23 september 2019

INTERVIEW MET TANIA DEKENS, DIRECTEUR VAN IRISCARE

HET IS TIJD VOOR STRUCTURELE OPLOSSINGEN

Tot eind dit jaar is Tania Dekens admini­strateur-generaal bij Famifed, het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag, een functie die ze sinds 2012 bekleedt. In 2015 en 2018 viel ze met Famifed in de prijzen. In 2015 was Famifed Overheidsorganisatie van het Jaar; in 2018 volgde een persoonlijke bekroning: Dekens werd toen verkozen als Overheidsmanager van het Jaar. Tegelijk leidt ze vandaag al Iriscare, de bicommunautaire instelling die in Brussel belast is met het ouderen- en gehandicaptenbeleid, de ouderenzorgvoorzieningen, de geestelijke gezondheidszorg, het revalidatiebeleid en de kinderbijslag. “Iriscare, dat is de sociale bescherming van en voor alle Brusselaars”, lezen we op hun website. Zorgwijzer ging op de koffie bij Tania Dekens.

“Het is een heel kluwen van bevoegd­heden, dat zal ik niet ontkennen”, zegt Tania Dekens. “Maar het heeft geen zin om daarover te klagen. We zijn er voor de burgers, onze partners zijn de zorgvoorzieningen. De burger heeft er geen boodschap aan wie bevoegd is waarvoor. De burger wil een goede dienstverlening. Punt. Met de nieuwe Brusselse regering zijn we een beleidscontract aan het voorbereiden. Onze missie is om een geïntegreerd zorgbeleid tot stand te brengen van en voor alle Brusselaars, jong en oud. Om dat geïntegreerd beleid mogelijk te maken, wil ik eerst en vooral per doelgroep het huidige aanbod in kaart brengen. Zowel in de ouderenzorg als voor kinderen en gezinnen, de geestelijke gezondheidszorg en de personen met een handicap. Per doelgroep gaan we het aanbod transparant maken, niet alleen op het niveau van de GGC (Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van Brussel), maar op alle niveaus. Dat is een complexe oefening. In de ouderenzorg moeten we bijvoorbeeld de tegemoet­koming voor ouderen nog overnemen van het federale niveau. En wat de ziekenhuizen betreft, zijn de universitaire ziekenhuizen bij de gemeenschappen gebleven. Alles loopt door elkaar, en dus moeten we aan de slag met iedereen die mee bevoegd is.”

“Komt daar nog de extra complexiteit van het intraregionale verhaal van Brussel bij. Denk maar aan de revalidatiesector. Brussel telt dertig conventies, waarvan sommige uniek zijn in België. Er worden ook veel Vlamingen en Walen verzorgd in Brussel. Ook daarover moeten we afspraken maken. Dat is niet eenvoudig, ook al omdat Vlaanderen en Wallonië in een andere richting evolueren. Vlaanderen heeft duidelijk de keuze gemaakt voor een persoonsvolgende financiering. Dat houdt in dat een groot deel van de middelen niet meer rechtstreeks naar de voorzieningen gaat, maar naar de individuele zorgvragers. Brussel en Wallonië daarentegen blijven wel kiezen voor een financiering via de instellingen. Ik vind de resultaten in Vlaanderen nog niet overtuigend. Een persoonsvolgend budget is een prima instrument voor wie zelf nog autonoom beslissingen kan nemen of iemand heeft die daarbij helpt. In andere situaties is dat veel lastiger. Want dan moeten mensen weer een beroep doen op professionele organisaties die hen bijstaan om hun budget te besteden, wat ook weer flink wat middelen kost. Zo creëer je alleen extra structuren.”

KWETSBAAR BRUSSEL

“Brussel telt meer kwetsbare mensen dan Vlaanderen. Uit een studie van de Universiteit Antwerpen en het Brussels Institute blijkt dat 50% van de gezinnen in Brussel leeft van een inkomen onder de 2.500 euro bruto per maand. Veel mensen hebben een migratieachtergrond. Brussel is bij uitstek een ‘aankomststad’: mensen landen hier in een kosmopolitische context en proberen hier iets op te bouwen. Zodra ze het iets beter hebben, gaan ze in Vlaanderen of Wallonië wonen. Dat beschouwen ze als het toppunt van integratie. Maar er is een evolutie bezig. In de woonzorgcentra vind je vandaag nog geen ouderen met een migratieachtergrond. Door de emancipatie van de vrouwen en de noodzaak om met twee te gaan werken, wordt de opvang van ouderen ook in de gezinnen met een migratieachtergrond minder vanzelfsprekend. Ook die mensen zullen in de toekomst vaker een beroep doen op de woonzorgcentra.”

“Wie in Brussel woont, kan in principe terecht in een zorgvoorziening van de GGC of van Vlaanderen, als hij tenminste bij de Vlaamse sociale bescherming (VSB) is aangesloten. Vandaag zijn er nog acht woonzorgcentra van de Vlaamse Gemeenschap in Brussel. In de praktijk is het zo dat wie naar een Vlaams woonzorgcentrum wil, meteen aangesloten wordt bij de VSB. Of dat in de toekomst ook zo blijft, is moeilijk te voorspellen. Misschien zullen mensen eerst enkele jaren moeten bijdragen aan de VSB voor ze er een beroep op kunnen doen? Er zijn nog veel vragen in dat dossier. Hoe moet het bijvoorbeeld verder als Vlaanderen voluit gaat voor een persoonsvolgende financiering in de ouderenzorg, terwijl de andere Brusselse woonzorgcentra rechtstreeks gefinancierd blijven? Hoe ver zal men gaan met de persoonsvolgende financiering in Vlaanderen? Elke beslissing heeft ook een impact op de situatie in Brussel. Mij lijkt het dat we voor de acht Vlaamse woonzorgcentra in Brussel een specifieke regeling moeten treffen. Dat zou in elk geval het beste zijn voor de burgers, voor wie het anders helemaal een soep wordt.”

“Omdat we bicommunautair zijn, werken alle voorzieningen sowieso tweetalig. Voor enkele voorzieningen die van het federale niveau of de Franse Gemeenschap zijn overgekomen, is hier nog werk aan de winkel. Maar de toekomst van Brussel is tweetalig, in élke voorziening. Het oude idee van de twee gemeenschappen die naast elkaar bestaan in Brussel, is achterhaald. Vandaag wonen hier mensen van 180 nationaliteiten. Iedereen is in de minderheid in Brussel. Het Frans geldt voor velen als ‘werktaal’, maar 25% van de kinderen, ook zij met een andere moedertaal, kiest voor het Nederlandstalig onderwijs. Er is dus sprake van een echte smeltkroes.”

STERKERE BUURTNETWERKEN

“Als Instelling van Openbaar Nut wordt Iriscare, anders dan in Vlaanderen, beheerd door de sectoren. De federaties van de ouderenzorg, de gehandicaptenzorg, de revalidatiesector en andere sectoren zetelen in de beheerraad, samen met de werkgevers en de vakbonden en met de administratie en de politiek. Het is een uitdaging om dat te doen werken. Maar in Vlaanderen moet ook met al die partijen overlegd worden. Hier zit het overleg structureel verankerd in de beheerraad. Alle betrokkenen werken samen de plannen uit om die ook samen te realiseren. De politieke partners zijn sinds de jongste verkiezingen vooral Brussels minister Alain Maron (Ecolo), die onder meer bevoegd is voor Gezondheid, samen met Brussels minister Elke Van den Brandt (Groen), en Brussels minister Bernard Clerfayt (Défi), bevoegd voor Kinderbijslag samen met Brussels minister Sven Gatz (Open Vld). Maar het is duidelijk dat ook andere beleidsdomeinen vaak mee aan tafel moeten als we tot een integraal beleid willen komen.”

“De missie van Iriscare is om een geïntegreerd zorg­beleid tot stand te brengen van en voor alle Brusselaars, jong en oud. Om dat geïntegreerd beleid mogelijk te maken, wil ik eerst en vooral per doelgroep het huidige aanbod in kaart brengen.”

“Het Brusselse regeerprogramma besteedt veel aandacht aan kwetsbare groepen, armoede en zorg en welzijn. Armoede is overal aanwezig in Brussel en de impact ervan op de gezondheid en het welzijn van mensen is voldoende aangetoond. We werken daarom volop mee aan een sterkere buurtzorg. Het Gewestelijk experticecentrum ‘Perspective.Brussels’, dat tal van initiatieven voor stadsontwikkeling neemt, maakt per wijk een studie om de programmatie te bepalen: wat is er nodig, wat is er aanwezig, wat ontbreekt er nog aan zorg en welzijn? Dat is een fantastisch project, dat ons kan helpen om sterkere buurtnetwerken uit te bouwen. We moeten dat doen lukken voor Brussel.”

