkeld, in samenwerking met het Huis van het Kind, de Jeugdhulp en andere actoren. Dat wil ik verder uitrollen. Ik wil dat de centra geestelijke gezondheidszorg, de ambulante revalidatie­centra en de referentiecentra autisme nauwer samenwerken. Samen kunnen ze de toegankelijkheid vergroten. Het is niet altijd een kwestie van middelen, het gaat erover hoe we de bestaande expertise zo dicht mogelijk bij de mensen brengen.

Welke plannen hebt u voor de ouderenzorg? Wat zou u over vijf jaar gerealiseerd willen hebben?
De voorbije jaren is er hard ingezet op een inhaaloperatie voor de ouderenzorg. We gaan op die weg verder. Daarnaast wil ik de kwaliteit van de ouderenzorg nog versterken en de factuur voor de bewoners onder controle houden. De Vlaamse sociale bescherming, met ook het zorgbudget voor ouderen, is daarvoor een mooi instrument, maar we gaan wel hervormen. Mensen die ouder worden, maken zich zorgen over twee dingen: hoe hoog zal mijn pensioen zijn en zal ik later het woonzorgcentrum kunnen betalen? Want met een pensioen van 1.200 euro kan je geen factuur van 1.600 euro betalen. Mensen willen zekerheid voor hun oude dag, en die zekerheid gaan we hen geven.

Voor investeringen voor de ziekenhuizen is in de begroting voor 2021 en 2022 telkens slechts 10 miljoen euro voorzien, voor 2023 en 2024 jaarlijks 20 miljoen. Dat is onvoldoende om de ziekenhuisinfrastructuur tijdig te vernieuwen, zegt Zorgnet-Icuro.
De realiteit is complexer. Voor de instandhoudingsforfait voor het onderhoud van de infrastructuur is er een budget van 27 à 28 miljoen euro per jaar. Daarnaast is er de strategische forfait voor investeringen, in totaal goed voor 15 miljoen euro per jaar. Daarbovenop komt nu dus 20 miljoen euro per jaar. En ook nog eens indexeringen. Alles samen brengt dat de teller op
70 miljoen per jaar. Dat is een aanzienlijk bedrag. Maar even belangrijk is de heroriëntering van het ziekenhuislandschap. De netwerken zijn nu afgebakend en er ontstaat een hele dynamiek waarbij we samen werken aan het ziekenhuis van de toekomst, ook met de federale overheid. Dat vergt een zorgstrategische planning waarover ik de voorbije weken de gesprekken ben gestart. We moeten de zorg betaalbaar houden en het juiste aanbod bij het juiste publiek brengen.

U wilt ook verder inzetten op werkbaar werk in de zorgsector. Dat is hard nodig. Maar wat kan er nog meer gebeuren dan de voorbije jaren al ontwikkeld is? Waar ziet u nog kansen om de instroom te verhogen en de retentie te verbeteren?
De aantrekkelijkheid van de zorgberoepen is een blijvend aandachtspunt. Ik heb hierover al overleg gehad met de zorgambassadeur en met diverse beroepsgroepen. Het Vlaams Interprofessioneel Akkoord (VIA5) dat vorig jaar gesloten werd, voorziet de middelen voor een opwaardering van de zorgberoepen. Hiermee geven we een belangrijk signaal. We moeten ook werken aan de opleiding en de instroom. Vorige week woonde ik de zorgrally van het Jessaziekenhuis bij en ik ontmoette er heel veel enthousiaste jongeren. De belangstelling voor de zorg is er. Het is een heel mooi beroep met een grote werk­zekerheid en volop kansen om door te groeien of te schakelen tijdens je loopbaan. Dat verhaal moeten we blijven brengen aan nieuwe groepen jongeren. Daarnaast moeten we oog hebben voor de bedreigingen. Als mensen afhaken, dan komt dat te vaak door de hoge werkdruk. Er zijn te weinig handen aan het bed. Daar moeten we meer op inzetten. De lonen zitten goed, maar er moet meer personeel komen. Ook innovatieve arbeidsorganisatie kan een deel van de oplossing zijn. En verder is er de hele problematiek van de wet op de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, maar dat is federale materie.

Ik wil dat de centra geestelijke gezondheidszorg, de ambulante revalidatiecentra en de referentie­centra autisme nauwer samenwerken. Samen kunnen ze de toegankelijkheid vergroten.

Als minister moet u voortdurend moeilijke keuzes maken, want de noden zijn hoog en de middelen beperkt. Welke ethische of andere criteria hanteert u hierbij?
Op mijn visitekaartje staan heel wat titels en bevoegdheden, maar ik zie mezelf als ‘minister van en voor kwetsbare mensen’. Mijn leidraad is om voor zoveel mogelijk mensen zo goed mogelijk te doen. Van ’s morgens tot ’s avonds wil ik werken voor kwetsbare mensen. Dat is een fundamentele ingesteldheid, een manier van kijken naar mens en samenleving. We worden geboren als kwetsbare mensen en we blijven ons hele leven kwetsbaar. Daarover kunnen spreken alleen al, is van groot belang. Meer en meer mensen getuigen hierover in de media, wat ik toejuich. Openheid over onze kwetsbaarheid kan een donker beeld scheppen, maar toch is het goed dat we daarover kunnen praten. In ons gezin, op het werk, in het verenigingsleven… Hoe meer openheid hierover, hoe vanzelfsprekender het wordt om hulp te zoeken, bij elkaar of professioneel. Op die manier verhogen we de kwaliteit van leven van elk van ons.

