Jeroen De Coster

DR. JEROEN DECOSTER OVER NETWERKEN GGZ

GEEF MEDISCHE RAAD EEN ROL OP NETWERKNIVEAU

Sinds 1 oktober heeft UPC Sint-Kamillus een nieuwe hoofdarts: dr. Jeroen Decoster. Hij omarmt de vernieuwingsbeweging en pleit voor een betere afstemming van de zorg in de netwerken en een actievere rol daarin van de artsen. Ook de financiering van de psychiaters moet in de toekomst op een andere manier geregeld worden, stelt hij.

Dr. Jeroen Decoster was tot voor kort psychiater in UZ Leuven campus Gasthuisberg. Hij maakte er deel uit van het mobiel crisisteam en de spoedinterventie EPSI (Eenheid voor Psychiatrische Spoed Interventie). “Ik heb er geleerd hoe noodzakelijk een goede afstemming van de zorg in de regio is. Geestelijke gezondheidszorg heeft veel partners. Iedereen doet zijn best, maar afzonderlijk spelen we elk maar een tijdelijke rol in het verhaal van de patiënt. De dag nadien klopt de patiënt bij een andere zorgverlener aan. In die zin zijn we soms nog te veel eilandjes. Dat blijkt vooral in crisismomenten”, zegt dr. Decoster. “Maar ook bij planbare zorgvragen lukt het soms niet, door te weinig coördinatie. Ik ben ervan overtuigd dat we door een betere afstemming een deel van de spoedeisende zorg kunnen vermijden.”

jeroen decoster

“Ik heb me zelf kandidaat gesteld voor de functie van hoofdarts in UPC Sint-Kamillus in Bierbeek. Toch heb ik getwijfeld. Ik ben nog relatief jong en laat iets moois achter. In Gasthuisberg was het werk nog niet af. Ik heb de ambitie om in UPC Sint-Kamillus de veranderingen mee vorm te geven en in goede banen te leiden. Ik wil vooruit. De mensen op het werkveld zijn gemotiveerd. Ik wil hen niet afremmen, maar stimuleren en hindernissen wegwerken. Ik geloof niet in revoluties, maar wil mijn steentje bijdragen aan een goede evolutie.”

VOORSTANDERS EN SCEPTICI

“Omdat ik nog maar net gestart ben, is het nog wat vroeg om de grote uitdagingen te benoemen. Ik heb in Bierbeek al veel enthousiaste mensen ontmoet. Ze volgen duidelijk het verhaal van de herstelvisie en de vermaatschappelijking. Ik wil de context en de mensen eerst nog iets beter leren kennen om daarna samen te zoeken naar onze beste plek in het netwerk. Elke organisatie functioneert immers het best als een schakel in het ruimere netwerk, niet als eilandje. Het traject vóór, tijdens en na een opname moet perfect afgestemd zijn.”

“Bij elke verandering heb je voorstanders en sceptici”, zegt dr. Decoster. “Dat is bij de artsen niet anders. Sommigen staan inhoudelijk 100% achter de evoluties, anderen zijn meer argwanend. Ik geloof in de kracht van betrokkenheid. Daaraan hebben we in het verleden misschien te weinig aandacht besteed. Bovendien is er geen vast kader om artsen te laten deelnemen. De veranderingen worden vooral gemanaged vanuit de directies. De medische raad kan daar nochtans een mooie rol spelen. Het is immers de gedeelde opdracht van de hoofdarts en de medische raad om de kwaliteit van de zorg te garanderen en om de artsen te laten samenwerken. Dat moeten we nu ook op netwerkniveau realiseren, maar daarvoor is voorlopig weinig ruimte. Veel hangt in de praktijk af van het ziekenhuis en de netwerkpartners zelf. Ik herinner me een toespraak van voormalig directeur-generaal Christiaan Decoster van de FOD Volksgezondheid, waarin hij suggereerde om per netwerk een medisch comité op te richten. Daar is verder niet veel mee gebeurd. Het is me ook nog niet helemaal duidelijk hoe zo’n medisch adviesorgaan zou worden samengesteld en functioneren. Maar ik kan me voorstellen dat sommige ziekenhuizen argwanend staan tegenover een instantie die ‘blokkerend’ zou kunnen optreden. Toch geloof ik in het concept van een medisch adviesorgaan op netwerkniveau, net wegens de noodzakelijke betrokkenheid van artsen. Zo’n orgaan zou ertoe bijdragen om de medische zorg beter op elkaar af te stemmen en op één lijn te komen.”

