koen geens
17 april 2018

INTERVIEW MET MINISTER VAN JUSTITIE KOEN GEENS OVER NIEUW WETBOEK ONDERNEMINGEN EN VERENIGINGEN

IK DENK DAT DE ECHTE VZW'S HIER HEEL GELUKKIG MEE ZULLEN ZIJN


WIE IS KOEN GEENS?

Koen Geens werd in 1958 geboren in Brasschaat. Hij is buitengewoon hoogleraar aan de Faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven. Hij is ook directeur van het Jan Ronse Instituut voor Vennootschapsrecht, voorzitter van de Thomas More Hogescholen en lid van de Inrichtende Overheid KU Leuven en Associatie KU Leuven.

Geens was van maart 2013 tot oktober 2014 minister van Financiën in de regering Di Rupo. Op 25 mei 2014 werd hij verkozen als volksvertegenwoordiger in de Kamer. Sinds 11 oktober 2014 is Koen Geens federaal minister van Justitie in de regering Michel.


Vzw’s worden binnenkort ondernemingen. Dat betekent onder meer dat ze voortaan commerciële activiteiten mogen uitoefenen, maar ook in faling kunnen gaan. Die veranderingen kaderen in een grondige hervorming van de wet op vennootschappen en verenigingen van federaal minister van Justitie Koen Geens. Op 26 april komt minister Geens die hervorming persoonlijk toelichten op de studiedag ‘Vzw-wetgeving: what’s new?’ van Zorgnet-Icuro in Brussel. Wij zochten de minister vooraf al even op voor een gesprek.

Een groep experten boog zich op aansturen van minister Geens over het verouderde vennootschapsrecht en bereidde een nieuw Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen (WVV) voor. Als alles loopt zoals voorzien, gaat de nieuwe wet­geving voor nieuwe vennootschappen en verenigingen in op 1 januari 2019. Voor al bestaande vennootschappen en verenigingen is dat een jaar later, tenzij ze eerder kiezen om de nieuwe wetgeving te gebruiken en dus ‘opt-innen’. Belangrijk is dat verenigingen gedurende tien jaar, dus tot 2029, activiteiten kunnen uit­oefenen binnen de perken van artikel 1 van de wet van 27 juni 1921 (de huidige wet op vzw’s), zodat zij voldoende tijd krijgen om eventuele implicaties als gevolg van de hervorming aan te pakken.

Waarom is deze grondige hervorming nodig?
Koen Geens: We willen het Belgische vennootschapsrecht vooral flexibeler en aantrekkelijker maken. Het wordt in de nabije toekomst dan ook gemakkelijker om een vennootschap op te richten. Tegelijk zorgen we ervoor dat derden, zoals schuldeisers, de nodige waarborgen blijven behouden. We doen dat ook met het oog op buitenlandse ondernemers die in ons land willen investeren. Het is een tendens die je overal in Europa ziet. Europa streeft niet langer naar een harmonisatie van de wetgeving. Dat leidt tot competitie onder de lidstaten. Elk land wil zo performant mogelijk zijn.

FAILLIET GAAN (OF JUIST NIET)

Wat verandert er concreet voor de vzw’s?
Voor de vzw’s treden drie belangrijke wijzigingen op. Eerst wordt op 1 mei 2018 het insolventierecht van toepassing. Dat houdt in dat vzw’s voortaan ook insolventie­procedures kunnen gebruiken, bijvoorbeeld een faillissement of een overdracht. Het doel hiervan is om verlieslatende vzw’s de kans te geven om op een ordentelijke manier hun schulden af te betalen en zo aan de schuldeisers te voldoen. Zo kan de rechtbank bijvoorbeeld een voorlopige bewindvoerder aanstellen, die de nodige maatregelen treft, waardoor een faillissement kan worden vermeden. Dat kan nodig zijn. Naast de vele duizenden kleine vzw’s zijn er immers ook hele grote vzw’s met een grote omzet en een grote verantwoordelijkheid, ook tegenover derden. Bijvoorbeeld de ziekenhuizen en de woonzorgcentra.

Een tweede verandering vindt plaats op 1 november 2018 via het ondernemingsrecht. Vanaf dan zullen vzw’s onder de ‘ondernemingsrechtbank’ vallen voor geschillen. De ondernemingsrechtbank vervangt de vroegere rechtbank van koophandel.

Ten derde komt er op 1 januari 2019 één nieuw wetboek voor vennootschappen én verenigingen. Hoe wordt het onderscheid tussen vennootschappen en verenigingen op vandaag gemaakt? Men spreekt over het ‘oogmerk’ of de ‘intentie’ tot winst. Rechters baseren zich evenwel niet op ‘intenties’, maar op realiteiten. Een rechter beoordeelt of een organisatie al dan niet terecht voor de vorm van een vennootschap of een vereniging heeft gekozen. Wat is er in de realiteit met de winst gebeurd? Is die toegekend aan de leden of de vennoten? Of is de winst geïnvesteerd in het doel waarvoor de vereniging is opgericht? De werkelijkheid van de winstaffectatie zal in de toekomst de doorslag geven. Ik denk dat de echte vzw’s hiermee heel gelukkig zullen zijn. Nu gebeurt het weleens dat een organisatie misbruik maakt van de vzw-vorm, bijvoorbeeld om aan de administratieve voogdij te ontsnappen. Dat leidt dan tot situaties waarin een vzw gerund wordt als een bedrijf dat 18 jaar lang 1.000 euro per dag uitbetaalt aan een zelfstandig ‘consultant-directeur’. In de toekomst zal de rechtbank oordelen of de winst vooral besteed is aan het doel van de vzw of veeleer aangewend werd om de leden of de bestuurders te verrijken. Bestuurders mogen zeker de kost verdienen, maar binnen bepaalde grenzen en het is aan de rechtbank om daarover te oordelen.

Vzw’s zullen door deze hervorming ook commerciële activiteiten kunnen uitvoeren?
Dat klopt. Vroeger noemden we dat ‘handelsactiviteiten’ en was er sprake van ‘handelaars’. Die terminologie verdwijnt met de nieuwe wetgeving. Verenigingen krijgen meer ruimte. Om kort te gaan: alles mag, zolang de winst maar gaat naar het goede doel van de vereniging. Als de winst artificieel zou worden verkleind door een directeurswedde van 400.000 euro uit te keren, dan zal dat vragen oproepen.

Vzw’s kunnen ook een bijzondere erkenning als onderneming met een ‘sociaal oogmerk’ aanvragen. Wat is hiervan het doel?
Ook wat dat betreft, verandert er eigenlijk niets. De mogelijkheid van een vennootschap met een sociaal oogmerk bestond al voor verenigingen of bedrijven. Dat blijft ongewijzigd. Ook administratief verandert er weinig of niets. De Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO) blijft bestaan, maar wordt over enkele jaren verruimd tot KBO+: verenigingen zullen hier dan terechtkunnen voor één centrale registratie, die bovendien kosteloos wordt.

Wat betekent de nieuwe wetgeving op het vlak van de bestuurdersaansprakelijkheid?
Om kort te gaan: niets. De bestuurdersaansprakelijkheid mag ook vandaag niet worden onderschat. Zeker niet in grote vzw’s. Die realiteit blijft wat ze is. Het enige verschil is dat verenigingen voortaan failliet kunnen gaan. Bestuurders moeten er dus wel voor uitkijken dat zij niet de oorzaak van het faillissement zijn. Het kan een optie zijn om een verzekering voor bestuurdersaansprakelijkheid te nemen.

In de zorgsector wordt meer en meer in netwerken samengewerkt. Het is vaak nog onduidelijk welke juridische structuur die netwerken het best krijgen. Wat zou u aanraden?
Ik ben geen specialist in die materie. Lang geleden heb ik wel de eerste grote fusie van een OCMW-ziekenhuis en twee private ziekenhuizen vorm helpen geven: AZ Klina. Maar de netwerken, dat is iets anders. Het meest voor de hand liggend zijn een feitelijke vereniging en een vzw. Persoonlijk geef ik de voorkeur aan de vzw, omdat die vorm meer stabiliteit geeft en het best gekend is. Een vzw van vzw’s geeft ruimte om samen dingen te realiseren.

EVOLUTIES INTERNERING

Half maart was er een positief tussentijds rapport van het Comité ter Preventie van Foltering (CPT), over de vorderingen van ons land op het gebied van internering. Dat is een pluim op uw hoed?
Ik ben hiervoor op de Raad van Europa in Straatsburg uitgenodigd en heb daar niets dan lof gekregen. We hebben de voorbije jaren heel wat geïnvesteerd. Twee nieuwe grote forensische psychiatrische centra in Gent en Antwerpen, en kleine bijkomende voorzieningen in Bierbeek, Zelzate en Doornik. In 2013 zaten nog 1.200 geïnterneerden in de gevangenis, vandaag is dat cijfer teruggebracht tot 560. Er zal trouwens altijd een categorie geïnterneerden in de gevangenis verblijven, zolang er geen zekerheid is over de status van die mensen. Het CPT juicht de evolutie toe. Met de nieuwe interneringswet die op 1 oktober 2016 van kracht werd, hebben we het systeem vernieuwd en vermenselijkt. In de interneringskamers worden professionele magistraten bijgestaan door psychologen en sociaal assistenten.

“Vzw’s kunnen binnenkort commerciële activiteiten uitvoeren. Om kort te gaan: alles mag, zolang de winst maar gaat naar het goede doel van de vereniging.”

We werken ook aan een verdere integratie van de penitentiaire gezondheidszorg in de reguliere gezondheidszorg. Heel wat geïnterneerde personen worden vandaag geplaatst in privé-inrichtingen. Sinds 2018 worden ook de medische kosten van geïnterneerden die zijn geplaatst in een privé-inrichting of in een FPC ten laste genomen door Volksgezondheid, zoals vandaag reeds het geval is voor geïnterneerde personen die vrij zijn op proef. Ik heb op dat vlak een goede samenwerking met minister De Block.

Toch schreef eremagistraat Henri Heimans op 19 maart – enkele dagen na het goede rapport van het CPT – een kritische opiniebijdrage in De Standaard. ‘Toerekeningsvatbaarheid is een loterij’ luidde de titel. Hij schrijft onder meer: “Iedereen was hoopvol toen de nieuwe interneringswet er kwam, maar anderhalf jaar later blijkt dat de in de wet aangekondigde strenge kwaliteitsnormen voor forensisch psychiatrisch en psychologisch onderzoek nog altijd niet van kracht zijn en dat de verloning van de forensische experts totaal ondermaats blijft. Het aangekondigde penitentiair klinisch observatiecentrum komt er ten vroegste in 2020.”
Henri Heimans was nauw betrokken bij het uitwerken van de nieuwe interneringswet. Ik begrijp zijn ongeduld. We timmeren verder aan de weg. Discussies tussen psychiaters en juristen lopen soms moeilijk. Dat hebben ook recente rechtszaken nog eens getoond. Juristen staan te kijken naar de geneeskunde en psychiaters staan te kijken naar de rechtskunst. Het is ook geen wiskunde om iemand al dan niet toerekeningsvatbaar te verklaren. De wet geeft wel ruimte om gedetineerden die toerekeningsvatbaar werden verklaard alsnog te interneren. Over internering kan dus in verschillende fasen beslist worden.

Wat het klinisch observatiecentrum in Haren betreft: dat komt er. Daar hoeft Heimans niet aan te twijfelen. We hebben de voorbije jaren grote sprongen voorwaarts gezet en we blijven vooruitgang boeken. Bij de voorstelling van het rapport van het CPT in Straatsburg zei men letterlijk: “België kan de jongste twee jaar als exemplarisch gelden in Europa.” Het is jammer dat die uiterst positieve uitspraken de pers niet altijd halen.

koen geensOnlangs werden de erfbelasting en de successierechten aangepast. Die wijziging botste bij nogal wat sociale organisaties op onbegrip: de kloof tussen rijk en arm wordt er nog groter door. Hoe kijkt u daar tegenaan?
Voor alle duidelijkheid: de erfbelasting is een bevoegdheid van de gemeenschappen. Op Justitie hebben we wel het erfrecht hervormd. Maar de discussie over een rechtvaardige erfbelasting is zo oud als de straat. Successierechten zijn een vorm van herverdeling, waarbij een deel van de rijkdom afgetopt wordt ten voordele van de Staat, wat vooral ten goede komt aan de mindervermogenden. Wat we echter zien, is dat de voorbije decennia heel veel mensen tot de gegoede middenklasse zijn gaan behoren. Die mensen vinden de erfbelasting te zwaar. Toen mijn grootvader in de jaren 1970 overleed, liet hij 20.000 frank achter. Kunt u zich dat nog voorstellen? We zijn met zijn allen rijker geworden. We zijn daardoor met meer mensen die successierechten bijdragen, waardoor we het aandeel per geval wat kunnen laten dalen. Zeker nu de pensioenen vaak ontoereikend dreigen te worden, is dat een goed idee. Door de economische groei dalen trouwens de tarieven van alle belastingen. In 1978 bedroeg de hoogste schijf in de personenbelasting 72%, vandaag is dat 45%. Toch is de opbrengt voor de schatkist vandaag groter, omdat ook de taart groter is geworden. Idem dito voor de vennootschapsbelasting. Die is door de jaren heen gedaald van 48% naar 25%. Dat we eenzelfde beweging zien in de successierechten, is dus helemaal niet vreemd of asociaal. De opbrengst blijft significant en kan nominaal weer groeien als het economisch goed blijft gaan. Te hoge belastingen ontmoedigt mensen. Dat toont de Laffercurve aan: je kunt als overheid méér verdienen door de belastingen op een bepaald punt te laten zakken. Tegelijk blijven successierechten een belangrijk instrument voor een herverdeling.

Over de toekomst van justitie schreef u een visietekst: “The court of the future: toegankelijker en stipter, en daarom rechtvaardiger.” U wilt inzetten op digitalisering?
We moeten maximaal de vruchten plukken van de nieuwe technologieën. We hebben er allemaal belang bij om justitie laagdrempelig en toegankelijk te maken. Met de pc kan je thuis een reis boeken zonder problemen. Zo moet het ook mogelijk zijn om zonder verplaatsingen inzage te hebben in je gerechtsdossier. Voor de meest kwetsbare mensen zullen we altijd ook een alternatief voorzien, bijvoorbeeld inzage in je dossier in de meest nabije rechtbank en met de hulp van een griffier. Zoals de gezondheidszorg de mogelijk­heden van ‘zorg op afstand’ ontdekt, zo moet ook justitie hierop inzetten. Justitie is pas in 2000 begonnen met informatisering, 10 of 15 jaar na de meeste ondernemingen. Het is bovendien een complex proces. Maar laat ons optimistisch zijn: we zullen binnenkort kunnen genieten van de ‘voorsprong gevende achterstand’. Wist je dat Georgië vandaag de best geïnformatiseerde justitie heeft? Precies omdat ze er zo laat aan begonnen zijn en van nul hebben kunnen bouwen op ervaringen van anderen. Maar ik geef toe: we hebben in ons land nog een hele weg af te leggen.

RECHTVAARDIGHEID

Toegankelijkheid en stiptheid zullen ongetwijfeld bijdragen tot de rechtvaardigheid, maar wordt de perceptie van onrechtvaardigheid vandaag niet vooral gevoed door de vele procedurefouten en procedure­slagen? Wie een goede advocaat kan betalen, ontspringt dikwijls de dans, lijkt het wel.
Stel je voor dat in de zorg alles in de openbaarheid verliep. Dat er in elke operatiezaal drie camera’s hangen en dat journalisten rechtstreeks verslag uitbrengen van elke beweging en elk woord. Hoe zou dat zijn? Justitie is een heel delicaat terrein en alles gebeurt in de openbaarheid, waardoor ook de kleinste fouten uitvergroot worden. Natuurlijk moeten we de impact van procedurefouten op de procedure zoveel mogelijk beperken, maar tegelijk moeten we de rechten van eenieder vrijwaren. Het is een mythe dat er niets aan procedurefouten gedaan wordt. Zelf maakte ik al komaf met verschillende procedure­fouten die een rechtszaak volledig op de helling zetten en/of vertragen. Maar het blijft uiteraard een heel gevoelige kwestie. Het gemakkelijkste zou zijn om iedereen non-stop af te luisteren: dan weten we alles. Maar dat willen we toch niet? Om iemand af te luisteren, moet je een goede motivatie hebben. Wordt iemand afgeluisterd zonder dat hiervoor een mandaat is gegeven door een onderzoeksrechter, dan is dat een probleem, zeker als het afluisteren het enige bewijsmateriaal oplevert. Het is dan aan de bodemrechter om na te gaan of er voldoende ander geldig bewijs voorhanden is.

“Het gemakkelijkste zou zijn om iedereen non-stop af te luisteren: dan weten we alles. Maar dat willen we toch niet?”

Als we de vergelijking met de operatiezaal doortrekken: als een arts een medische fout maakt, wordt hij berecht en bestraft. Justitie kampt met de perceptie dat procedurefouten ongestraft blijven. Ten onrechte?
Het is niet zo zeker dat die fout van de arts wordt opgemerkt en dat er een autopsie wordt gedaan. Terwijl de procedurefout van het gerecht zeker in het vonnis door de pers aan het licht wordt gebracht. Gerecht en politiek staan altijd blootgesteld aan de openbaarheid.

Over goed een jaar zijn er federale verkiezingen. Wat wilt u nog realiseren?
De verkiezingen zijn voor mij geen einddoel als ik het heb over hervormingen op Justitie. Bedoeling is uiteraard om nog zoveel mogelijk hervormingen volledig door het parlement te krijgen. Denk maar aan de hervorming van het huwelijksvermogensrecht, het ondernemingsrecht, het vennootschapsrecht en het strafrecht. Maar we kijken ook naar de periode na de verkiezingen –ongeacht wie mijn opvolger zal zijn op dit mooie departement. Als we nog enkele treinen op de rails krijgen, heb ik er vertrouwen in dat ook die na mei 2019 hun eindstation zullen bereiken. Eén ding is zeker: we werken voort tot de laatste dag.

Wat is het belangrijkste dat u tot nu toe geleerd hebt als minister van Justitie?
Dat mensen wakker liggen van justitie: vrijheid, privacy en veiligheid zijn belangrijk en moeten verzoend worden op de best mogelijke wijze. Die aandacht van het publiek is gelukkig, want België had dit departement wat verwaarloosd na de Tweede Wereldoorlog. In die zin is het dankbaar om minister van Justitie te zijn. Maar bijna dagelijks zijn er brandjes en steekvlammen. En die moeten geblust worden zonder het einddoel uit het oog te verliezen. En dat vraagt van mij dan weer grote aandacht.

U koos ooit voor de rechtenstudie “vanuit de overtuiging dat dit de beste vertrek­basis is om zich in te zetten voor de samenleving.” U bent daar nog altijd van overtuigd?
Ja hoor, anders zat ik hier niet. In onze jeugd noemde men dat ‘de wereld meer bewoonbaar maken’, later ‘de maakbare samenleving’. Reken maar dat ik daar nog altijd sterk in geloof.

De studiedag “VZW-wetgeving: what’s new?” vindt plaats op donderdag 26 april 2018 in Brussel. Minister Geens komt er de hervormingen persoonlijk toelichten. 

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: PETER DE SCHRYVER