Wouter beke

Ondertussen heeft ook de klimaatcrisis een grote impact op onze fysieke gezondheid: meer sterfgevallen tijdens hittegolven, meer astma en andere luchtwegaandoeningen, meer tropische ziekten in onze streken. Ook de mentale gezondheid en het welzijn lijden onder de klimaatcrisis. Ook bij ons ondertekenden al meer dan duizend artsen een open brief. “Deze pathologieën treffen vooral de meest kwetsbaren; waaronder ouderen, zuigelingen, jonge kinderen, patiënten met chronische aandoeningen, zwangere vrouwen en personen die in precaire situaties leven.” Welke plannen hebt u op dat vlak?
Welzijn en volksgezondheid is een verantwoordelijkheid die we met zijn allen moeten opnemen, over de beleidsdomeinen heen. De investeringen die ik kan doen in het domein Welzijn, zijn misschien onvoldoende, maar ik moet zaaien naar de zak, zoals mijn grootvader die landbouwer was, altijd zei. Gezondheid is een inclusief verhaal: health in all policies, ook in leefmilieu en klimaat.

Mag ik hieruit besluiten dat u hierover overlegt met uw collega minister Zuhal Demir?
We hebben net nog gebeld met elkaar. Kijk, we investeren natuurlijk ook in de lokale besturen voor een bedrag van 1 miljard euro. Dat creëert ruimte voor investeringen in lokaal beleid. Bijvoorbeeld op het gebied van open ruimte. Lokale besturen die hiervoor inspanningen doen, krijgen een incentive. En vergeten we de extra bossen niet die we plannen. Je moet alles in rekening nemen. Neem het fijn stof. Een journalist sprak me hierover onlangs nog aan: als ik in Vlaanderen een vervuilende auto koop, betaal ik me blauw aan verkeersbelasting; koop ik diezelfde wagen in Brussel of Wallonië, dan betaal ik veel minder. Dat komt omdat we schone wagens in Vlaanderen belangrijk vinden. Of neem huisvesting: nieuwe woningen krijgen strengere criteria voor duurzaamheid. Dat is geen prettige maatregel, maar wel een noodzakelijke.

Toch zijn alle experten het roerend eens: Vlaanderen doet te weinig op het vlak van klimaat.
Ik wil mijn eigen verantwoordelijkheid niet ontvluchten, maar veel moet ook op Europees vlak afgesproken worden.

Als Europa normen afspreekt, dan volgt Vlaanderen die vaak niet. Zowel de Euro­pese normen voor gezonde lucht (stikstofdioxide) als het doel om tegen 2050 klimaatneutraal te zijn, haalt Vlaanderen niet.
Vlaanderen bevindt zich dan ook in een specifieke situatie. We krijgen heel wat fijn stof uit het Ruhrgebied. Europa moet rekening houden met verscheidenheid in de eenheid. Wij vormen een dichtbevolkte regio, met een belangrijke rol in de logistiek. We zijn een transitland in het centrum van Europa. Dat kunnen we niet weggommen. Met alle voordelen en nadelen van dien.

Om af te ronden: de versnippering van bevoegdheden en de vaak moeizame samen­werking tussen de Vlaamse en de federale overheid weegt al jaren op het gezondheidszorgbeleid. Hoe staat u daar tegenover?
Ik ben een van de grondleggers van de zesde staatshervorming, die Vlaanderen meer handvaten heeft gegeven voor een sterk beleid. Denk aan het Groeipakket en de Vlaamse sociale bescherming. Maar al in 2011 heb ik gezegd dat de kiemen voor de zevende staatshervorming in de zesde staatshervorming ingebakken zitten. Er is nu eenmaal geen homogeniteit in bevoegdheden. Zolang die er niet is, moeten de verschillende niveaus samenwerken. Dat gaat soms moeizaam, maar het kan. Bijvoorbeeld met asymmetrische samenwerkingsakkoorden. Zo heeft Vlaanderen er federaal voor gekozen om te investeren in darmkankerscreening, terwijl Wallonië andere prioriteiten legde. Demografisch, regionaal en cultureel zijn er grote verschillen. In Vlaanderen zijn veel initiatieven van oorsprong christelijk geïnspireerd, in Wallonië spelen andere tradities. Dat is geen waardeoordeel, maar een oproep om elkaars eigenheid te respecteren. Binnen de ruimte die de staatshervorming mogelijk maakt, heeft Vlaanderen zijn kansen gegrepen. Ter vergelijking: in Wallonië loopt het debat over de zorgverzekering nog altijd, terwijl die hier al helemaal verworven is. Ook een systeem als de Vlaamse sociale bescherming bestaat niet in Wallonië. Vanuit het buitenland komt men vaak kijken naar de good practices op het vlak van welzijn in Vlaanderen. Zo won het Groeipakket onlangs nog een Europese prijs. Ook dat mag gezegd worden.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS


Gerelateerde berichten

Ouderenzorg van de toekomst

Margot Cloet pleit voor een fijnmazig netwerk van gedifferentieerde zorgvormen.

Mensen verbinden en bruggen bouwen

Lokaal dienstencentrum als ontmoetingsplek

We hebben één doelstelling en één globaal plaatje nodig

Een pleidooi voor stabiliteit en vertrouwen in tijden van verandering