“Op het niveau van de GGC is tot vandaag veel met proefprojecten gewerkt. Het is nu tijd voor structurele oplossingen. Daarvoor wil ik gaan. Een mooi voorbeeld zijn de nachtwachten of de thuishulp die ’s nachts blijft. In Brussel hebben we dat nog niet. Er was wel een proefproject, maar ik wil dat verder uitbouwen en verankeren. Want ook in Brussel zijn er veel ouderen en andere kwetsbare mensen die het liefst zo lang mogelijk thuis willen wonen. Dat kan nu dikwijls niet door leemtes in het aanbod. Daardoor verblijven in Brusselse woonzorgcentra nog altijd relatief veel valide mensen, zelfs als koppel. Met een beetje ondersteuning op maat zouden die thuis kunnen blijven wonen. We moeten het aanbod thuiszorg flink uitbreiden, zonder de mensen te verplichten om daarvoor te kiezen, uiteraard. Maar de mensen moeten wel de keuze hebben.”

“Brussel leeft echt, maar dat kan je pas ervaren als je hier woont en werkt en uitgaat. Er beweegt zoveel. Mensen ontmoeten elkaar en delen ideeën en culturen. Ik kan het alleen met Berlijn vergelijken.”

“Brussel telt een 150-tal woonzorgcentra, samen goed voor bijna 16.000 bedden. Zo’n 15% van die bedden is niet bezet. Daarnaast zijn er nog 2.500 bedden in portefeuille. Er is een nieuwe ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Geweest om alle beheerders aan te schrijven met de vraag om die bedden in portefeuille te laten vervallen indien ze geen bouwproject hebben. Daarnaast zal de Brusselse regering budget vrijmaken om ROB-bedden om te zetten in RVT-bedden. Ja, er is een overschot aan bedden, maar we mogen niet te snel van stapel lopen. Waar bevinden die bedden zich? In welke prijscategorie? Gaat het vooral om bedden in publieke voorzieningen of van commerciële groepen? En hoe zit het precies met die 2.500 bedden in portefeuille? Veel vragen dus. Maar dat we naar RVT-bedden moeten omschakelen, is wel duidelijk.”

GROTE, BOZE STAD

“Ik woon ondertussen zelf 17 jaar in Brussel, aangespoeld uit Gent. En neen, het is hier niet al rozengeur en maneschijn. Maar Brussel is wel de enige echte stad in België. Ik woon in Sint-Jans-Molenbeek, dat op zich al 98.000 inwoners telt. En dat noemen we dus een ‘gemeente’. Weet je, de Vlamingen kennen Brussel echt niet goed. Ja, dat gebrek aan kennis ergert me soms in discussies en debatten. Brussel leeft echt, maar dat kan je pas ervaren als je hier woont, werkt en uitgaat. Er beweegt zoveel. Mensen ontmoeten elkaar en delen ideeën en culturen. Ik kan het alleen met Berlijn vergelijken. Neem nu MolenGeek, waar jongeren die op school afhaakten via workshops informatica naar een job worden geleid. Een schitterend project is dat. We zoeken in Brussel voortdurend naar innovatieve oplossingen voor de specifieke uitdagingen van een grootstad. Of kijk naar het boeiende kunst- en theaterleven in Brussel. Neen, veel Vlamingen weten niet hoe rijk Brussel is. Dat is jammer. Ook omdat de media daarin meegaan. Als er een incident gebeurt, dan worden de dingen vaak uitvergroot, zeker in komkommertijd. Positieve verhalen krijgen dan weer zelden aandacht. Veel mensen hebben daardoor onterecht schrik voor de ‘grote boze stad’. Natuurlijk zijn er problemen, maar hier bloeien ook heel veel mooie dingen.”


Brussel legt andere accenten in kinderbijslag

In tegenstelling tot Vlaanderen, dat begin 2019 overschakelde op het Groeipakket, heeft Brussel vandaag nog het systeem van de federale kinderbijslag. Brussel schakelt pas in 2020 over op een nieuw systeem. Tania Dekens blijft tot eind dit jaar ook baas van het Federaal Agentschap voor de Kinderbijslag en kent de materie als geen ander. Kiest Brussel voor een zelfde piste als Vlaanderen bij de hervorming van de kinderbijslag?

“Meer dan in Vlaanderen gebruiken we de hervorming als instrument tegen de kinderarmoede”, zegt Tania Dekens. “We kiezen voor meer differentiatie in het basisbedrag: 150 euro vanaf de geboorte, 160 euro vanaf 12 jaar en 170 euro vanaf 18 jaar. In Vlaanderen is het bedrag 160 euro voor elk kind op elke leeftijd. Door die kleine differentiatie maken we middelen vrij voor iets hogere toeslagen en een correctie voor gezinnen tot vier kinderen in een precaire situatie. Anders dan in Vlaanderen en Wallonië kiezen we er in Brussel ook voor om alle kinderen in één keer in het nieuwe systeem onder te brengen. Wie hierbij verlies zou lijden, behoudt hetzelfde bedrag als in 2019.”

“Er is hierover ook in Brussel veel discussie geweest. Sommigen wilden de middelen in diensten omzetten: een logo­pediecheque, een cheque voor gratis maaltijden enzovoort. De achterliggende gedachte was dat kwetsbare mensen met hun kinderbijslag anders een televisie of zo zouden kopen. Maar dat is een fabel. Een recente studie wees uit dat 95% van de middelen van de kinderbijslag rechtstreeks voor de kinderen gebruikt worden. Wie denkt dat de middenklasse de kinderbijslag op een spaarboek zet, is fout. Mensen hebben dat geld echt wel nodig voor de opvoeding van hun kinderen. Zeker in Brussel, waar het gemiddeld gezinsinkomen een pak lager ligt dan in Vlaanderen. Als samenleving moeten we er gewoon voor zorgen dat mensen voldoende middelen hebben om goed voor hun kinderen te kunnen zorgen.”


Dringt een nieuwe staatshervorming zich op?

Elke staatshervorming verandert ook de situatie in Brussel. Zo neemt Iriscare alle bevoegdheden op die overkomen van de federale overheid naar het Brussels Gewest. En omdat er nog altijd geen sprake is van homogene bevoegdheden, lijkt de situatie almaar complexer te worden. Hoe kijkt Tania Dekens naar een eventuele nieuwe staatshervorming?

“Ik heb er een dubbel gevoel bij. Neem de regionalisering van de kinderbijslag. Die geeft Vlaanderen, Brussel en Wallonië inderdaad meer mogelijkheden om in te spelen op de eigen context. Dat is goed. Maar kon dat ook niet federaal zo worden afgesproken? Konden we niet gewoon het werk achter de schermen en de administratie samen houden en kiezen voor een gediversifieerd beleid? Dat had in elk geval veel minder gekost. Elke regionalisering kost handenvol geld. De kinderbijslag krijgt nu vier verschillende systemen, elk met zijn eigen backoffice, informaticasysteem enzovoort… Dat is te gek voor woorden. Voor de Duitstalige Gemeenschap gaat het om 8.000 gezinnen. Zij kunnen terugvallen op een eenvoudig en goedkoop systeem. Maar Brussel zit wat gewrongen: het is te groot voor een eenvoudig systeem en te klein voor een grootschalig iets.” 

“Bovendien gaat elke regionalisering gepaard met een besparing. Vanuit het RIZIV zijn bevoegdheden ter waarde van 400 miljoen euro per jaar naar Brussel overgekomen. Om al die middelen te beheren, zijn twee personeelsleden mee overgekomen. Dat is een lachertje. Dat is onvoldoende en dat zal dus wegen op de werkingskosten.”

“Reken daarbij dat met elke staatshervorming veel tijd verloren wordt. De zesde staatshervorming is beslist in 2011, de overdracht gebeurt in 2019. In al die tussenliggende jaren heeft de federale overheid niet verder geïnvesteerd in die bevoegdheden. Zo lopen we allemaal een achterstand op. Ach, België is op zich al een heel klein land om een goede sociale zekerheid te realiseren. Alles nog verder opsplitsen maakt het alleen maar duurder en moeilijker.”


 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS