INTERVIEW INGE VERVOTTE, VOORZITTER DAGELIJKS BESTUUR EMMAÜS

"Alleen een inclusieve samenleving biedt echte vrijheid"

April 2021

Onze virtuele afspraak vindt plaats op 23 maart. Toen konden we niet vermoeden dat we aan de vooravond van een nieuwe lockdown zouden staan. Maar Inge Vervotte wil het liever niet hebben over deze of gene maatregel: “Daarover is er al genoeg discussie.” Liever verruimt ze de blik. Want als we zorg en welzijn in de toekomst nog georganiseerd willen krijgen op een kwaliteitsvolle manier, dan moeten we veel meer dan vandaag intersectoraal durven te denken. 

Wie is Inge Vervotte?

Inge Vervotte leidt het dagelijks bestuur van Emmaüs, een divers samengestelde groep van zorg- en welzijnsorganisaties met algemene ziekenhuizen, woonzorg, jeugdzorg, kinderopvang, geestelijke gezondheidszorg en dienstverlening aan personen met een beperking.

Biedt die diversiteit aan organisaties binnen één groep als vanzelf een bredere kijk?

“De veelheid aan perspectieven maakt het niet altijd gemakkelijk, maar wel erg interessant. Het dwingt je om na te denken over wat gemeenschappelijk en wat verschillend is. Emmaüs verleent als vzw gespecialiseerde diensten aan mensen met specifieke noden. We bieden zowel begeleiding en ondersteuning aan huis, als in voorzieningen zoals een ziekenhuis, als in thuisvervangende contexten. Daar wordt het voor mij boeiend: waar al die soorten begeleiding in de diverse sectoren terugkomen. Van daaruit kan je aan visieontwikkeling doen. Als we nadenken over wonen, leren we uit de ervaringen met personen met een beperking, personen met dementie, personen met chronische psychiatrische stoornissen… Dat is verrijkend. Als je even loskomt van je expertise van de eigen sector, kan je het ook bekijken vanuit ‘mensen met een leef- en woonnood in een thuisvervangend milieu’. Dan krijg je andere inzichten. Dat helpt je om buiten de traditionele denkkaders te gaan en te pionieren met nieuwe initiatieven.

We geloven in Emmaüs bijvoorbeeld sterk in het kleinschalig genormaliseerd wonen, wat we al jaren in de praktijk brengen. Als je een kleine groep mensen zo normaal mogelijk laat samenleven, met een vaste, vertrouwde equipe medewerkers, dan heb je een win-winsituatie. Tijdens de pandemie waren die kleinschalige leefgemeenschappen onze bubbels, waarin hygiëne en beperkte contacten perfect verzoenbaar waren met warme zorg en het streven naar levenskwaliteit. De kleinschaligheid en het vaste team maken dat je het levensverhaal van de mensen kent, dat er een vertrouwensband groeit. Het medische model en het welzijnsmodel komen zo samen. Dat proberen we te realiseren vanuit de diverse expertises: ondersteuning voor mensen met een beperking, voor mensen met dementie… Elke sector heeft zijn expertise, maar door met een bredere blik naar een situatie te kijken, verrijken we elkaar.

Er zijn vele voordelen aan die diversiteit. De interne solidariteit, bijvoorbeeld. Heel belangrijk in tijden van crisis. De diversiteit stimuleert verder het zelforganiserend vermogen. De overheid wil naar een persoonsvolgende financiering (PVF) in de ouderenzorg en de psychiatrische verzorgingstehuizen (PVT). Wel, wij kennen PVF al jaren door onze dienstverlening aan mensen met een beperking. We werkten actief mee aan de invoering van de PVF. Onze mensen van woonzorg en PVT kunnen een beroep doen op die ervaring en expertise. Zij ervaren PVF dan ook minder als bedreigend en denken actief na over de mogelijkheden.

Als je het louter bestuurlijk of economisch bekijkt, lijkt onze diversiteit op het eerste zicht een nadeel. Tegelijk betekent ze een meerwaarde. We zoeken ook optimalisaties, maar zijn geen economische machinerie gericht op efficiëntie. In het publieke debat staat grootschaligheid vaak voor anonimiteit, terwijl wij net aantonen dat dat niet zo hoeft te zijn. Emmaüs legt de autonomie van de verschillende organisaties zo dicht mogelijk bij de patiënt, de gebruiker en zijn familie, omdat we geloven dat het zelforganiserend vermogen in de zorg een troef is.”

Hoe ziet u uw rol als hoofd van de groep? Was u tijdens de coronacrisis vooral crisismanager? Bezocht u de voorzieningen?

“Ik moest bijna alles via het scherm en de telefoon afspreken. Je kan niet vragen aan de familie om niet op bezoek te komen en tegelijk zelf overal fysiek verschijnen op vergaderingen. In de eerste periode lag de nadruk op alles proberen te begrijpen, zodat we de richtlijnen zoveel mogelijk vóór konden zijn en er zelfs mee konden op wegen. In de eerste golf was verder de beschikbaarheid van materiaal een belangrijk issue. Daar hebben we als groep ook sterk op ingezet. Daarnaast was er de bekommernis over de mogelijke uitval van medewerkers. We organiseerden ondersteuning vanuit hr en we bereidden alles voor om snel te schakelen waar nodig. Nu is er weer het vaccinatiebeleid. Mijn rol is zoeken en stimuleren, de juiste mensen bijeenbrengen voor een goede en snelle besluitvorming, waarbij we kunnen steunen op correcte en actuele gegevens, zodat iedereen zich comfortabel voelt bij het nemen van beslissingen.”

De coronacrisis maakte duidelijk dat niet alle zorgvoorzieningen even voorbereid en uitgerust waren om zo’n crisis het hoofd te bieden. De ziekenhuizen hadden een crisisplan en de expertise, in veel woonzorgcentra was dat minder evident. Voelde u die verschillen ook in de organisaties van de groep Emmaüs?

“Voor mij zijn in een crisis drie dingen van belang. Ten eerste moet je inzichten hebben. Omdat we in onze groep algemene ziekenhuizen een dienst ziekenhuishygiëne hebben, begreep ik waarom virologen aarzelden over de mondmaskers. Ik las die verslagen en snapte hun redeneringen. Het is onhaalbaar om dat met zoveel woorden uit te leggen aan de publieke opinie, maar ik zag hoe ook de experten zoekende waren en inzichten verwierven. Die inzichten, dat is cruciaal. En vaak moeten we daarvoor bruggen slaan. We hebben in ons land veel mogelijkheden, expertise en kenniscentra, maar we slagen er niet altijd in om op het juiste moment de juiste verbindingen te leggen naar de praktijk. Ik wil een lans breken voor meer bruggen tussen kennis, wetenschap en ervaringskennis enerzijds en de praktijk anderzijds. We moeten meer werk maken van wetenschapsvalorisatie. Bij Emmaüs organiseren we academische werkplekken. Met eigen middelen betalen we onderzoekers die we inzetten in de praktijk, bijvoorbeeld om onze kwaliteitswerking onder de loep te nemen. Dat is enorm leerrijk. De onderzoeker heeft een open blik. Hij kijkt, stelt vragen, probeert te begrijpen en confronteert ons met bepaald gedrag. De dingen in vraag stellen, brengt een dialoog tot stand en leidt tot inzichten en een lerende kwaliteitscultuur.

Een tweede pijler is de beschikbaarheid. We roeien met de riemen die we hebben. Corona heeft opnieuw getoond hoe kwetsbaar we zijn als sector. Ik heb me zorgen gemaakt. Ik beeldde me allerlei worstcasescenario’s in, met grote uitbraken bij bewoners, uitval van medewerkers… Gelukkig hebben we dat niet voorgehad, maar waar het wel gebeurde, was hulp en ondersteuning van buitenaf nodig. En dat is voor mij een voorafspiegeling van wat ons in de toekomst wacht. Onze capaciteit is beperkt en de noden stijgen. We moeten daarom sectoroverstijgend bekijken hoe we alles nog georganiseerd krijgen. Ik heb geen pasklare oplossingen. Ik heb wel gezien hoe in crisistijd plots meer mogelijk werd: meer samenwerking, meer flexibiliteit in het inzetten van medewerkers afhankelijk van de noden… Willen we in de toekomst kwaliteit van zorg blijven bieden én de werklast draaglijk houden voor de medewerkers, dan moeten we die puzzel vastpakken. We komen er niet met alleen het aantrekkelijker maken van de zorgberoepen, hoe noodzakelijk dat ook is. De zorg is en blijft arbeidsintensief. Ik geloof in de technologische vooruitgang, maar we zullen véél mensen nodig hebben om de uitstroom op te vangen en de stijgende noden te beantwoorden. We kijken nog altijd te veel vanuit de afzonderlijke sectoren: de thuiszorg, de woonzorgcentra, de ziekenhuizen… Allemaal optimaliseren we onze eigen werking. Maar wie heeft nog zicht op het hele plaatje?”

“Ik wil een lans breken voor meer bruggen tussen kennis, wetenschap en ervaringskennis enerzijds en de praktijk anderzijds”

Kunnen de eerstelijnszones die opdracht op zich nemen in de eigen regio?

“De eerstelijnszones zijn in elk geval al een forum waar zorg- en hulpverleners elkaar ontmoeten en elkaar leren kennen. Er ontstaat geleidelijk een visie op zorg en ondersteuning in wijken en buurten. We moeten met de sociale partners bekijken hoe we de beschikbare mensen en expertise kunnen inschakelen in het geheel van de zorgnoden. Want zelfs met de meest optimale inzet zal het heel spannend worden om alle uitdagingen te realiseren. We hebben een samenhangende, coherente visie nodig, waarbij ook de medewerker kan winnen.”

Biedt een groep als Emmaüs de mogelijkheid om te experimenteren? Of zijn de verschillende voorzieningen te zeer gebonden door de eigen regelgeving en normen?

“Dat is inderdaad zo. We zijn één vzw, maar elke voorziening heeft een apart erkenningsnummer en moet verantwoording afleggen aan de bevoegde overheid. Er zijn geen geldstromen tussen de verschillende voorzieningen. We proberen natuurlijk wel enige flexibiliteit in te schakelen, maar zijn daarin beperkt door regelgeving.”

Er was nog een derde pijler in het crisismanagement?

“De derde pijler is de beleidsvoering en het zelforganiserend vermogen. Gesprekken met lokale besturen, scholen en voorzieningen leerden me dat sommige organisaties compleet afhankelijk waren van richtlijnen van de overheid, terwijl andere zoveel mogelijk zelf de touwtjes in handen namen. Als we terug in rustiger vaarwater vertoeven, moeten we dat eens van naderbij bekijken. Hoe meer we inzetten op het zelforganiserend vermogen van voorzieningen, hoe meer we op maat kunnen werken. En dat is essentieel. Ik wil niemand met de vinger wijzen, maar op een gegeven moment waren er zoveel richtlijnen en gedetailleerde draaiboeken, tot op het niveau van het micromanagement. Het gevolg was dat de richtlijnen voortdurend moesten worden bijgestuurd. Ik weet niet hoe we daar gekomen zijn, maar ik weet wel dat het schade heeft aangericht: we konden minder op maat werken en mensen geraakten gefrustreerd door de steeds veranderende richtlijnen. Soms had een voorziening de inzichten en expertise om iets op een veilige manier aan te pakken, maar dan voelden die mensen zich aan handen en voeten gebonden door de algemene richtlijnen. Maatregelen die voor iedereen gelijk zijn, beperken de ruimte voor creativiteit, zelforganiserend vermogen en oplossingen op maat.”

“Onze capaciteit is beperkt en de noden stijgen. We moeten daarom sectoroverstijgend bekijken hoe we alles nog georganiseerd krijgen”

In de media werd dat een gebrek aan vertrouwen van de overheid in haar burgers genoemd. Gaat het inderdaad in essentie over vertrouwen?

“Het is complex. Sectoren zijn soms zelf vragende partij voor heldere richtlijnen die voor iedereen gelden. Als de overheid een sector sluit, komt direct de vraag naar compensaties en verzeil je in een discussie over waarom die wel en die niet. We zitten nog te zeer in de crisis om nu al die analyse met de nodige afstand te kunnen maken. De vraag is: hoe kan je mechanismen van besluitvorming maken met een evenwicht tussen zelforganiserend vermogen en sturing van bovenaf? Als je alles tot in de details wil sturen, dan ben je nooit klaar. Dat is niet houdbaar. We zijn tegen die grenzen gebotst. Je kan sturen tot op een bepaald niveau, maar dan moet je het durven overlaten aan de capaciteiten en het zelforganiserend vermogen van voorzieningen en sectoren. De diversiteit is te groot om richtlijnen op het microniveau te kunnen maken.”

Los van de coronacrisis: hoe ziet u de toekomst van de ouderenzorg? Is het kleinschalig, genormaliseerd wonen het concept van de toekomst of zijn verdere stappen nodig?

“Wij zijn die verdere stappen al aan het zetten. Emmaüs werkt mee aan het Europees project Buurtgerichte zorg. Vanuit de woonzorgcentra en de dienstencentra zijn we aanwezig in de buurt. We geven heel laagdrempelig informatie, ondersteunen mantelzorgers en leggen dwarsverbindingen. Zo proberen we de cruciale transitiemomenten beter voor te bereiden. Negatieve ervaringen van mensen hebben vaak te maken met slecht voorbereide transities die een breuk teweegbrengen. We moeten streven naar vlotte, geleidelijke overgangen. Niet meer alles of niets, maar een continuüm van mogelijkheden. 

Buurtgerichte zorg verdient maximale ondersteuning, met een goede samenwerking tussen formele en informele netwerken. Zonder de informele zorg geraken we er niet. Bovendien draagt de informele zorg inhoudelijk bij aan het herstel en aan de kwaliteit van leven. Als mensen naar een thuisvervangend milieu verhuizen – want ook daar zullen de noden blijven – dan is het onze opdracht om de brug te slaan naar domeinen als architectuur, stadsontwikkeling… Met Emmaüs kiezen we resoluut voor groenere omgevingen, plaatsen die de dialoog stimuleren, vanuit een helende visie, aangepast aan de behoeften van de mensen die er wonen of verblijven. Ook daar botsen we op reglementering. Voor het kleinschalig genormaliseerd wonen dat wij al jaren organiseren, moeten wij nog altijd afwijkingen op de normen aanvragen. We nemen verantwoorde risico’s vanuit onze visie op zorg. Het beleid moet eens kritisch de regelgeving screenen over alle departementen heen. Kan wat het beleid met woorden promoot effectief in de praktijk uitgevoerd worden? Waar regels of normen in de weg staan, moeten die worden aangepast. Als initiatiefnemer nemen we nu niet alleen een verantwoord risico, we worden ook telkens weer gedwongen om energie, moeite en tijd te steken in administratie om de nodige afwijkingen op de normen te bekomen.”

“Buurtgerichte zorg verdient maximale ondersteuning, met een goede samenwerking tussen formele en informele netwerken” 

Het belang van informele zorg neemt toe en de vermaatschappelijking zet in op zoveel mogelijk zorg en ondersteuning in de thuiscontext. Tegelijk lijkt de eenzaamheid bij thuiswonende ouderen toe te nemen en leidt de vermaatschappelijking in de psychiatrie tot meer gedwongen opnames. Is onze samenleving wel zo inclusief en solidair als we zouden willen?

“Er gebeurt al veel en ik zie nog heel wat mogelijkheden. Het vrijwilligerswerk, het buurtwerk en het verenigingsleven zijn het afgelopen jaar buitenspel gezet door covid-19. Vrijwilligers vertellen me hoe spijtig ze het vinden dat ze niet tot de bubbel worden gerekend, in tegenstelling tot de professionele hulpverleners. Veel steun van mantelzorgers, buddy’s en vrijwilligers is zo tijdelijk weggevallen, ook al zochten ze naar andere manieren om contact te houden. Ook dat is een les om te onthouden. Als je één of twee radertjes wegneemt, dan verzwakt de ondersteuning voor kwetsbare mensen.

Veel informele hulp blijft onzichtbaar. Ik geloof in laagdrempelige initiatieven: een plek waar mensen een koffie komen drinken, waar informatie ter beschikking is. Je moet de mensen soms via een omweg over de drempel krijgen. Eenmaal het vertrouwen wat gegroeid is, spreken mensen je aan over de dingen waar ze echt mee zitten. Ontmoetingsplekken zijn cruciaal om verbinding te maken, de noden van mensen te ontdekken en er gepast en tijdig op in te spelen. Vandaag zijn de drempels dikwijls nog te hoog.”

Over drempels gesproken: hoe ziet u de geestelijke gezondheidszorg van de toekomst?

“Lichte tot milde psychische klachten moeten we laagdrempelig aanpakken met TEJO-huizen, OverKop-huizen en tal van initiatieven waar de overheid op inzet. Moeilijker wordt het als mensen gespecialiseerde hulp nodig hebben. Dan botsen we op wachtlijsten. We zijn in het CGG op een bepaald moment zelfs gestopt met registreren, omdat het geen zin meer had. We voelden dat we het geweer van schouder moesten veranderen. We hebben dan een transitie gemaakt naar een oriëntatieteam en een behandelteam. Het oriëntatieteam geeft telefonisch advies, doet aan vroegdetectie, coacht… Uit de jeugdhulp hebben we immers geleerd dat advies, coaching en enkele opvolgafspraken al heel belangrijk zijn om mensen verder te helpen. Door die opsplitsing slagen we erin om meer vragen korter op de bal op te nemen. Daarnaast blijft ondersteuning nodig voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen.

Ja, we moeten investeren in eerstelijnszorg, in verbindingspunten, in de doelgroep jeugd en jongvolwassenen. Maar we moeten opletten dat we mensen met zwaardere noden niet verliezen. We hebben nood aan een visie op wonen voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening. Vandaag kan een patiënt terecht in een ziekenhuis, een psychiatrisch verzorgingstehuis, bij de mobiele teams of een initiatief beschut wonen. Daar moet toch meer mogelijk zijn? In Emmaüs ontwikkelen we met eigen middelen initiatieven voor betaalbaar wonen, met een huurprijs die haalbaar is voor patiënten. Doen we dat niet, dan dreigen die mensen op straat te belanden. Ze hebben een eigen plek nodig, waar ze tot rust kunnen komen. Ouders van jongeren met een psychotische kwetsbaarheid klampen me aan op zoek naar oplossingen, een woning in de plaats van een ziekenhuisafdeling, waar toch de nodige expertise aanwezig is en waar de jongeren veiligheid kunnen opzoeken wanneer ze voelen dat problemen opspelen. We hebben zulke plekken zo hard nodig, maar we botsen opnieuw op de muren van de kokers: je zit in de ziekenhuiswetgeving, in de PVT-reglementering, in het beschut wonen of in de ambulante hulpverlening. Flexibele tussenvormen zijn zo moeilijk te realiseren met die kaders. We zetten erg in op de medische hulpverlening, maar patiënten hebben vele noden: op het vlak van wonen, financiën, juridisch, administratief, sociaal…”

U bent een groot voorstander van intersectorale samenwerking. Hoe komt het dat Emmaüs zo weinig navolging krijgt? Woonzorgcentra met nood aan groepsvorming zoeken contact met andere woonzorgcentra. Idem voor zorgaanbieders voor mensen met een beperking. Soort zoekt soort, lijkt het wel.

“Intersectorale samenwerking is niet bevorderlijk voor de bestuurlijke eenvoud. Maar dat weegt niet op tegen de voordelen. Bestuurlijke eenvoud is geen doel op zich. Het is de visie die een organisatie moet aansturen. Organisatorisch is het gemakkelijker om met gelijksoortige voorzieningen samen te werken, maar als je de complexiteit aanvaardt, krijg je een mooie kruisbestuiving. We zoeken vanuit onze diversiteit naar toegevoegde waarde. Samenwerking is evenmin een doel op zich, ze is altijd inhoudgedreven. We laten ons niet opsluiten in onze structuur. Elke Emmaüs-organisatie werkt ook samen met partners buiten de groep. Vanuit de inhoud zoeken we de juiste partners, binnen en buiten de groep, heel flexibel, zonder vaste structuren.”

“Het democratisch deficit weegt op het maatschappelijk weefsel en de inclusie”

De coronacrisis heeft weer eens de vinger gelegd op de verlammende complexiteit van onze staatsstructuur. De overheid wil nu ‘een dialoogplatform over de toekomst van het Belgische federalisme’ organiseren. Een goed plan?

“Ik ben een absolute believer van dialoog en participatie. Maar die komen niet vanzelf, het is hard werken. Gewoon even de mening van de mensen vragen, volstaat niet. Een grote groep mensen voelt zich al langer niet meer gehoord of vertegenwoordigd. Dat democratisch deficit weegt op het maatschappelijk weefsel en de inclusie. Dat heeft op onze doelgroepen een enorme impact, want kwetsbare mensen zijn de eerste slachtoffers als we de samenleving niet meer goed georganiseerd krijgen. In burgerparticipatie moet je investeren. Je moet dat professioneel organiseren en faciliteren. Ik geloof daarin, ook het middenveld en het verenigingsleven kunnen daarin een belangrijke rol spelen. De methodieken bestaan. Maar het mag in geen geval een onderonsje voor de happy few of de believers worden.”

Rond deze tijd vorig jaar sprak u de hoop uit dat we na covid-19 niet terug zouden keren naar business as usual. Hoe langer de crisis duurt, hoe meer het erop lijkt dat er uiteindelijk weinig of niets fundamenteels zal veranderen. Of toch?

“Ik doelde toen eerst en vooral op de lippendienst die velen aan de zorgverleners bewezen tijdens de eerste lockdown. Ik wou niet dat het bij woorden bleef. Ondertussen zijn de overheden effectief over de brug gekomen. Dat is alvast een belangrijke stap in de goede richting. We hebben het momentum gegrepen voor een inhaalbeweging voor de zorgsector.

Daarnaast is er het bredere maatschappelijke verhaal. Wat ik indrukwekkend vond in het begin van de coronacrisis, is dat het plots voor iedereen zeer helder werd. De samenhang der dingen werd duidelijk. We beleefden die eerste coronamaand samen, met dezelfde ervaringen op hetzelfde tijdstip, allemaal tegelijk. Dat gaf kracht en energie. We deelden allemaal in hetzelfde gevoel. Dat was ongelooflijk. Ik wou dat we dat gevoel konden vasthouden. Het is duidelijk dat virussen globaal zijn. Dat we wereldsolidariteit nodig hebben. Dat burcht Europa als een veilige haven een illusie is. Als we belang hechten aan onze waarden, moeten we onze verantwoordelijkheid nemen, ook op wereldniveau. Dan denk ik bijvoorbeeld aan het klimaat. We maken nu een pandemie mee en volgens experts zal het niet de laatste zijn. Of neem migratie. Corona heeft alles veel reëler gemaakt. Alles hangt samen. Zolang we niet allemaal gevaccineerd zijn, zullen nieuwe varianten van het virus opduiken en ons leven bepalen. Dat besef zou er nu moeten zijn. Hoop ik.

Ook de medemenselijkheid tijdens die eerste coronagolf wil ik koesteren. Ik vond dat zo mooi. Ik werd daar heel gelukkig van. Mensen die elkaar niet kenden, praatten plots met elkaar. Je voelde de solidariteit overal. Dat was een enorme ervaring. Ook hoe mensen begrip toonden voor de maatregelen in die beginfase, het gevoel dat we er ons samen doorheen zouden slaan, maakte veel mogelijk. Die energie moeten we meer durven aanspreken. Verbinding is een menselijke behoefte.”Wat is het bijzonderste dat u persoonlijk geleerd hebt uit de coronacrisis?

“Het belang van sociale cohesie. Tijdens de lockdown vorig jaar was de eigen buurt nagenoeg het enige wat ons restte. De sociale cohesie, zeker toen een angstcultuur dreigde, zal me altijd bijblijven. Tegelijk voelde je hoe snel dat kan omslaan in een controlerende en door angst gedreven samenleving waarin iedereen elkaar in het oog houdt en agressief wordt als iemand zijn mondmasker niet draagt. Harmonieus samenleven is zo belangrijk voor mij. Ik wil geen samenleving waar agressie en geweld permanent onderhuids aanwezig zijn. Met de coronacrisis balanceren we soms op het randje. Een harmonieuze samenleving biedt me echte vrijheid. Niet de vrijheid om te doen wat ik wil, maar de vrijheid om me veilig te voelen in een omgeving waar mensen rekening houden met elkaar en zorg dragen voor elkaar. Ik pas voor vrijheid gebaseerd op regels, straffen en controle. Dat mag en dat zal niet ons samenlevingsmodel worden.”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS


Gerelateerde berichten

Leeftijdsdiscriminatie in de zorg

Steeds meer stemmen en opinies weerklinken over de manier waarop we kijken naar ouderen en ouder worden

#kiesvoordezorg

Project Intersectoraal Fonds voor de Gezondheidsdiensten biedt opleidingskansen en werkzekerheid

“Ageism speelt gezondheidszorg voor ouderen parten”

Geriater Hilde Baeyens trekt aan de alarmbel

Van ontwikkelingshulp naar samenwerkingsontwikkeling

Zorgnet-Icuro en Lisanga investeren samen in het Congolese Kutu

Onze insteek is vrij simpel: ‘Kom binnen. Zet u. Oe ist?’

Team vrijwillige ervaringsdeskundigen draagt inloophuis T’hus

Een Buffalo met dementie blijft een Buffalo!

AZ Maria Middelares zet in op dementievriendelijkheid

“Kwetsbare mensen vertrouwen sociale professionals. Daar spring je niet lichtzinnig mee om”

Zorgethica Yvonne Denier bundelde haar ervaringen in nieuw boek ‘Het pluisbloemeffect. Hoe ethiek in de zorg aanstekelijk werkt’: “In sterke teams mogen medewerkers vragen stellen, twijfelen en struikelen.”