OPINIES & GETUIGENISSEN

COMMONS IN ZORG: GEEN MAINSTREAM, GEEN GEMEENGOED?

TOM BRAES • 28/08/2017

In alle openheid (of als full disclosure, om in de sfeer te blijven): het concept commons was me niet gekend en het lijkt ook niet meteen een vertrouwd begrip te zijn in de gezondheidszorg. Het vergde wat inlezing om het concept te kunnen kaderen, om het een plaats te geven in relatie tot zorg. Om dan vast te stellen dat het wél vertrouwd aanvoelt. De idee is ‘gemeengoed’, we hanteren alleen andere termen en het is een kwestie van semantiek. Of toch niet?

In de ‘pitch’ voor dit negende debat worden burgerinitiatieven en middenveldorganisaties genoemd en gaat het over medebeheer. Die invulling introduceert alvast enkele belangrijke protagonisten. Samen met een definitie van Professor De Moor lijkt de scène daarmee voldoende geschetst om de link met zorg te kunnen verkennen: “burgers gaan collectief handelen, op eigen initiatief, als groep en met gemeenschappelijke goederen en diensten omwille van bepaalde voordelen“.

De idee van commons voor het beheren van concrete goederen, infrastructuur, virtuele middelen of kennis voelt intuïtief aan als “haalbaar”. Het leest beheersbaar, organiseerbaar en relatief risicoloos. Zorg roept andere associaties op. Zorg (verlenen) is gelaagd. Het is ‘rafelig’ en moeilijk af te lijnen. Het gaat over kwaliteit, over veiligheid en meten om te willen weten. Het is genormeerd, erkend en geïnspecteerd. Het is tast- en voelbaar. Er worden menselijke relaties aangegaan en er ontstaan afhankelijkheden waarin risico’s vervat zitten.

Maar zorg is ook veel meer. Risico’s, veiligheid, kwaliteit: het zijn professionele ijkpunten, criteria waarop organisaties worden afgewogen en beoordeeld. Het is een reduceren van zorg tot indicatoren, cijfers, aantallen en budgetten om het stuurbaar en controleerbaar te maken. Voor alle duidelijkheid: die aspecten zijn essentieel om cliëntgericht te kunnen werken. Maar anderzijds immobiliseren ze misschien ook en kan het innovatie fnuiken omdat tegen grenzen van middelen en mogelijkheden wordt aangebotst.

En dán zijn er die anderen in de coulissen, waarvoor ervaren en invoelen de belangrijkste ijkpunten zijn. De drijfveer ook om te ondernemen en zelf initiatieven te willen organiseren. Initiatieven met een ongekende heterogeniteit naar omvang, ambitie en achterliggende motivatie. In de toelichting van het debat wordt ‘buurtzorg’ vermeld. Net dat is een ideaal voorbeeld om kanttekeningen te plaatsen en impulsen uit te lichten. Er zal bij het verkennen van de idee van buurtzorg als common dan ook worden geschakeld tussen zowel het burger- als het beleidsperspectief.

‘Buurtzorg’ dekt een rijkdom aan invullingen, vormen en engagementen. Het mankeert een duidelijke definitie. Vanuit beleidsperspectief kan dat onbenoembare wat ongemakkelijk liggen. Want hoe zit het dan precies met ‘buurtgerichte zorg’, ‘buurtgerichte welzijnszorg’ en de idee van ‘zorgzame buurten’? Voor een beleid zijn duidelijkheid en positionering belangrijk, ook in terminologie. De naam bepaalt als het ware nog vaak de invulling. Voor initiatiefnemende burgers is dat ondergeschikt. Hun invulling zal wel een eigen naam opleveren.

Maar belangrijker dan de juiste terminologie is (het gevoel van) het eigenaarschap. En hier is het enigszins fascinerend om vast te stellen dat het eigenaarschap van buurtzorg langzaamaan naar de organisaties en het beleid lijkt over te hellen. Als een vertegenwoordiger van die organisaties voel ik me geplaatst om dit te kunnen en misschien wel te móeten benoemen. Er lijken immers twee stromingen te ontstaan. Of om de beeldspraak van daarnet wat door te trekken: twee verschillende lezingen van eenzelfde script.

Op politiek en administratief niveau wordt nagedacht over hoe buurtgerichte zorg kan worden ingevuld, wie welke rol moet spelen en hoe het zich moet verhouden ten opzichte van andere beleidslijnen. Dat debat moet worden gevoerd; het zal bijdragen tot een verfrissing en bijsturing van klassieke zorgopdrachten en -rollen. Maar tegelijk ontstaan tal van burgerinitiatieven, niet gehinderd door het uitblijven van beleidsteksten of terminologie. Niet-zorgverleners geven ze vorm, vanuit eigen expertise en ervaring en met inbreng van eigen (kwantitatieve en kwalitatieve) middelen. Het zijn zij die regisseren, die professionele zorgverleners gericht betrekken in functie van hún behoeften.

Die stromingen moeten elkaar tijdig terugvinden. Dat vergt extra opmerkzaamheid van de beleidmakers en ook als koepelorganisatie spelen we hierin een rol. Idealiter worden initiatieven (h)erkend als potentiële schat aan beleidsinformatie en als waardevolle manier om te verifiëren of denkpistes de praktijktoets kunnen doorstaan. ‘Vermaatschappelijking van zorg’ is al enige tijd het politieke bon mot. Die zorg in de maatschappij vereist dat (h)erkennen en aanvoelen van noden en hiaten. Tegelijk moet erover worden gewaakt dat het geen vehikel wordt om initiatieven te recupereren voor eigen belang, om ze als gemeengoed te beschouwen en ze op te zadelen met beleidsmatige verwachtingen en verantwoordelijkheden. Commons mogen hier geen mainstream worden.

Voor de burgerinitiatieven zou een van de bedreigingen ook de beleidsmatige en professionele reflex tot formaliseren en standaardiseren kunnen zijn. Het automatisme waarmee we willen overnemen, hoe goedbedoeld ook. In sommige initiatieven kan het zijn dat zorg of ondersteuning op een ‘suboptimale’ wijze worden georganiseerd, vanuit een professionele bril bekeken. Maar misschien moet dat maar, zijn vrijheidsgraden nodig en moeten we onze waarde als professional hier anders invullen. Er zál ook een rol weggelegd zijn in dit (soms fragiele) evenwicht tussen formaliseren en laten gedijen, tussen toekijken en interveniëren waar nodig. Complementariteit wordt essentieel.

Het ondersteunen van initiatieven in het ontplooien en overstijgen van hun potentieel kan een complementaire rol van overheid en zorgorganisaties zijn. Er kan infrastructuur ter beschikking worden gesteld, er kan vorming worden aangeboden, professionals kunnen als back-up fungeren, ze kunnen op vraag zorg bieden, kunnen fungeren als forum om signalen uit de buurt te capteren: er zijn tal van mogelijkheden. Maar steeds meer aanreikend dan overnemend.

Ook met betrekking tot de risico’s is een rol weggelegd. Die risico’s zijn er, ze moeten alleen niet a priori resulteren in willen formaliseren en in regelgeving gieten. Burgerinitiatieven zijn beperkt in de zorg die ze kunnen of mogen verstrekken. Er zijn grenzen aan wat kan op het vlak van kwaliteit en veiligheid. Dat vergt goed kunnen inschatten van eigen mogelijkheden en verantwoordelijkheden. Tijdig weten doorverwijzen of laten overnemen moet óók collectief worden georganiseerd en afgestemd. Daarin moeten ze op hun beurt de expertise en de rol van zorgorganisatie erkennen en kunnen vinden. Als klankbord, als kenniscentrum, als vervolgtraject.

Commons hebben ook een lange voorgeschiedenis. Tal van vertrouwde huizen en merken ontstonden als burgerinitiatief. Succesvolle initiatieven kunnen groot worden, kinderziekten en groeipijnen krijgen, tegen regelgeving aanlopen en aan beheersbaarheid verliezen. Ook hier moet de complementariteit oplossingen bieden en zullen initiatiefnemers beleid en professionals moeten kunnen en willen betrekken.

Tot slot zijn er de mensen achter al die initiatieven. Hun capaciteit, draagkracht en mogelijkheden zullen fluctueren. Iedereen heeft tijd nodig om te kunnen terugplooien en te herijken. Het ondersteunen van dit type ‘structuur’, de gangmakers met impact op anderen; ook daar kunnen organisaties en overheid een cruciale rol opnemen.

Commons, overheid en zorgorganisaties vormen idealiter dan ook één stroom, met erkenning van elkaars meerwaarde. Met eenzelfde script, zodat protagonisten geen antagonisten worden.


Dit blogbericht van stafmedewerker Ouderenzorg Tom Braes verscheen hier.