PUBLIC MENTAL HEALTH

Geestelijke gezondheidszorg: een verantwoordelijkheid van ons allemaal

Mei 2021

Onlangs presenteerde Zorgnet-Icuro de publicatie De mythes voorbij. Hierin pleiten we om het public health perspectief te gebruiken als leidraad in de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg. De public health benadering vertrekt vanuit objectieve, wetenschappelijke informatie – weg van enkele hardnekkige mythes – en legt de nadruk op preventie én snelle interventie. Vier experts uit verschillende sectoren geven hun visie en kijken naar de toepassing in hun beleidsdomein.

 

KATRIEN VERHEGGE

“De eerste 1000 dagen zijn cruciaal voor de ontwikkeling van ieder kind”

 

Als administrateur-generaal van het agentschap Opgroeien weet Katrien Verhegge zeer goed hoe cruciaal het is om psychische problemen bij kinderen en jongeren zo snel mogelijk te detecteren en te behandelen. “Al mogen we nooit de context uit het oog verliezen.”

Bij het agentschap Opgroeien zijn we heel bewust bezig met de principes van Public Health. Zo geloven we sterk in ‘proportioneel universalisme’: we bieden, onder meer met de consultatiebureaus van Kind en Gezin en Huizen van het Kind, brede basiszorg voor iedereen, maar ook specifieke zorgpaden. Daarin schuilt het proportionele: niet iedereen heeft dezelfde zorg nodig. Maar we willen wel iedereen in beeld krijgen, al voor de geboorte. We proberen elke zwangere vrouw te zien tijdens een huisbezoek, en proberen meteen de veerkracht van aanstaande ouders te stimuleren en signalen op te pikken. Zijn er bijvoorbeeld risicofactoren voor een perinatale depressie? Door outreachend te werken, zorg je dat niemand uit de boot valt.

We weten dat de eerste 1000 dagen – of drie levensjaren – van een kind cruciaal zijn voor de ontwikkeling. Snelle detectie en hulp zijn dus heel belangrijk, maar we mogen het niet te zeer op individueel vlak bekijken. De context speelt vaak een rol: als een kind bepaalde problemen heeft, moet je ook naar de ouders en hun omgeving kijken. Bij gezinnen in armoede bijvoorbeeld, is het van belang om hen te ondersteunen in hun levenscomfort; dat helpt ook het mentale welzijn van de kinderen enorm vooruit. Ik vrees dat in de geestelijke gezondheidszorg nog te vaak een scheiding wordt gemaakt tussen volwassenen en kinderen. Terwijl die groepen natuurlijk voortdurend met elkaar in contact staan en op elkaar inspelen. In verschillende sectoren is de ‘kindreflex’ intussen ingeburgerd: professionals die volwassenen ondersteunen, informeren automatisch naar de aanwezigheid van kinderen. Waarom dan ook geen ‘ouderreflex’ introduceren, in de kinder- en jeugdpsychiatrie bijvoorbeeld?

Om alle kinderen en jongeren te bereiken, moeten alle beleidsdomeinen mee aan boord. Daarvan zie ik al heel mooie voorbeelden, zeker op het lokale niveau. Vanuit Opgroeien streven we lokaal naar coalitions of the willing’om jongeren te ondersteunen: allerlei actoren die samenwerken, zoals het onderwijs, het OCMW, het CAW, de VDAB enz. Want mentaal welzijn heeft ook te maken met een veilige woning, werk, school, deelname aan sociale activiteiten. Bij psychische stoornissen is natuurlijk gespecialiseerde hulp nodig, maar milde psychische problemen kunnen vaak voorkomen of verholpen worden door de context te verbeteren en te zorgen dat jongeren meer kunnen deelnemen aan de samenleving.

“In de OverKophuizen wordt geestelijke gezondheid niet geproblematiseerd, maar genormaliseerd: iedereen kan er binnenwaaien en steun vinden.”

Een van de mooiste voorbeelden van de ‘public mental health’-aanpak zijn de OverKophuizen, waarvan er binnenkort dertig zullen zijn in Vlaanderen. Dat zijn laagdrempelige ontmoetingsplekken voor jongeren, waar ze meteen ondersteuning kunnen krijgen van bijvoorbeeld een eerstelijnspsycholoog. Geestelijke gezondheid wordt er niet geproblematiseerd, maar genormaliseerd: iedereen kan er binnenwaaien en steun vinden. Door een babbel met leeftijdsgenoten, of door een gesprek met een hulpverlener. In de geestelijke gezondheidszorg worden zulke plaatsen vaak ‘vindplekken’ genoemd, maar wij spreken liever over ‘werkplekken’. Hulpverleners gaan aan de slag op de plek waar de jongeren zijn. Dat is een nieuwe mindset: we moeten jongeren met een probleem niet systematisch doorverwijzen naar het kabinet van een psycholoog of psychiater, voor een één-op-één-gesprek. Het kan ook dichtbij hen, en vaak werkt het zelfs beter in groep.

Ook het onderwijs moet zo’n ‘werkplek’ worden. Ik denk niet dat we nood hebben aan extra lesuren of vormingspakketten rond geestelijke gezondheid, veeleer moet de hulp op scholen nog laagdrempeliger en zichtbaarder worden. Onlangs had ik nog een gesprek met de Vlaamse Jeugdraad. Verrassend genoeg hoorde ik dat veel jongeren niet weten bij wie ze op school terechtkunnen met hun problemen. Het CLB en de zorgleerkrachten moeten dus nog zichtbaarder worden. En waarom kunnen eerstelijnspsychologen geen plek krijgen op school? Nu wordt nog te vaak geïsoleerd gewerkt. Terwijl het zo zinvol is om verschillende expertises te integreren. Dat proberen we bijvoorbeeld ook te doen in de jeugdhulp: veel jongeren in voorzieningen komen uit een verontrustende opvoedingssituatie én hebben psychische problemen. En toch is op die plaatsen vaak te weinig expertise rond geestelijke gezondheidszorg. In plaats van jongeren door te verwijzen van de ene hulpverlener naar de andere, zouden die verschillende expertises meer op de plek zelf moeten werken, rond de jongeren zelf.”


GWENDOLYN PORTZKY

“Suïcidepreventie is een taak voor de hele samenleving”

 

Gwendolyn Portzky is professor Medische Psychologie en directeur van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek (UGent) en directeur van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP).

Als het over suïcidepreventie gaat, wordt heel vaak naar Denemarken gekeken. In de jaren 1980 had dat land een van de hoogste suïcidecijfers ter wereld, terwijl ze nu bij de betere leerlingen van de klas zijn. Het land heeft een enorme omslag gemaakt. In de eerste plaats door veranderingen in de zorgverlening. Er kwamen gespecialiseerde klinieken voor suïcidepreventie en zeer goede crisisteams, die je kunt oproepen zoals een ambulance. En na hun ontslag uit het ziekenhuis krijgen mensen met suïcidale gedachten standaard ambulante zorg. In Vlaanderen is de laatste jaren ook al veel geïnvesteerd in ketenzorg, met regionale netwerken. Zo zijn er regio’s waar specifieke zorgpaden zijn uitgewerkt voor mensen met suïcidegedachten die worden ontslagen uit het ziekenhuis. Niet elke regio volgt even snel, maar er zijn wel een paar schitterende voorbeelden.

Daarnaast heeft Denemarken ook heel sterk geïnvesteerd in brede, universele preventie. Uiteraard kun je niet elke maatregel zomaar blind overnemen, als een soort copy-paste. Maar preventie wérkt. Dat zien we ook in Vlaanderen: tussen 2000 en 2018 is het aantal zelfdodingen met 26 procent gedaald. We hebben dus al mooie stappen gezet, maar het moet uiteraard nog veel beter.

Een belangrijke pijler is het onderwijs. We weten dat het aantal suïcidepogingen relatief gezien het hoogst is bij meisjes tussen 15 en 19 jaar. Het is dus cruciaal om in te zetten op preventie bij jongere kinderen en tieners. Onlangs lanceerden we Silver, een serious game voor jongeren van 12 tot 16 jaar. Dat is een heel goed voorbeeld van universele preventie. De game speelt zich af op een festival en de spelers kunnen kiezen uit vier personages die allerlei zaken meemaken. Daar horen bepaalde gedachten, gevoelens en gedragingen bij en de spelers kunnen kiezen uit verschillende opties. Zo merken ze welke gevolgen die kunnen hebben. Met dit game proberen we jongeren inzicht te geven in emoties en gedrag en leren ze hun denkfouten herkennen. Er hoort ook een lessenpakket bij en het sluit aan bij een van de eindtermen van het onderwijs, waardoor we het voor scholen extra toegankelijk maken. Maar zo’n game is natuurlijk maar één facet. In het onderwijs zou al vanaf de kleuterschool aandacht moeten zijn voor mentaal welzijn: leer kleuters hun gevoelens herkennen en benoemen.

“Onlangs lanceerden we Silver, een serious game voor jongeren van 12 tot 16 jaar. Dat is een heel goed voorbeeld van universele preventie.”

Een ander voorbeeld van universele preventie is Eerste Hulp bij Psychische Problemen, de cursus van Rode Kruis Vlaanderen. Nu wordt ook een versie uitgewerkt voor jongeren, iets wat we vanuit het VLESP mee begeleiden en héél hard toejuichen. Het kan zeker helpen om bij de brede bevolking meer kennis over mentale gezondheid te verspreiden en de taboes aan te pakken. Heel wat mensen zoeken geen hulp omdat ze denken dat ze hun mentale problemen zelf kunnen oplossen. Gelukkig wordt de laatste jaren al veel meer aandacht besteed aan geestelijke gezondheid in de media. Vanuit het VLESP proberen we ook ons steentje bij te dragen met onze mediarichtlijnen, die recent een update kregen. Als journalisten – en nu ook influencers – leren hoe ze correct kunnen berichten over suïcide, heeft dat een enorme invloed op de hele bevolking.

Maar suïcidepreventie is meer dan enkel de media en het onderwijs. Het is een taak voor de hele samenleving en alle beleidsdomeinen, maar helaas schrikt het thema velen af. Gelukkig is minister van Welzijn Wouter Beke vastberaden om iedereen mee te krijgen. Er wordt nu druk gewerkt aan het derde Vlaams Actieplan Suïcidepreventie en we hebben al een hele lijst met mogelijkheden. Zo is een belangrijke rol weggelegd voor Werk en Economie, maar ook voor Ruimtelijke Ordening. Gevaarlijke plaatsen zoals bruggen en hoge gebouwen veiliger maken, is een evidence based-strategie die suïcide kan voorkomen. Met Infrabel hebben we al een goede samenwerking, maar we moeten nog veel meer partners overtuigen. Maar er zijn nog veel meer voorbeelden. Zo helpt het ook om medicijnen in kleinere verpakkingen te verkopen, om overdosissen te voorkomen. Maar dat is dan weer een federale bevoegdheid, waardoor het ook moeilijker loopt. Er wacht ons een zéér belangrijke taak: sensibiliseren. Aan iedereen, op elk niveau, duidelijk maken dat we allemaal een steentje kunnen bijdragen aan suïcidepreventie.”


DIETER VERCAMMEN

“Door snelle interventies, in de vertrouwde omgeving, is vaak minder intensieve hulp nodig”

 

Huisarts Dieter Vercammen gelooft sterk in preventie, zo snel mogelijk en op de juiste plek.“We moeten de drempels weghalen en de juiste randvoorwaarden scheppen, zodat iedereen de kans krijgt om krachtiger en zelfredzaam te worden.”

We hebben onze huisartsenpraktijk recent omgedoopt tot ‘Centrum voor gezondheid en welzijn’. Nu werk ik er samen met een andere huisarts en een deeltijds eerstelijnspsycholoog, maar het is de bedoeling om het stap voor stap uit te breiden, met een logopedist en een verpleegkundige bijvoorbeeld. Zo willen we de drempel om hulp te zoeken verlagen. Maar we vonden het wel cruciaal om ook het facet ‘welzijn’ expliciet te vernoemen: je goed voelen is méér dan gezond zijn.

Als je de hele bevolking vooruit wilt helpen, moet je ervoor zorgen dat iedereen die hulp nodig heeft, die ook kan krijgen. Op het juiste moment en op de juiste plek. Dat is vaak de vertrouwde omgeving. Eerstelijnspsychologen kunnen daarin een cruciale schakel zijn. Maar het hoeft zeker niet altijd een-op-een-begeleiding te zijn. Als je mensen wilt versterken en zelfredzaam maken, werken groepsinterventies zeer goed. Mensen kunnen heel veel leren van elkaar en door interactie. Voor jongeren zijn groepen bijvoorbeeld heel belangrijk om hun sociale vaardigheden te versterken. En ouderen die zich eenzaam voelen, hebben vaak meer aan stimulerende coaching in groep dan aan een sessie bij de psycholoog. Wij proberen in de praktijk meer die weg op te gaan, maar voorlopig is het onmogelijk om zulke groepssessies gefinancierd te krijgen. Nochtans zou het veel efficiënter zijn. Als huisarts geef ik bijvoorbeeld heel vaak dezelfde uitleg aan mijn patiënten: over gezonde voeding, slaaphygiëne enz. Als ik een groepsles kan geven aan 20 mensen tegelijk, houd ik veel meer tijd over om patiënten te helpen met complexere problemen.

“Als ik een groepsles kan geven aan 20 mensen tegelijk, houd ik veel meer tijd over om patiënten te helpen met complexere problemen.”

Zolang we de geestelijke gezondheid als een aparte categorie beschouwen, blijft die in een verdomhoekje zitten. Dat zorgt ervoor dat veel mensen niet de stap durven te zetten om tijdig hulp te vragen. We moeten onze gezondheid zo breed mogelijk bekijken en de juiste randvoorwaarden creëren. Maar daarvoor moet elk beleidsdomein mee op de kar springen. Mensen hebben een goede, veilige woning nodig in een aangename en veilige buurt. Ze moeten de kans krijgen om deel te nemen aan de samenleving en zichzelf te realiseren, binnen een omgeving die uitnodigt om anderen te ontmoeten. Enzovoort.

Het onderwijs kan zeker een cruciale rol spelen. Ieder mens heeft copingstrategieën nodig om met moeilijke omstandigheden om te gaan, want die doen zich nu eenmaal in ieder leven voor. Op jonge leeftijd internaliseren we de strategieën die we rondom ons zien. Als je ouders naar alcohol grijpen als ze te veel stress ervaren, dan wordt dat voor jou ook een optie. Maar als je ziet dat je ook over je problemen mag praten en naar positieve oplossingen kunt zoeken – thuis, maar ook op school of in het jeugdwerk bijvoorbeeld – dan zul je dat later ook sneller doen. 

Maar leerkrachten krijgen al zéér veel op hun bord, het is dus heel belangrijk dat zij ondersteund worden door artsen en andere gezondheidswerkers. Ik ga regelmatig naar scholen om te praten over zaken als ‘normale ontwikkeling’ van kinderen en jongeren. En ik overleg regelmatig met scholen over leerlingen. Maar dat is nog te gefragmenteerd, ik zou het liever gestructureerd zien gebeuren. Als we afstappen van het idee dat ieder zijn eigen ding doet, kunnen we veel meer betekenen. Dat klinkt misschien soft, maar het is een grote kracht.”


RAYMONDA VERDYCK

“Op school draait het om kennis en kunde, maar zeker ook om de vorming van gelukkige mensen”

 

Dat het onderwijs een cruciale plek is voor het mentale welzijn van kinderen en jongeren, is klaar en duidelijk voor Raymonda Verdyck, afgevaardigd bestuurder van het GO!.

Uiteraard zijn we in ons onderwijs bezig met geestelijke gezondheid, al valt dat eerder onder het begrip ‘welbevinden’. Het streven naar de totale ontwikkeling van kinderen en jongeren zit ingebakken in het pedagogische project van het GO!. Op school draait het om kennis en kunde, maar zeker ook om de vorming van gelukkige mensen. Daarvoor is een warm en verbindend schoolklimaat nodig. We verwachten van onze leerkrachten dat ze zorg dragen voor de leerlingen en hun welbevinden, dat ze ogen en oren hebben voor wat er aan de hand kan zijn. Maar ook dat ze preventief werken, door hun leerlingen inzicht te geven en bewust te maken van hun eigen emoties, zodat ze kunnen opgroeien tot zelfredzame volwassenen, met voldoende zelfvertrouwen.

Om zo’n warm en verbindend schoolklimaat te creëren, zijn veel factoren belangrijk. Wij geloven bijvoorbeeld sterk in gedeeld leiderschap bij onze teams: iedereen is mee verantwoordelijk voor het welbevinden van elke leerling. Dat past in een complete schoolaanpak, denk maar aan ons beleid rond pesten op school. Maar ook in ons systeem van positieve feedback: in plaats van alleen te focussen op fouten, proberen we leerlingen te waarderen en te stimuleren. Bij problematisch gedrag proberen we altijd verbindend en ondersteunend aan de slag te gaan. Dat is veel effectiever dan meteen te bestraffen. En ook onze visie rond ‘gepersonaliseerd samen leren’ is relevant: we gaan klassikaal aan de slag, maar wel op maat van elke leerling. Zo kunnen we beter inspelen op elk individu en zijn context. Dat laatste mag je nooit uit het oog verliezen: onze leerkrachten hebben veel interactie met hun leerlingen, maar ook met hun ouders.

In de eerste plaats blijft de school een context waar jonge mensen volwaardig kunnen opgroeien. We willen zoveel mogelijk ontwikkelingskansen bieden en niet onmiddellijk gaan problematiseren. Ik denk niet dat we op school nood hebben aan een leger zorgverleners. In de eerste plaats zijn de leerkrachten er om te zorgen voor hun leerlingen. Soms wordt hun draagkracht natuurlijk overschreden. Gelukkig kunnen we dan rekenen op enkele belangrijke partners. In de eerste plaats het CLB, dat vlot kan inspelen op moeilijke situaties. Als het ook voor hen te complex wordt, kunnen we een beroep doen op een heel ecosysteem van gespecialiseerde organisaties. Maar eenmaal een situatie uitgeklaard is, kan de leerkracht er vaak zelf verder mee aan de slag.

“Ik denk niet dat we op school nood hebben aan een leger zorgverleners. In de eerste plaats zijn de leerkrachten er om te zorgen voor hun leerlingen.”

It takes a village to raise a child. Dat geldt zéker als het over geestelijke gezondheid en welbevinden gaat. Het onderwijs is een belangrijke spil binnen de ontwikkeling van jonge mensen, maar het kan niet zonder de rest van de maatschappij. Neem nu domeinen als Armoedebestrijding, Economie en Werk. Die spelen een cruciale rol voor het mentale welzijn. Als je ouders geen werk vinden, kan dat een enorme impact hebben op jouw leven. Ook onze leerkrachten moeten zich daar constant van bewust zijn. Ik herinner me nog goed het verhaal van een mama wiens kinderen wafels moesten verkopen voor school. Dat zijn op zich goede acties, die scholen nodig hebben om extra middelen te verzamelen. Maar die bewuste school hing in de gang een lijst uit met de kinderen die het meeste wafels hadden verkocht. Met de beste bedoelingen natuurlijk. Maar ze waren zich te weinig bewust van het feit dat sommige kinderen niet één wafel kunnen verkopen, door een gebrek aan financiële middelen thuis. 

Die alertheid moet er op elk domein zijn. Een ander voorbeeld is vrije tijd. Ik heb vroeger nog voor Toerisme Vlaanderen gewerkt en daar hadden we een project rond voordelige vakanties voor mensen in kansarmoede. Ik zal nooit de getuigenis vergeten van een jong meisje dat daardoor eindelijk eens op vakantie kon. Bovendien kon ze voor het eerst iets vertellen in september, toen de leerkracht vroeg hoe de vakantie was geweest.

Samenwerking is dus cruciaal, maar we hebben ook wetgeving nodig die dat faciliteert. Dat het agentschap Opgroeien nu de schooltoelagen verdeelt, vind ik waardevol. Maar helaas kan het in sommige situaties nog beter. Zo hebben we een school in Brugge die verbonden is aan een lokale kinderopvang: zij creëren samen een continuüm van ontwikkeling, zowel op het vlak van kennis en vaardigheden als zorg. Maar ze botsen op verschillende wetten en budgetten, die niet op elkaar afgestemd zijn. Dat bemoeilijkt dit soort samenwerkingen.”


De publicatie De mythes voorbij. Het public health perspectief als leidraad bij hervormingen in de geestelijke gezondheidszorg kan u lezen en downloaden via zorgneticuro.be, rubriek publicaties. Prof. Ronny Bruffaerts legt de principes van public health voor de geestelijke gezondheidszorg helder uit in een Expert Talk van 20’ die u kan bekijken op het Youtube-kanaal van Zorgnet-Icuro (gebruik de zoektermen “zorgnet-icuro” en “bruffaerts”).

 

TEKST: STEPHANIE VAN DEN BROECK • BEELD: JONATHAN RAMAEL & PETER DE SCHRYVER