“Het is de gedeelde opdracht van de hoofdarts en de medische raad om de kwaliteit van de zorg te garanderen en om de artsen te laten samenwerken.”

Groeit die afstemming van de medische zorg ondertussen ook niet vanuit de praktijk, bijvoorbeeld door het samen ontwikkelen van zorgpaden? “Jazeker”, bevestigt dr. Decoster. “Er beweegt heel wat op het terrein, vooral op zorginhoudelijk vlak. Maar vroeg of laat komen er ook vragen bij die op ziekenhuisniveau de afzonderlijke medische raden moeten passeren. Afstemming op voorhand, binnen een te ontwikkelen gemeenschappelijke visie en overzicht over alle lopende bewegingen, lijkt me dan zeer zinvol. Op zich is dat allemaal aan het groeien, maar het vergt ook een sterkere structurele inbedding.”


NAAR EEN FINANCIERING MET 4 PIJLERS

Er is de jongste maanden heel wat te doen geweest over de positie en de honorering van de psychiaters in de mobiele teams. Daarover is onlangs een raamakkoord bereikt. Dr. Jeroen Decoster pleit ondertussen voor een totaal nieuwe financiering.

“Over het takenpakket van die psychiaters is er weinig discussie, maar zowel de psychiaters als de ziekenhuisdirecties hadden een oplossing gevraagd voor de honoraria van de artsen in de mobiele teams. Het afbouwen van residentiële bedden heeft een impact op het inkomen van psychiaters. Recent is een tijdelijk akkoord bereikt. Men heeft als het ware twee jaar tijd gekocht om dat verder uit te werken. Ik vind dat een goede zaak. Het is alleen jammer dat dat compromis zo lang op zich heeft laten wachten.”

“In een ziekenhuiscontext krijgt een psychiater een ‘toezichthonorarium’. Dat geeft de arts veel vrijheid, maar het biedt weinig transparantie. Ik heb drie jaar geleden al gepleit voor een meer gedifferentieerde manier van vergoeding, meer gekoppeld aan het takenpakket. Zolang dat niet gebeurt, hebben psychiaters er alle baat bij om patiënten residentieel te blijven opnemen. De financiering drijft hen in die richting. En hoewel ziekenhuizen via artikel 107 middelen inzetten om de zorg te vermaatschappelijken, moeten de bedden nog altijd 80% bezet zijn, want ook hun financiering hangt ervan af.”

CAPPUCCINO

“Mijn voorstel omvat een financiering op basis van vier pijlers: als manager van een dienst, als manager op casusniveau, voor individuele patiëntencontacten en op basis van kwaliteits­parameters. Dat model sluit vrij dicht aan bij het zogenaamde cappuccinomodel. Daarin is een beperkt deel van het inkomen niet afhankelijk van het aantal patiënten. Ik heb dat model indertijd uitgewerkt met een aantal simulaties. Het is een nieuw ‘verdienmodel’, waarbij het niet meer uitmaakt waar een patiënt zorg krijgt: in een ziekenhuisbed of door een mobiel team. Als een arts zijn patiënt kan volgen over alle plekken heen – residentieel, in dagkliniek, ambulant of mobiel – zal dat leiden tot een hogere patiënttevredenheid. Ik ben met dat voorstel de boer opgegaan en kreeg goede reacties. Maar er kwam ook felle tegenkanting. Het voorstel werd bewust en onterecht geframed als een ‘ambtenaren­model’, terwijl het daar net tegenin gaat. Ik blijf achter dit alternatieve model staan. Alleen duurt het soms even voor de geesten rijp zijn.”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS