NAAR EEN TOEKOMSTGERICHT KWALITEITSBELEID IN DE ZIEKENHUIZEN

ZORGNET-ICURO LEERSTOEL: FUTURE OF HOSPITAL QUALITY

De ziekenhuizen hebben de voorbije jaren fors geïnvesteerd in een gedegen kwaliteitsbeleid. Daarvan zijn de internationale accreditaties, het Vlaams indicatorenproject VIP² en de vernieuwde zorginspectie de vlaggenschepen. Maar hoe moet het nu verder? Hoe kan het ziekenhuis van de toekomst streven naar een zo hoog mogelijke kwaliteit met een optimale impact op de patiëntenbeleving? Zorgnet-Icuro richt aan de KU Leuven een leerstoel Future of Hospital Quality op, die zich in samenwerking met een hele reeks partners de komende drie jaar intensief en wetenschappelijk over dat complexe vraagstuk zal buigen. Penhouder van de leerstoel is het Leuvens Instituut voor Gezondheidszorgbeleid (LIGB) onder leiding van prof. Dirk De Ridder en prof. Kris Vanhaecht.

Margot Cloet, gedelegeerd bestuurder Zorgnet-Icuro: “Velen vragen zich af hoe het na de intensieve eerste fase van de afgelopen jaren verder moet met het kwaliteitsbeleid. Wat zijn de pro’s en contra’s van het huidige kwaliteitssysteem? Iedereen kijkt met trots terug op de afgelegde weg, maar er zijn twijfels over het vervolg. In sommige ziekenhuizen stellen we een zekere accrediteringsmoeheid vast. Zeker bij die ziekenhuizen die al twee keer met succes een accreditatietraject hebben gelopen. Het gevoel leeft dat de inspanningen van de voorbije jaren de kwaliteit sterk hebben verbeterd, maar dat een nieuw accreditatietraject relatief weinig extra verbetering bijbrengt. Bovendien heeft de accreditatiegolf in veel ziekenhuizen geleid tot een groter middenkader, wat spanningen geeft bij artsen en verpleegkundigen, die willen dat er meer wordt geïnvesteerd in de zorg aan bed”.

“We willen ons daarom grondig bezinnen over de toekomst en over hoe een kwaliteitsbeleid 2.0 er kan uitzien. Naar welk model willen we evolueren op middellange en lange termijn? Dat model moet rekening houden met de te verwachten evoluties in het zorglandschap: de ziekenhuisnetwerken, de hervorming van de eerste lijn, de rol van de patiënt als partner in het zorgproces, de personeelsschaarste … De evaluatie van het huidige driepijlermodel (indicatoren, accreditatie en de nieuwe Vlaamse Zorginspectie) verdient de nodige tijd en diepgang en een onderbouwd debat. Trouwens, niet alleen in Vlaanderen leeft de vraag, maar ook internationaal. Denemarken bijvoorbeeld, heeft beslist om te stoppen met accreditatie en meer in te zetten op kwaliteitsprojecten dichter bij het bed van de patiënt en op de werkvloer. Zorgnet-Icuro wil daarom investeren in wetenschappelijk onderzoek om relevante inzichten te vergaren. De leerstoel Future of Hospital Quality is verbonden aan het Leuvens Instituut voor Gezondheidsbeleid (LIGB) van de KU Leuven, maar we betrekken ook de andere universiteiten, de verschillende overheden, het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg (VIKZ) én onze internationale experten. Dit onderzoek is immers te complex om op een eilandje uit te voeren”.

Prof. Dirk de Ridder (LIGB): “De tijd is inderdaad rijp om het debat over het toekomstig kwaliteitsbeleid ook bij ons te voeren. Een leerstoel is daarvoor een goed vehikel, dat ons de nodige academische vrijheid geeft voor een gedegen onderzoek van minimum drie jaar. Dat is nodig, want het gaat over een uiterst complexe vraag waarop we een structureel antwoord willen.” “Die complexiteit heeft met verschillende aspecten te maken”, beaamt prof. Vanhaecht. “Enerzijds speelt op de achtergrond een belangrijke financiële vraag: waarin kunnen ziekenhuizen het best investeren voor een zo hoog mogelijke kwaliteit? Je kan elke euro maar één keer uitgeven en het is bekend dat veel ziekenhuizen het water aan de lippen staat. Anderzijds moeten ziekenhuizen hun artsen en medewerkers gemotiveerd houden om aandacht te hebben voor kwaliteit. De stappen die we hebben gezet met VIP² zijn heel waardevol, maar de vraag naar de impact op de zorgverlener en op de beleving van de patiënt, klinkt steeds luider. En terecht, want internationale rapporten zijn daarover kritisch. Zelf heb ik altijd een haat-liefdeverhouding gehad met accreditering. Je mag de verworvenheden daarvan niet zomaar van tafel vegen. Ik ben zelf patiënt geweest en heb met eigen ogen kunnen vaststellen dat een aantal basiselementen van goede zorg, waarop de accreditering de aandacht vestigt, lang niet altijd in orde zijn. Soms is die externe motivatie echt wel nodig om de tanker van richting te veranderen. Accreditering, VIP² en Zorginspectie volstaan evenwel niet. Laat ons eens kijken hoe we dat nog beter kunnen aanpakken. Daarover gaat de leerstoel.”

OLYMPISCHE SPELEN

“Dit is geen initiatief tégen iets”, benadrukt prof. Vanhaecht. “We gaan wel op zoek naar nieuwe inzichten en de juiste vervolgstappen. Daarbij willen we niet alleen de ziekenhuizen, maar ook de patiënten betrekken. Ook de financiële haalbaarheid is belangrijk. Vandaag gaan procentueel te veel middelen naar controle en toezicht. We moeten meer investeren in kwaliteitsverbetering die het verschil maakt voor patiënten, artsen en medewerkers. Accreditering zie ik als een ticket voor deelname aan de Olympische Spelen. Maar ze is geen garantie op een finaleplaats of op een medaille. De vraag is: hoe behalen we die medaille dan wel? Ik vind het sterk dat Zorgnet-Icuro investeert in een wetenschappelijk onderzoek hiernaar.”

“Ook over de ziekenhuisfinanciering moeten we verder durven nadenken”, aldus prof. De Ridder. “De huidige financiering via het Budget Financiële Middelen bevat al heel wat incentives voor meer kwaliteit, maar op een zeer versnipperde manier. Bovendien zijn er ook veel kwaliteitsnormen zonder dat daar gepaste financiering tegenover staat. Een recent voorbeeld zijn de investeringen die ziekenhuisapotheken moeten doen om aan de nieuwe normen voor de opsporing van vervalste medicatie te voldoen. Die enorme versnippering van kwaliteit en financiering kan ongetwijfeld beter. Maar hoe?”

“De jongste jaren hebben de inspanningen van VIP², de accreditering en Zorginspectie een mooie dynamiek op gang gebracht in de ziekenhuizen. We hebben echter ook kansen laten liggen”, vindt prof. Vanhaecht. “Hadden we continu alles opgevolgd, dan stonden we allicht al een stuk verder. We hebben immers heel veel data ter beschikking in de ziekenhuizen, vooral uit de MZG-registraties (Minimale Ziekenhuisgegevens, red.). We moeten die data beter gebruiken, zoals ook andere landen dat doen. Vandaag kunnen we onmogelijk zeggen welke inspanning tot welk resultaat heeft geleid. Als we een verbetering opmerken, komt die dan door VIP², door de accreditering of door Zorginspectie? Niemand weet het, omdat het niet wetenschappelijk is opgevolgd.

“Wat we wél weten, is welke investeringen de ziekenhuizen hebben gedaan en welke activiteiten en data daartegenover staan. Retrospectief kunnen we die puzzel samenstellen. Internationaal gebeurt dat al. Met soms verrassende resultaten. Zo blijkt uit internationaal onderzoek dat de mortaliteit in ziekenhuizen de maand vóór en de maand na een accreditatie significant daalt. De vraag is of we tevreden kunnen zijn met die twee maanden? Hoe kunnen we zorgen voor een betere continuering van die resultaten? Om dat te onderzoeken, gaan we de MZG-data van de ziekenhuizen opvragen en de impact ervan bestuderen. Aanvullend gaan we interviews doen. Ons doel is om de ziekenhuizen onderbouwde adviezen te geven over welke indicatoren ze kunnen gebruiken voor een effectief kwaliteitsbeleid. Dat is ook belangrijk in het kader van de ziekenhuisnetwerken. De brongegevens van elk ziekenhuis zijn dezelfde, maar elk ziekenhuis gaat daarmee op een eigen manier aan de slag. In een netwerk hebben ziekenhuizen er alle belang bij om één gezamenlijk beleid uit te tekenen. Hoe mooi zou het niet zijn als elk ziekenhuisnetwerk zou streven naar de kwaliteit van de beste partner? Om die ambitie concreet te maken, willen we ziekenhuizen ondersteunen met de nodige tools en parameters. We gaan voor ons onderzoek ook een internationaal expertpanel samenstellen dat ons zal adviseren. We willen geen plaatselijke goednieuwsshow brengen, maar naar echte verbetering streven. Deze leerstoel is daarvoor een prachtige opportuniteit.”

WANNEER TEVREDEN?

Waar staan de Vlaamse ziekenhuizen vandaag op het vlak van kwaliteit in internationaal perspectief? Prof. Vanhaecht: “Onlangs is een geactualiseerde European Health Consumer Index voorgesteld, waar België op de vijfde plaats prijkt. Een mooi resultaat waarop we trots mogen zijn. Maar als we daarop dieper ingaan, dan zien we dat dit een ‘geaggregeerde indicator’ is, die rekening houdt met zes dimensies. Zoomen we in op die dimensies, dan zien we nog heel wat ruimte voor verbetering. Op toegankelijkheid scoren we al jaren erg goed, maar de outcomes en de patiëntenervaringen kunnen heel wat beter. Wanneer kunnen we tevreden zijn? Dat hangt mee af van je positie. Kijk je met de blik van een ziekenhuismanager, dan ben je allicht tevreden als de handhygiëne in je organisatie gestegen is van 75% naar 85%. Goed gewerkt, denk je dan. Maar zet je de bril van de patiënt op, dan is 85% eigenlijk helemaal niet goed. En vanuit het perspectief van een ouder met een kind met leukemie is die 85% een ramp! We moeten de lat hoog durven te leggen. Een indicator als handhygiëne moet 100% scoren. Punt uit.”

“Hier speelt de cultuur in een organisatie een belangrijke rol”, zegt prof. De Ridder. “Kwaliteit moet de normaalste zaak van de wereld worden. Als we die cultuur willen vestigen, dan moeten we meer doen dan alleen naar de cijfers kijken. Het is een bijzonder complex geheel. Daarom ook dat we de tijd willen nemen voor een grondig onderzoek vooraleer we beslissen welke weg we met de ziekenhuizen in de toekomst willen bewandelen. Ook moeten we de wensen en de verwachtingen van patiënten daarin betrekken. De overheid stelde onlangs het groenboek Hospital of the future voor. Daaruit blijkt dat patiënten vooral drie dingen willen: een goede uitwisseling van gegevens tussen zorgverleners en een naadloze afstemming; een veilige zorg die optimaal fouten vermijdt; en een actieve betrokkenheid bij de besluitvorming van zorgverleners. We willen ook die boodschap meenemen in ons kwaliteitsonderzoek. Accreditering en VIP² geven op dat vlak weinig houvast. Het is een andere manier van denken. Meer mensgericht. En vanuit die aandacht voor de mens, moet de kwaliteit als vanzelf verbeteren.”

“We gaan alle beschikbare expertise gebruiken”, besluit prof. De Ridder. “Het enthousiasme bij de ziekenhuizen is groot. Er is ook een grote bereidheid om hun data en ervaringen ter beschikking te stellen.”


ONDERZOEK IN VIER FASEN

  • Fase 1 is een wetenschappelijke evaluatie van het huidige kwaliteitsbeleid op basis van objectieve gegevens.
  • Fase 2 brengt de toekomstvisie van de stakeholders in kaart met een Discrete Choice Experiment.
  • Fase 3 omvat een internationale benchmarking en een expertpanel.
  • Fase 4 resulteert in een wetenschappelijk beleidsadvies in overleg met alle stakeholders over de Future of Hospital Quality. Dat beleidsadvies kan Zorgnet-Icuro nadien bespreken met de verschillende stakeholders op Vlaams, federaal en Europees niveau.

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD MARGOT CLOET: SEPPE KUPPENS • BEELD DIRK DE RIDDER EN KRIS VANHAECHT: SOPHIE NUYTTEN


Gerelateerde berichten

Een nieuw hoofdstuk

Etienne Wauters
Editoriaal – Zorgwijzer 72