An De Sutter

ONTWIKKELINGEN IN DE EERSTE LIJNSGEZONDHEIDSZORG

LOKALE NETWERKEN VAN ZORG IN DE EERSTE LIJN ZIJN DE TEKOMST

Prof. An De Sutter van de vakgroep Volksgezondheid en Eerstelijnszorg aan de UGent is blij met de oprichting van VIVEL en de vele andere ontwikkelingen in de eerstelijnszorg. Uiteindelijk zal de patiënt daarvan beter worden, zegt ze overtuigd. Alle actoren uit zorg en welzijn moeten daarvoor samenwerken. Een bijzondere rol ziet ze weggelegd voor de huisartsenpraktijken en netwerken van zorgverleners.

“Dit is een zeer positieve evolutie”, zet prof. An De Sutter meteen de toon. “Uiteindelijk gaat het om mensen met een complexe zorgnood. Het is toe te juichen dat actoren uit de gezondheids- en de welzijnssector samen aan tafel gaan zitten om vanuit de verschillende perspectieven te bekijken welke zorg en ondersteuning de patiënt nodig heeft. Het belang daarvan is immens. Daarnaast is het goed dat er met VIVEL een centraal aanspreekpunt komt voor vragen over de eerstelijnszorg. VIVEL kan als instituut de vinger aan de pols houden van recente ontwikkelingen nationaal en internationaal. Het kan openstaan voor vragen vanuit het werkveld en van de overheid. VIVEL kan informatie delen, kwaliteitsindicatoren helpen ontwikkelen … Er is heel wat werk aan de winkel.”

“Een tweede element voor meer afgestemde zorg is het streven naar vaste netwerken van hulpverleners van verschillende disciplines om de zorg rond een patiënt te coördineren.”

De hele eerstelijnszorg is in transitie: de 60 eerstelijnszones, de zorgraden, de 14 regionale zorgzones, VIVEL … Alle ontwikkelingen moeten mooi in elkaar haken. Een hele uitdaging?
“Het proces zal zeker tijd vergen, maar enige druk moet er altijd zijn, anders verandert er niets. De overheid werkt met duidelijke deadlines. Dat is goed. Deadlines zijn een stimulans en brengen een dynamiek op gang. Maar voor alles vlot operationeel is, zal het nog even duren. Gaat het te snel? Dat denk ik niet. Ik zie alle actoren gestaag doorwerken. Voor zover ik kan zien, is er van chaos geen sprake.”

Wat vindt u de belangrijkste opdracht voor VIVEL?
“Kijken hoe we de integratie van de zorg nog kunnen verbeteren. Allicht kunnen buitenlandse voorbeelden daarvoor inspiratie bieden, maar ook in eigen land zijn er goede praktijken die we nog beter kunnen delen. Elk individu met een zorgnood moet de gepaste hulp kunnen krijgen, zonder dat het te complex wordt om die te vinden. Daarnaast is ook de populatiegerichtheid cruciaal. We moeten zoveel mogelijk rekening houden met de specifieke noden in een bepaalde regio. Dat is ook een van de taken van de zorgraden.”

Wat moet er volgens u concreet gebeuren om de zorg en ondersteuning voor een patiënt beter af te stemmen?
“De uitwisseling van informatie met respect voor de privacy en met toestemming van de patiënt kan nog beter. Als we de complexe problemen op de verschillende domeinen willen aanpakken, dan moeten we gegevens delen. Daar zijn we vandaag nog niet. De wil is er, de bereidheid ook. Iedereen snapt dat we meer dan vandaag informatie moeten delen. Maar het vergt tijd om dat allemaal georganiseerd te krijgen. Veel informaticasystemen zijn naast elkaar ontstaan en ontwikkeld. Het is geen gemakkelijke opdracht om dat alles te stroomlijnen.

An De Sutter

Een tweede element voor meer afgestemde zorg is het streven naar vaste netwerken van hulpverleners van verschillende disciplines om de zorg rond een patiënt te coördineren. Persoonlijke contacten tussen hulpverleners zijn ontzettend belangrijk. Zelf werk ik in een wijkgezondheidscentrum. Daar vind je verschillende disciplines onder één dak: huisartsen, psychologen, maatschappelijk werkers en verpleegkundigen. Dat al die mensen elkaar persoonlijk goed kennen, vergemakkelijkt de samenwerking en de afstemming. Je kent elkaars manier van werken en weet waarvoor je op wie een beroep kan doen. Een lokaal zorgnetwerk hoeft niet per se op één locatie te zitten. Maar het is wél nodig om geregeld samen te komen om complexe problematieken van patiënten te bespreken.” 

Ook de patiënt en de mantelzorger worden meer en meer een vanzelfsprekende partner in dat overleg?
“En terecht. Zeker patiënten met één of meerdere chronische ziekten moet je maximaal betrekken. We moeten vanuit de doelstellingen van elke individuele patiënt werken. Om die doelstellingen te achterhalen en expliciet te maken, gaan we in dialoog met de patiënt. Hetzelfde geldt voor de mantelzorger. Ook hij speelt een actieve rol in de zorgverlening en ook met hem moeten we de dialoog aangaan. Het is immers in ieders belang dat we de grenzen van de mantelzorger respecteren. We mogen niemands draagkracht overbelasten.”

Patiënten en mantelzorgers worden ook uitgenodigd om in de zorgraden te zetelen. Veel van die mensen zitten al op hun tandvlees. Is het dan realistisch om dat extra engagement te vragen?
“Er zijn altijd mensen die dat engagement er graag bijnemen. Vertegenwoordigen zij dan meteen de hele populatie van mensen met een chronische ziekte of van mantelzorgers? Allicht niet. Maar ze kunnen wel in die rol groeien door contacten met andere patiënten of steun uit patiëntenverenigingen. Ik geloof daar in. Ik zetel zelf in de geneesmiddelencommissie van het Federaal Agentschap voor Geneesmiddelen en Gezondheidsproducten (FAGG). Ook daar wordt geregeld de visie van de patiënten gehoord en dat is zeer nuttig.

Het is belangrijk dat alle actoren actief betrokken zijn. Ook de lokale besturen. Zij hebben vaak de sleutel voor een lokale oplossing in handen. Elke regio is anders en lokale besturen kunnen helpen om daarop in te spelen. In de netwerken zie ik een belangrijke rol voor de huisartsenpraktijken. Een zeer groot deel van de bevolking raadpleegt jaarlijks zijn of haar huisarts. Bij gezondheidsproblemen zijn zij het vanzelfsprekende eerste aanspreekpunt. Door het globaal medisch dossier van een patiënt kunnen zij ook het overzicht houden en de samenwerking met de andere hulpverleners in het netwerk coördineren. Bovendien bieden die dossiers ook een beeld van de pa­tiënten-populatie van het netwerk: wie zijn de kwetsbare mensen die bijzondere aandacht verdienen? Hoe kunnen we ook hen bereiken zodat niemand uit de boot valt?”

Moet het globaal medisch dossier dan verplicht worden?
“Dat zou geen slechte zaak zijn.”

Staan huisartsen klaar om die coördinerende rol op zich te nemen?
“Zeker de jongere generaties huisartsen staan daarvoor heel erg open. Ik kan natuurlijk niet spreken voor elke huisarts, maar ik zie op het terrein zeer veel energie. Vooral voor patiënten met meerdere chronische ziekten die thuis wonen, lijkt de huisarts me de vanzelfsprekende spil. Dan heb ik het niet over de zeldzame uiterst complexe problematieken, waarvoor een casemanager naast de huisarts aangewezen kan zijn.”

Kennen de huisartsen voldoende het brede werkveld van zorg en welzijn om die rol op te nemen?
“Dat is een van de doelstellingen van de eerstelijnszones en de zorgraden: dat de verschillende actoren elkaar beter leren kennen. Zowel vanuit de gezondheidszorg als vanuit welzijn. Hoe sterker een regionaal netwerk wordt, hoe beter de afstemming zal verlopen. En dat komt de patiënt alleen maar ten goede.”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS