MEERJARIG BEGROTINGSTRAJECT VOOR DE VERZEKERING VOOR GENEESKUNDIGE VERZORGING

Naar een nieuw overlegmodel voor de uitdagingen van de toekomst

Oktober 2021

“De organisatie van de gezondheidszorg in ons land botst op haar grenzen. Het overlegmodel van de voorbije decennia lijkt niet meer toegerust voor de uitdagingen van de toekomst. Er is dringend een modernisering van het model nodig.” Over die statements zijn velen het eens. Het RIZIV startte afgelopen voorjaar een ambitieus project, waarbij alle actoren betrokken zijn. Centraal staan gezondheidszorgdoelstellingen op langere termijn, gekoppeld aan een meerjarige begroting. In juli verscheen een eerste tussentijds rapport. We gingen erover praten met twee hoofdrolspelers: directeur-generaal Brieuc Van Damme van het RIZIV en professor Economie Erik Schokkaert (KU Leuven).

N.v.d.r.: net voor het ter perse gaan van dit interview raakte bekend dat Brieuc Van Damme vanaf 1 februari 2022 de overstap maakt naar de Koning Boudewijnstichting.

Mijnheer Van Damme, op 1 december vorig jaar trad u in dienst als directeur-generaal van het RIZIV. Hoe hebt u die eerste maanden beleefd?

Brieuc Van Damme: “Ik kan me moeilijk een uitdagender moment inbeelden om te starten, midden in de tweede coronagolf. Het RIZIV beheert 35 miljard euro en fungeert tijdens de coronacrisis als de backoffice van de frontoffice. Alle prestaties, het testen, de triagecentra… het functioneert allemaal goed, mee dankzij de vlotte financiering door het RIZIV. Dat er zo weinig over het RIZIV gepraat wordt in het kader van de pandemie, is een teken dat het vlot liep. Dat is een enorme pluim voor de medewerkers. Ik heb een goed geoliede machine geërfd. In die zin was het toch enigszins comfortabel. Wat mij het meest frustreerde, is leiding moeten geven aan een groep van bijna 400 mensen die ik nog nooit persoonlijk ontmoet hebt. Alle medewerkers kregen instructies van achter een beeldscherm van iemand die ze nog niet kennen. Ik heb nog altijd 95% van mijn dienst niet persoonlijk ontmoet. Het is een uitdaging om zo vertrouwen te creëren, om verbinding te maken, om de cultuur van het huis te leren kennen. En om het moreel van de troepen hoog te houden. Onderschat niet hoeveel werk er verzet is, hoeveel druk er lag op de medewerkers. Ze hebben weekends doorgewerkt, vaak ook lange avonden. Iedereen wordt moe. De context was dus heel bijzonder, maar ik ben fier op wat de dienst heeft gerealiseerd de voorbije maanden.”

Ondanks die moeilijke situatie is het RIZIV zoals gepland in het voorjaar begonnen met het project meerjarige begroting. Vanwaar het idee eigenlijk?

Brieuc Van Damme: “Al in het vorige regeerakkoord was afgesproken om de werking van de ziekteverzekering anders te organiseren. We zouden vertrekken van gezondheidszorgdoelstellingen. Zo kunnen we gemakkelijker prioriteiten leggen met een strategie op middellange termijn. Als je van jaar naar jaar moet werken, zonder duidelijke doelstellingen en prioriteiten, dan verval je snel in ad-hoc-projecten en veranderen prioriteiten van het ene jaar op het andere. Een budget van 35 miljard euro is enorm veel, maar onvoldoende om aan alle behoeften te voldoen. Er moeten dus keuzes gemaakt worden. Je moet ook tijd hebben om ergens naartoe te werken. Daarvoor heb je meerjarige budgettaire kaders nog. Daarnaast willen we bijkomende middelen vinden door efficiëntiewinsten. Ook transversaliteit en multidisciplinariteit moeten we meer kansen geven. Als we willen loskomen van de schotten en de sectorale silo’s, dan moet de governance van het RIZIV daarop aangepast zijn. Dit project wil een aantal stenen in de rivier verleggen. We hebben de oefening aangevat op 1 maart, net voor de ‘paaspauze’, in volle Covid-crisis, om geen tijd te verliezen. Als je een meerjarig kader wil uitwerken, moet je daarvoor de nodige tijd nemen. De legislatuur eindigt in 2024 en we willen tegen dan helemaal klaar zijn.”

Erik Schokkaert: “Vanuit een breder perspectief is iedereen in de gezondheidssector in België het erover eens dat de RIZIV-begroting te versplinterd was, dat er te weinig oog was voor gezondheidszorgdoelstellingen, dat een langetermijnvisie ontbrak… Boeiend is dat hiervoor nu de eerste stappen gezet zijn vanuit het RIZIV zelf.”

Als we spreken over langetermijndoelstellingen, wat is dan de horizon: drie jaar, vijf jaar, tien jaar?

Erik Schokkaert: “Daarover kan je discussiëren. Een periode van tien jaar lijkt me interessant, maar het probleem is dat je hiermee een legislatuur overstijgt. Dat is niet evident. Op een bepaalde manier moet je een compromis maken tussen de echt lange termijn op tien jaar en wat je daarbinnen tijdens een legislatuur van vier-vijf jaar kan realiseren. Brede langetermijndoelstellingen kunnen de richting aanwijzen en bij elke nieuwe legislatuur kunnen die geoperationaliseerd en verfijnd worden in concrete stappen. Tien jaar vind ik realistisch. Twintig jaar is allicht iets te ver vooruitgekeken. Er gebeuren altijd onverwachte dingen.”

Brieuc Van Damme: “We proberen vooral de redenering om te keren. In plaats van te vertrekken vanuit de sectoren in de hoop dat de patiënt dan een collateral benefit is, gaan we voortaan uit van doelstellingen toegespitst op de patiënten: toegankelijkheid, kwaliteit van zorg… Die doelstellingen vertalen we dan in initiatieven die de zorgverstrekkers verder moeten vormgeven. In het tussentijds rapport is sprake van vijf prioritaire doelstellingen. Het zijn nog vrij algemene doelen, die we in de komende maanden vertalen in concrete indicatoren om de progressie op die domeinen tijdens de legislatuur op te opvolgen en bij te sturen waar nodig.”

Brieuc Van Damme: “Een beroep waarvan 60% vrouw is en nul vertegenwoordigers heeft op het allerhoogste niveau, je m’excuse, maar dat is niet gezond.”

U werkt met een stuurgroep en drie taskforces. Prof. Schokkaert, u bent voorzitter van de taskforce ‘Dynamisch meerjarenkader’. Welke weg heeft die taskforce ondertussen afgelegd?

Erik Schokkaert: “Deze taskforce onderzocht wat nodig is om een meerjarenaanpak te realiseren. Wat betekent het voor de besluitvorming? Welke technische uitdagingen brengt een meerjarenkader met zich mee? Neem bijvoorbeeld Covid-19. Er zijn vandaag nog zoveel onbekende factoren, dat het erg moeilijk is om uitspraken te doen over de gevolgen en de kost daarvan in toekomst. Hoe pak je dat methodologisch aan? Hoe integreer je zoiets in een langetermijnkader? Hiervoor bestaan geen pasklare antwoorden. We hebben ook nagedacht over hoe je transversale doelstellingen, die de verschillende akkoorden en commissies overstijgen, operationeel kan maken. Welke instrumenten kunnen we hiervoor ontwikkelen?”

Raakt u daar niet aan een van de grootste uitdagingen voor een langetermijnbeleid: de wereld wordt almaar complexer en onvoorspelbaarder. Ik denk aan de oproep begin september van 200 medische vakbladen om vanuit de gezondheidszorg meer actie te ondernemen tegen de klimaatopwarming. Hoe integreer je zoiets in je meerjarenbeleid?

Erik Schokkaert: “Ik ben het er persoonlijk 100% mee eens dat de klimaatopwarming een grote uitdaging is voor onze gezondheidszorg. We hebben het daarover niet concreet gehad, omdat we niet op zo’n lange termijn gedacht hebben. Maar als we nadenken op een termijn van 20 of 30 jaar, dan moeten we daar inderdaad heel erg rekening mee houden. De oefening die wij nu gedaan hebben is concreter en operationeler: hoe zit het met de budgetten voor volgend jaar en het jaar daarna. We zijn al tevreden als we daarin enkele stappen in de goede richting kunnen zetten. Maar dat neemt niet weg dat we het hierover op langere termijn zullen moeten hebben.”

Brieuc Van Damme: “Absoluut mee eens. Met het systeem zoals we dat nu aan het ontwikkelen zijn en dat we verder moeten verfijnen, gaan we er in de toekomst beter in slagen om problemen als de klimaatopwarming op een goede manier aan te pakken. Als de klimaatcrisis zich nog meer laat voelen, bijvoorbeeld door een toename van het aantal patiënten met ademhalingsproblemen, dan zullen wij met de nieuwe methodiek hiervan een prioriteit kunnen maken. We zijn ons dus aan het voorbereiden door de systemen hierop af te stemmen. Een langetermijnvisie gekoppeld aan operationele prioritaire doelstellingen, dat hebben we nodig voor de complexe problemen die op ons afkomen. Vandaag staat toegankelijkheid hoog op de agenda. Dat heeft allicht te maken met de vrees dat de Covid-crisis de ongelijkheid verder uitdiept. Een andere prioriteit vandaag is de multidisciplinariteit. Ook die nood kan je linken aan de Covid-crisis. Het is geen toeval dat die doelstellingen vandaag door veel mensen prioritair naar voren geschoven worden.”

Erik Schokkaert: “Alleen met een meerjarenkader kan je structurele veranderingen in de systemen teweegbrengen. Je moet weten welke richting je uit wil gaan.”

Een tweede taskforce buigt zich over appropriate care. Mijnheer Van Damme, u hebt al eerder het belang hiervan benadrukt?

Brieuc Van Damme: “We hebben lang over de definitie van appropriate care gediscussieerd. Rekening houdend met de nuances in beide landstalen, hebben we de Engelse definitie overgenomen: appropriate care is in essentie de juiste zorg op het juiste moment op de juiste plaats aan de juiste patiënt. Dat betekent dat we in bepaalde domeinen nog niet voldoende investeren. Een vaak geciteerd voorbeeld is de tandzorg. Die onderinvestering heeft enorme gevolgen op het vlak van socio-economische kansen van mensen, naast gezondheidsrisico’s zoals meer kans op diabetes type 2 en hart- en vaatziekten. Het budget dat naar tandzorg gaat is vandaag niet appropriate. Tegelijk zien we een aantal andere domeinen – die ik niet zal noemen, maar je vindt de voorbeelden in het rapport – waar vandaag minder doelmatig met de middelen wordt omgesprongen door te veel onderzoeken, gebrekkige coördinatie enz. We moeten beide zaken tegelijk aanpakken. Dat is de hoofddoelstelling van de taskforce appropriate care.”

Erik Schokkaert: “Het is niet omdat rond een bepaald thema twintig voorstellen geformuleerd worden, dat dit thema de hoogste prioriteit verdient.”

De dienst geneeskundige verzorging van het RIZIV beheert 35 miljard euro per jaar en daar zijn enorm veel actoren bij betrokken via tientallen commissies. Al die stakeholders hebben voorstellen kunnen formuleren en ze hebben dat – met 300 voorstellen – vrij massaal gedaan. Zijn dat doorgaans evidente voorstellen die u zelf ook had kunnen bedenken, of zaten er verrassingen en originele invalshoeken bij?

Erik Schokkaert: “De gemiddelde kwaliteit van de voorstellen lag in elk geval hoger dan gevreesd kon worden. Sommige ervan waren zeer goed uitgewerkt, heel creatief ook. Echte verrassingen zaten daar niet bij, maar dat is maar goed ook: we weten wel ongeveer wat er fout is en wat mogelijke oplossingen zijn. Toch moeten we alles kritisch bekijken. Het is niet omdat er rond een bepaald thema twintig voorstellen zijn, dat dit thema de hoogste prioriteit verdient. Misschien is een thema waarover maar drie voorstellen kwamen uiteindelijk veel belangrijker. Sommige stakeholders hebben ook veel meer voorstellen ingediend dan andere.”

Brieuc Van Damme: “De manier waarop we de vijf prioriteiten in het tussentijds rapport geselecteerd hebben, is inderdaad niet erg wetenschappelijk; het heeft meer weg van een poppoll. Dit was maar een eerste oefening, maar het is een belangrijk aandachtspunt. Dat is geen verwijt, er was gewoon onvoldoende tijd, zowel in de taskforce gezondheidszorgdoelstellingen als in het wetenschappelijk comité, om dat op een robuuste, wetenschappelijke manier uit te werken. Dit gezegd zijnde, we zijn vertrokken van de website healthybelgium.be, waar 140 indicatoren een soort van 360-graden-diagnose maken van de Belgische gezondheidszorg. Dat is een project dat we met het KCE hebben gedaan en blijven doen. Die insteek is wel heel wetenschappelijk. Het is te begrijpen dat elke stakeholder vertrekt vanuit zijn stokpaardjes, zijn leefwereld. De kunst zal erin bestaan om het uitstekende werk van het KCE en het RIZIV op healthybelgium.be te integreren in onze structurele oefening.

Een ander punt: het is niet omdat een voorstel minder goed onderbouwd is, dat het per definitie minder waardevol is. Stel dat we uit verschillende hoeken 50 slecht uitgewerkte voorstellen over geestelijke gezondheidszorg zouden krijgen, dan kan je dat thema niet zomaar aan de kant schuiven: het signaal dat die 50 voorstellen geven is op zich al betekenisvol. Wat in de voorstellen heel duidelijk naar voren kwam, is dat iedereen pleit voor een geïntegreerd patiëntendossier, dat alle zorgverstrekkers kunnen delen en aanvullen. Niet alleen in de ziekenhuizen, waar al aan zo’n dossier gewerkt wordt, maar ook in andere, ambulante contexten. Dat blijkt voor alle stakeholders een voorwaarde om andere doelstellingen te kunnen realiseren. Het is jammer om vast te stellen dat hiervoor vandaag het politieke draagvlak nog ontbreekt. Het is dé hefboom om doelmatige, kwaliteitsvolle en geïntegreerde zorg te realiseren.”

“Op een bepaalde manier moet je een compromis maken tussen de echt lange termijn op tien jaar en wat je daarbinnen tijdens een legislatuur van vier-vijf jaar kan realiseren”

Erik Schokkaert: Daar ben ik het volmondig mee eens. Tegelijk trof het me dat relatief weinig voorstellen werkten aan geïntegreerde zorg. Het belang daarvan is hoger dan je op basis van het aantal voorstellen zou besluiten. Dat soort lacunes is onvermijdelijk. Vandaar dat die kritische blik echt wel nodig blijft. Het mag geen poppoll zijn.”

Is ook de patiënt betrokken, bijvoorbeeld via het Vlaams Patiëntenplatform?

Erik Schokkaert: “Uiteraard. Ze hebben ook voorstellen ingediend. Zowel het Vlaams Patiëntenplatform als de Franstalige tegenhanger LUSS hebben deelgenomen aan de projectoproep en zaten ook in de stuurgroep.”

Leggen zij andere accenten dan de professionals of zitten alle stakeholders over het algemeen op één lijn?

Erik Schokkaert: “Ze leggen andere klemtonen, maar er zijn geen conflicten. Met een beperkt budget moet je altijd keuzes maken.”

Wat is het gewicht van de beslissingen die binnen het meerjarig kader genomen worden? U kan wel prioriteiten voor de lange termijn bepalen, maar uiteindelijk beslist elke nieuwe regering zelf waar ze voor gaat?

Brieuc Van Damme: “Dat blijft inderdaad het voorrecht van de politiek. Gelukkig maar, zou ik zeggen. Het medico-sociaal overleg is belangrijk, maar vervangt de parlementaire democratie niet. Voor het project an sich – werk maken van een meerjarig budget met gezondheidszorgdoelstellingen – is het politieke draagvlak groot. Alleen, the devil is in the details. Bepaalde voorstellen liggen politiek gevoelig, om wat voor reden ook. Dat moeten we respecteren. Wij kunnen alleen maar argumenteren waarom iets zinvol zou zijn in het belang van de patiënt, van de zorgverstrekker en van de volksgezondheid. Maar als de politiek andere keuzes maakt, alle respect daarvoor, dat is haar rol.”

Erik Schokkaert: “Misschien ben ik beter geplaatst om hierop een eerlijk antwoord te geven (lacht). Het politieke draagvlak is één ding. Maar je hebt ook de organisaties die beslissingen nemen: de ziekenfondsen, de artsenorganisaties… Die moeten ook mee in het proces. Ook daar merk je soms terughoudendheid bij voorstellen die aan hun autonomie of hun belangen zouden kunnen raken. Het wordt een uitdaging om de hele procedure voor de meerjarige begroting in die organisaties te laten landen. Dat is nog iets anders dan het politieke draagvlak. De huidige overlegstructuren moeten zich aanpassen. Op korte termijn wordt dat een lastiger hindernis om te nemen dan te werken aan een politiek draagvlak. Het is belangrijk dat we de eerste stappen gezet hebben. Het is een positief verhaal, maar we hebben nog een lange weg te gaan.”

Brieuc Van Damme: “Absoluut. Ik beschouw het RIZIV als een broker van voorstellen. We proberen met onze technische expertise tot een compromis te komen tussen verzekeraars en zorgverstrekkers en met verschillende groepen die soms met elkaar in concurrentie staan voor het beperkte budget. Zelf hebben wij geen macht. Wij hebben niets te winnen of te verliezen. We hebben alleen onze expertise die we ten dienste stellen. Voor ons is het daarom ook gemakkelijker, net zoals dat voor een academicus het geval is, om de zaken heel rationeel te benaderen. De mensen die in die verschillende organen zitten, maken natuurlijk snel hun rekening als ze voorstellen horen. Ga ik er iets bij winnen? Ga ik middelen verliezen? Dat is menselijk en het maakt het voor hen vaak veel moeilijker om mee te gaan in een grondige hervorming, ook al zijn ze het met de principes eens. Diplomatie, empathie en de nodige tijd kunnen dan soms de weg effenen. Dat neemt niet weg dat zo’n hobbelig parcours soms frustrerend kan zijn.”

Erik Schokkaert: “Er ligt nu een tussentijds rapport op tafel, er wordt over gepraat, de mensen zijn ermee bezig… Dat zijn allemaal stappen in de goede richting. De richting die we uitgaan, wordt met elke stap meer onomkeerbaar. Maar waar we eind dit jaar of eind volgend jaar precies zullen staan, dat blijft ook voor mij een open vraag.”

Brieuc Van Damme: “Sommige van onze medewerkers hadden gehoopt dat wij een voorstel zouden uitwerken en dat dat voorstel heel snel overgenomen zou worden door alle betrokkenen. Maar zo gaat dat natuurlijk niet. Ik begrijp hun ontgoocheling daarover. Tegelijk durf ik te stellen: men kan niet meer om dit project heen. De deur staat op een kier. Het is nu zaak om iedereen door die deur naar binnen te loodsen. Sommigen zullen door die deur spurten, anderen gaan misschien nog even de hakken in het zand zetten. Maar uiteindelijk zal iedereen de stap moeten zetten, dat geloof ik oprecht.”

“De huidige overlegstructuren moeten zich aanpassen. Op korte termijn wordt dat een lastiger hindernis om te nemen dan te werken aan een politiek draagvlak”

Deze discussie is gelieerd aan andere noodzakelijke hervormingen: de ziekenhuisfinanciering, de nomenclatuur… Ook daarover circuleren veel voorstellen, zijn er veel studies gemaakt en is iedereen het erover eens dat het zeer dringend geregeld moet worden. Alleen slepen die dossiers al meer dan 25 jaar aan. Al die netelige dossiers hebben bovendien een link met de meerjarige begroting van het RIZIV. Er zal dus afgestemd moeten worden. Geraken we ooit uit dit wespennest?

Erik Schokkaert: “Het klopt: het ene dossier hangt onlosmakelijk aan het andere vast. Toch hebben we specifieke aspecten van de ziekenhuisfinanciering voorlopig uit deze procedure gehouden. Maar uiteindelijk komt dit terug op tafel. Het is één samenhangend pakket. Ons overlegsysteem heeft vele voordelen, maar het is geen goed model om systemische hervormingen door te voeren. Ons overlegmodel is vanuit zijn constructie nogal conservatief. Het enige wat we kunnen doen, is proberen een structureel hervormingsproces op gang te brengen. Je bent trouwens nog het farmapact vergeten te vernoemen. Nog zo’n dossier dat hiermee samenhangt.”

Brieuc Van Damme: “De omzet van de ziekenhuizen is om en bij de 16 miljard euro. Het is evident dat dit budgettair een enorme impact heeft op de meerjarige begroting. Gaan we uit van een gemiddelde groei van de geneesmiddelenuitgaven met 4,5% of mikken we op een groei van 2%? Dat scheelt al snel een slok op de borrel. Alles hangt samen. Maar als we wachten tot we een perfect design hebben dat alle aspecten integreert, dan komen we nooit ergens. De ervaring leert dat als we te veel tegelijk willen doen, we uiteindelijk weinig vooruitgang maken. Daarom hebben we ook bewust gekozen voor gezondheidszorgdoelstellingen en niet voor gezondheidsdoelstellingen, zodat we binnen de perimeter van de ziekteverzekering blijven. We begeven ons op een afgebakend terrein, zodat we niet met andere beleidsdomeinen rekening moeten houden. Anders wordt het hopeloos complex om dit proces uit de startblokken te krijgen. Maar op termijn gaan we die oefening wél moeten doen, dat is zeker.”

Komen de verschillende partijen nader bijeen door deze discussies? Leren ze elkaars standpunten beter begrijpen? Of kenden ze elkaar sowieso al door en door?

Erik Schokkaert: “Mijn aanvoelen is dat in de taskforce ‘dynamisch meerjarenplan’ de deelnemers dichter tot elkaar gekomen zijn. De sfeer was constructief en mensen probeerden echt wel hun eigen belangen te overstijgen. Als daarna echter de grote kanonnen mee aan tafel komen, ligt dat soms moeilijker, is mijn indruk.”

Brieuc Van Damme: “De chemie tussen de onafhankelijke experten zoals de academici en de experten van het overlegmodel zat goed. Die groepen zijn naar elkaar toegegroeid. De academici hebben nu meer begrip voor een aantal reflexen van de syndicalisten of de verzekeringsinstellingen. Omgekeerd zijn de ogen van een aantal mensen uit het overlegmodel opengegaan door de waardevolle bijdrage van de academische experten. Maar als puntje bij paaltje komt, spelen enorm grote belangen mee. Het gaat over ettelijke miljarden. Dan ga je niet zomaar overstag uit sympathie voor de argumenten van een ander. Uiteindelijk moet je achterban het goedkeuren. Dat maakt deel uit van onderhandelingen.”

Erik Schokkaert: “Je mag niet verwachten dat een artsenorganisatie plots juicht over voorstellen waartegen ze zich al 20 jaar verzetten.”

Brieuc Van Damme: “Om maar een louter hypothetisch voorbeeld te geven…” (lacht)

Prof. Schokkaert, u volgt deze ontwikkelingen al vele jaren. Zijn er sommige aspecten in de werking van het RIZIV of de FOD Volksgezondheid waarop u al lang hamert en die we nu eindelijk wel eens  moeten realiseren?

Erik Schokkaert: “Dit proces om de besluitvorming te moderniseren is een van de dingen waarvan ik al jaren van vind dat het absoluut noodzakelijk is. Om een specifieker voorbeeld te geven: het geïntegreerd patiëntendossier is iets waar niet alleen ik, maar vrijwel iedereen, al jarenlang voor pleit. Een ander stokpaardje van mij is een lagere drempel voor de maximumfactuur voor de allerarmsten. Dat is zo evident en ik heb nooit begrepen waarom dat niet kan worden ingevoerd. Dit voorstel is nu trouwens ook naar voren geschoven door het KCE. Ik hoop dat het er deze keer van komt.”

Wat zijn uw persoonlijke prioriteiten, mijnheer Van Damme? Mogen we die kennen of houdt u die liever voor uzelf?

Brieuc Van Damme: “Voor alle duidelijkheid: wij hebben met het RIZIV niet zelf voorstellen ingediend. Dat zou niet kies zijn. Ook bij de evaluatie van de voorstellen hebben we alleen onze expertise ten dienste gesteld en hadden de RIZIV-experten geen stemrecht in de verschillende taskforces. We hebben op geen enkel moment geprobeerd om een eigen agenda door te drukken. Zo schizofreen zijn we niet. Maar mijn persoonlijke agenda mag u gerust kennen, want die is net de modernisering van het overleg. In oktober begin ik als docent aan de ULB voor het vak Gezondheidseconomie. Ik mag daar het openingscollege geven en ik heb me wat verdiept in de wet-Leburton en de artsenstaking van 1964. Een systeem dat zichzelf niet kan heruitvinden, loopt vroeg of laat tegen een muur. Als je de pandemie vergelijkt met het trauma van de Tweede Wereldoorlog – en ik besef dat ik voorzichtig moet zijn met dat soort vergelijkingen – dan zie ik parallellen: de nood aan modernisering van het overleg en de nood aan beroepsorganisaties die representatief zijn. Dat zijn ze vandaag niet meer. Het artsenberoep is enorm vervrouwelijkt de voorbije decennia. Noem mij één syndicalist die vandaag nog actief is, in de hoogste organen van het RIZIV zetelt en die geen man of niet blank is. Dat is geen gezonde situatie. Als de achterban zich niet terugvindt in haar vertegenwoordigers, dan houdt dat risico’s in, niet alleen voor de artsenorganisatie, maar voor het systeem als geheel, omdat de tegenreactie altijd radicaler is dan eigenlijk bedoeld. Dat is wat gebeurd is in 1964. En dat risico bestaat ook vandaag gezien de nodige veranderingen waar onze ziekteverzekering door zal moeten in het post-covidtijdperk.”

Is er een probleem van vertegenwoordiging, prof. Schokkaert?

Erik Schokkaert: “Ja. Ik heb daar geen onderzoek naar gedaan, ik zal me dus voorzichtig uitdrukken. Maar als je met jonge artsen spreekt, voel je een heel andere wind waaien, een nieuw ethos met veel meer openheid.”

Brieuc Van Damme: “Een beroep waarvan 60% vrouw is en nul vertegenwoordigers heeft op het allerhoogste niveau, je m’excuse, maar dat is niet gezond. Die vaststelling doet niets af aan mijn respect voor de huidige vertegenwoordigers. Maar als democraat kan ik dat niet gezond vinden.”

“Het RIZIV heeft niets te winnen of te verliezen. We hebben alleen onze expertise die we ten dienste stellen”

We kunnen er niet omheen: Covid-19 is nog altijd onder ons. Welke belangrijke lessen moeten we trekken uit het voorbije anderhalf jaar?

Erik Schokkaert: “Om te beginnen vind ik dat we heel weinig lessen trekken. In het begin riep iedereen dat alles zou veranderen. Vandaag zie ik dat iedereen terugkeert naar het oude normaal. Ten tweede onthoud ik het belang van een sterke, lokale samenwerking. Dat moet ons inspireren voor de organisatie van de gezondheidszorg in de toekomst. Te vaak gaat de discussie over defederaliseren of herfederaliseren, terwijl voor mij net het lokale aan belang wint voor een coherente gezondheidszorg. Covid heeft getoond dat die lokale samenwerking in sommige regio’s prima verliep, in andere regio’s veel minder. We moeten de lokale structuren beter uitbouwen. Ten derde heeft corona getoond dat de wereld één dorp is. Iedereen staat met iedereen in verbinding. Ook wat gezondheidszorg betreft focussen we soms te exclusief op ons eigen land of op de eigen gemeenschap.”

Brieuc Van Damme: “Ik sluit me daar helemaal bij aan. Zonder samenwerking kan je geen kwaliteitsvolle gezondheidszorg organiseren. Desinvesteren in de gezondheidszorg is sowieso contraproductief. Dat ontslaat ons niet van de plicht om voortdurend te zoeken naar de meest doelmatige zorg. Het klopt dat ons gezondheidszorgsysteem complex is. Maar dat mag ons er niet van weerhouden naar beter te streven. Wie denkt dat een staatshervorming in deze of gene richting alle problemen zal oplossen, is naïef. Ja, er zijn herschikkingen nodig. Maar dat is geen toveroplossing. Intussen moeten we hoe dan ook proberen om beter te doen, zelfs al is het maar tijdelijk, mochten bepaalde bevoegdheden overgeheveld worden. En nog een les: waar een wil is, is een weg. Als je ziet hoe bijvoorbeeld telegeneeskunde, wat lang onbespreekbaar was, nu in verschillende contexten omarmd wordt: dat stemt mij positief. Laat ons ook in de toekomst met een open vizier naar innovaties kijken.”

Erik Schokkaert: “De ongelooflijke inzet van de mensen in de gezondheidszorg en daarbuiten mag hier ook nog eens onderlijnd worden. De medewerkers, maar ook de duizenden vrijwilligers die zich gegeven hebben. Ik vind dat ontroerend. Dat moeten we ook onthouden en koesteren.”

Brieuc Van Damme: “Ik ben het daar opnieuw helemaal mee eens. Je moet weten, ik ben een product van Erik. Ik was zijn thesis- en masterstudent in Leuven. Ik ben gekneed en geformatteerd in de Schokkaert-school. (lacht) Zijn vak was een van de weinige waar ik systematisch naartoe ging.”

Trots op uw student, prof. Schokkaert?

Erik Schokkaert: “Absoluut! Dat is een van de plezierige dingen aan prof zijn: jouw studenten overal terecht zien komen. Een collega zei ooit: proffen denken dat ze invloed hebben via hun publicaties in wetenschappelijke tijdschriften. Hoe naïef! De invloed die we hebben, is via onze studenten. Ik ben het daarmee eens. Nu weet je meteen ook hoe het komt dat het beleid altijd 20 jaar achterloopt op het wetenschappelijk onderzoek. Beleidsmakers passen alleen maar toe wat ze 20 jaar geleden van hun prof geleerd hebben. (lacht)

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS