KLINISCHE FARMACIE IN HET ZIEKENHUIS

APOTHEKER ALS PARTNER AAN BED VAN DE PATIËNT

Klinische farmacie is de jongste jaren goed ingeburgerd in de ziekenhuizen. Daar zijn niet alleen de ziekenhuisapothekers blij om, maar ook de artsen, de huisartsen, de huisapothekers én de patiënten. Katy Verhelle, hoofdapotheker in az Groeninge in Kortrijk is opgetogen over de grotere visibiliteit en aanwezigheid van de ziekenhuisapotheker aan het bed van de patiënt.

“De functie van ziekenhuisapotheker heeft een hele evolutie doorgemaakt”, vertelt Katy Verhelle enthousiast. “Toen ik in de jaren 1990 begon, lag de focus op bereidingen, aankopen en distributie. Veel verschil met de rol van een stadsapotheker was er niet. Vandaag is dat anders. Onze verantwoordelijkheid eindigt niet meer aan de deur van de apotheek, we staan als farmaceutisch specialisten naast de artsen en de verpleegkundigen bij de patiënt. Die nieuwe positie aan het bed van de patiënt laat ons toe om de medicatieveiligheid te waarborgen.”

“De arts blijft verantwoordelijk voor de diagnose en de voorgeschreven medicatie. En de verpleegkundige is verantwoordelijk voor de goede zorgverlening en het toedienen van de medicatie op order van de arts. De specifieke rol van de apotheker is erop toe te zien dat het juiste geneesmiddel wordt voorgeschreven, rekening houdend met mogelijke interacties, maximale dosissen, allergieën en toxiciteit, good practices, het al dan niet pletten, enzovoort. Er zijn tientallen checks die vandaag van de apotheker verwacht worden. De patiënt krijgt dan ook een nieuwe partner aan zijn bed. Vroeger namen wij die rol ook al op, maar meer anoniem, achter de schermen. Vandaag zijn we zichtbaar aanwezig voor de arts, de verpleegkundige en de patiënten, tenminste in sommige disciplines.”

KWALITEITSBEWAKING

Klinische farmacie werd voor het eerst geïntroduceerd met het KB van 1991, dat zorgde voor een kortere link tussen de ziekenhuisapotheker en andere zorgverleners. “Door de toegenomen specialisatie was meer garantie op kwaliteitsbewaking nodig”, zegt Katy Verhelle. “Geneesmiddelen worden almaar complexer en het succes van een therapie is niet alleen afhankelijk van de kwaliteit van het medi­cament, maar ook van het goed gebruik ervan en de interactie met andere middelen. Die kennis zit bij de gespecialiseerde ziekenhuisapotheker, die hiervoor wordt opgeleid. Ook het elektronisch voorschrift en recente mogelijkheden van ICT helpen om fouten te vermijden, maar uiteindelijk is er nog altijd interpretatie en de alertheid van een professional nodig. Artsen krijgen veel meldingen die extra aandacht vergen, waardoor een ‘alertmoeheid’ kan ontstaan.”

“In az Groeninge opteerden we om klinische farmacie op de spoedgevallendienst in te voeren. De transmurale problematiek is bijzonder groot. De gezondheidszorg is nog altijd in silo’s verdeeld met de eerste, de tweede en de derde lijn. In de overbruggingen tussen die lijnen schuilen de grootste risico’s voor een correcte informatieoverdracht. De huisarts geeft een medicatieschema, de patiënt brengt dat mee naar het ziekenhuis, maar dikwijls heeft ook een thuisverpleegkundige een eigen schema en op den duur is voor niemand de situatie nog overzichtelijk. Sommige patiënten komen op de spoed­gevallendienst met een plastic zak geneesmiddelen. Het is dan kwestie om zo snel mogelijk helderheid te krijgen over wat hij of zij nu precies neemt en of er geen discrepanties in geslopen zijn. Veel spoedopnames zijn bovendien rechtstreeks gelinkt aan medicatiegebruik. De start van een antibioticakuur kan complicaties geven. Of dubbele medicatie. Of het te lang gebruik van bepaalde medicatie, zoals onstekingsremmers, dat tot een maagbloeding kan leiden. Een klinisch apotheker is opgeleid om waakzaam te zijn voor dat soort situaties. Patiënten vergeten vaak ook sommige geneesmiddelen te vermelden zoals sprays of pleisters. Ze denken er dikwijls niet aan. In principe zou een arts of een verpleegkundige de patiënt hierover kunnen bevragen, maar wetenschappelijk onderzoek toont dat de bevraging door een apotheker betere resultaten geeft.”

“De meerwaarde van een klinisch apotheker is dat hij de arts en de huisarts een gespecialiseerd advies kan geven over het medicatieschema. Daar hebben wij de autoriteit voor. In de praktijk blijkt ons advies in 70 tot 90% van de gevallen gevolgd te worden. De samenwerking met artsen en huisartsen loopt dan ook voortreffelijk. In het begin bestond de vrees dat de apotheker als een vreemde eend in de bijt beschouwd zou worden. ‘Wat komt die hier plots doen?’ Maar het nut en de grote toegevoegde waarde van de klinische farmacie heeft zich ondertussen bewezen. Wat begon als een project, is vandaag structureel ingebed.”

NAUWERE SAMENWERKING

“Een bijkomend voordeel is de nauwere samenwerking tussen apotheker, arts, verpleegkundige en huisarts rond de pa­tiënt. We zien elkaar meer. Op de werkvloer en tijdens overlegmomenten. In az Groeninge hebben we vandaag een structureel overleg met huisartsen, specialisten en de klinische apothekers. Op het vlak van gegevensdeling is door de toegenomen contacten het vertrouwen gegroeid, maar de wetgeving hierover hinkt nog wat achterop. Al is de federale overheid nu bezig met het ontwerp van een gedeeld medicatieschema dat toegankelijk is voor de diverse lijnen. Dat zou een naadloze continuïteit tussen de eerste en de tweede lijn zeker ten goede komen.”

“Of klinische farmacie niet op alle afdelingen nuttig zou zijn? Ik vrees dat dat momenteel financieel niet haalbaar is. In het Angelsaksische model gebeurt dat wel, maar daar is er één ziekenhuisapotheker op vijftien bedden! Dankzij extra middelen van het ziekenhuis zelf kunnen wij een beroep doen op 2,5 voltijdse equivalenten voor klinische farmacie in het hele ziekenhuis. Nu, je kunt de situatie hier ook niet zomaar vergelijken met het Angelsaksische model; wij hebben andere troeven, bijvoorbeeld op het gebied van medische hulpmiddelen en implantaten. Maar natuurlijk zou het nog beter zijn als we klinische farmacie op alle afdelingen konden toepassen. Ook op afdelingen geriatrie, intensieve zorgen en neonatologie heeft het in andere ziekenhuizen zijn nut al bewezen. Maar zelfs als er voldoende middelen werden vrijgemaakt, dan nog zouden we botsen op een tekort aan gespecialiseerde apothekers. Er mogen immers maar vijftig studenten per jaar de voortgezette opleiding tot ziekenhuisapotheker aanvatten. Hoe dan ook heeft de klinische farmacie de ziekenhuisapotheker meer zichtbaarheid gegeven en kunnen we nu onze corebusiness tot aan het bed van de patiënt brengen. Dat is het belangrijkste”, besluit Katy Verhelle.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: SOPHIE NUYTTEN