INTERVIEW MET RUDY VAN DE VOORDE, DIRECTEUR-GENERAAL VAN HET GEVANGENISWEZEN

EEN POSITIEVE BENADERING WERKT BETER DAN LOUTER STRAFFEN

Rudy Van De Voorde begon zijn loopbaan als psychiatrisch verpleegkundige in PZ Sint-Alexius in Grimbergen. Later studeerde hij criminologie en gaf hij zijn carrière een nieuwe wending. “Maar ik pluk nog altijd de vruchten van wat ik in de psychiatrie heb geleerd”, benadrukt hij. Vandaag is Rudy Van De Voorde directeur-generaal van het gevangeniswezen. De link met de (geestelijke) gezondheidszorg is nooit ver weg.

De omstandigheden in het najaar 2018 om te starten als directeur-generaal waren niet ideaal,” steekt Rudy Van De Voorde van wal. “De legislatuur sleepte zich naar haar einde, er waren sociale conflicten en de gevangenisbevolking steeg opnieuw. Het masterplan voor de bouw van nieuwe gevangenissen liep bovendien vertraging op, terwijl er in afwachting al een tijdje niet meer was geïnvesteerd in de bestaande infrastructuur, met alle gevolgen van dien. Het is in zo’n context moeilijk om plaats te maken voor constructieve initiatieven en een positief verhaal. Maar de feiten zijn wat ze zijn en ik wil ze niet inroepen als excuus voor immobilisme.”

“Positief is dat het uitvoeringsbesluit ‘detentieplanning’ er sinds kort is. Voor iedere veroordeelde komt er nu een individueel detentieplan. Dat laat toe om op een meer gestructureerde manier het verblijf in de gevangenis te plannen. Zo kunnen we op maat van het individu iets opbouwen voor een goede re-integratie in de samenleving. We kunnen beter dan vroeger inspelen op individuele noden en ruimte maken voor zinvolle tijdsbesteding, zodat de gedetineerde beter voorbereid is voor elke nieuwe fase in zijn strafuitvoering.”

Ook de penitentiaire gezondheidszorg is aan een hervorming toe. Wat is daar de stand van zaken?
Een studie van het Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) geeft aanbevelingen voor meer kwaliteit, toegankelijkheid en onafhankelijkheid van de gezondheidszorg voor gedetineerden. Het luik gezondheidszorg wordt daarvoor overgedragen van het federale beleidsdomein Justitie naar Gezondheidszorg. Maar uiteindelijk blijft het een kwestie van middelen voor een gelijkwaardige gezondheidszorg, om het even wie verantwoordelijk is. Een arts moet in de gevangenis met dezelfde standaarden werken als erbuiten, maar de omgevingsfactoren zijn anders. Denk maar aan de beperkte mogelijkheden voor beweging en een aangepast dieet. Die factoren verdienen aandacht. Voor de somatische tweedelijnszorg kunnen de gevangenissen waar nodig een beroep doen op de civiele gezondheidszorg, bijvoorbeeld in een algemeen ziekenhuis. Voor de geestelijke gezondheidszorg van de tweede lijn ligt dat moeilijker. Die moeten we in de gevangenissen zelf organiseren. Maar hoe? Het moet in elk geval beter dan vandaag. Therapeutische vrijheid is belangrijk, daarover is iedereen het eens. Het veiligheidsaspect is minder helder. Afzondering, gedwongen behandeling, medische isolatie … In de gevangenissen staan we voor dezelfde uitdagingen als in de psychiatrische ziekenhuizen. Zonder iemand met de vinger te wijzen: herinner je de heisa over Levanta in Zelzate, waar veiligheidsissues gemedicaliseerd werden? Het is overal zoeken… Ons land voldoet niet aan de internationale normen voor zorgpersoneel. Het is een probleem van ontoereikende budgetten. Daarbovenop zijn er de knelpuntberoepen: artsen, verpleegkundigen, psychiaters… Weinigen kiezen voor de gevangenis als hun voorkeurswerkplek. En dit jaar studeren er geen verpleegkundige bachelors af. Dat maakt het allemaal nog nijpender. De overheveling van Justitie naar Gezondheidszorg lost die problemen niet op. Toch is het een opportuniteit. Vooral voor een betere continuïteit vóór en na de opsluiting. Nu laat de continuïteit in het patiëntendossier vaak nog te wensen over. Maar de fundamentele knelpunten blijven. Bijvoorbeeld de artificiële overconsumptie van medicatie door een gebrek aan alternatieven zoals sportactiviteiten. Een eerstelijnspsycholoog kunnen we ook niet inschakelen. Het gebruik van medicatie ligt hoog in de gevangenissen.

Een studie uit 2017 (Favril e.a.) toont dat vier op tien gedetineerden een voorgeschiedenis van een psychiatrische behandeling hebben.
Ik kan dat cijfer niet bevestigen, maar veel gedetineerden dragen een rugzak met zich mee. Velen worstelen al jaren met zichzelf en met de samenleving: problemen op school, een verblijf in de jeugdzorg of een gemeenschapsinstelling enzovoort. Die voorgeschiedenis zet een domper op onze ambities. De verwachtingen van de samenleving in het gevangeniswezen zijn soms onrealistisch: na een lang traject van tegenslagen en mislukkingen zou de gevangenis alle problemen kunnen oplossen en elke gedetineerde met succes re-integreren in de samenleving. Dat kan niet. Er is veel psychisch en sociaal lijden bij de gevangenen. De striktere toepassing van de internering is een goede zaak, maar er zijn veel meer gedetineerden met psychische problemen. Ook zij hebben zorg nodig. En dan heb ik het over alle categorieën van gedetineerden. Bij extremisten bijvoorbeeld is psychopathologie significant aanwezig. Dat zijn geen 100% religieuze fanatici of mensen die rationeel kiezen voor radicalisme; er speelt ook psychisch lijden. Ook in het druggebruik zien we een evolutie. Druggebruik was vroeger vooral een probleem bij jonge gedetineerden. Vandaag worstelen ook steeds meer ouderen met middelenmisbruik. De vergrijzing zet zich ook in de gevangenissen door, met de stijgende zorgbehoefte die daarmee gepaard gaat.

Veiligheid in een gevangenis is cruciaal, maar re-integratie en het voorkomen van recidive evenzeer. U pleit voor verandering.
We moeten het primaat van de veiligheid herdenken. De gevangenis moet een veilige plek zijn, dat is juist. Maar we moeten tegelijk rekening houden met de impact op het leven in de gevangenis. Gidslanden kiezen er al een tijd voor om vooral de periferie rond de gevangenis te beveiligen, zodat niemand ongewenst binnen noch buiten kan. Maar binnen de muren van de gevangenis moeten we streven naar een zo normaal mogelijk leven, zonder zichtbare beveiliging. We moeten gedetineerden meer autonomie durven geven. Het is een fundamentele keuze. Vandaag telt een gevangenis 80% bewakingspersoneel en 20% personeel voor alle andere aspecten: administratie, directie, zorg … Dat moet omgekeerd. Landen die inzetten op bejegening en minder op veiligheidspersoneel hebben lagere recidivecijfers. Ook de forensische centra in Antwerpen en Gent tonen dat het kan. De veiligheid is er geïntegreerd in het zorgconcept. Daar werken 20% veiligheidsmensen en 80% zorgpersoneel. Veiligheid lukt beter met goede bejegening en de juiste omgeving dan met louter procedures en vrijheidsbeperking.

Maatschappelijk ligt dat verhaal niet gemakkelijk?
We moeten garant staan dat vluchten uit de gevangenis niet kan. Want dat accepteert de samenleving niet, en terecht. Daarom moet de periferie goed worden beveiligd en bewaakt. In Madrid hebben ETA-gevangenen meer autonomie dan onze gevangenen. Hetzelfde geldt voor de maffiosi in de Italiaanse gevangenissen. Dat zijn geen kleine jongens en de gevangenissen worden streng bewaakt, maar tegelijk is er aandacht voor autonomie en zelfredzaamheid. De Scandinavische landen gaan nog een stap verder. Zij geven minder én kortere gevangenisstraffen en leggen betere recidivecijfers voor. Anders Breivik kreeg de maximum celstraf van 21 jaar voor de moord op 80 mensen. De samenleving kon daarmee leven. Wij hebben een heel andere bestraffingscultuur.

Is dat historisch gegroeid? Hebben de Scandinavische landen altijd een andere bestraffingscultuur gehad?
Neen, ook zij hadden vroeger meer gevangenen en strengere straffen. Ze hebben op een bepaald moment het geweer van schouder veranderd. Met succes. Er zijn minder gedetineerden, de straffen duren korter en er wordt intensiever ingezet op re-integratie. De kans op recidive ligt er iets onder de 20%, bij ons is die iets hoger dan 50%. Wat is dan de meest efficiënte aanpak? Maar de perceptie is anders.

“De Scandinavische landen geven minder én kortere gevangenisstraffen en leggen betere recidivecijfers voor. Anders Breivik kreeg de maximum celstraf van 21 jaar voor de moord op 80 mensen. De samenleving kon daarmee leven. Wij hebben een heel andere bestraffingscultuur.”

De beeldvorming moet worden bijgestuurd?
Er zal daarover altijd polarisatie zijn. Een consensus zie ik niet snel ontstaan. Maar de overheid moet de lead durven nemen. De overheid moet de pretentie durven hebben het beter te weten. We kunnen bouwen op de goede praktijken in andere landen. Internationaal is er een verschuiving aan de gang. Wat telt, is het langetermijneffect.

Ik hoor al jaren dat de criminaliteitscijfers dalen. En toch is het onveiligheidsgevoel nog nooit zo groot geweest. Eén aanslag volstaat om al het positieve teniet te doen. Toch moet een overheid volharden in haar keuze voor maatregelen die echt werken. Ook als dat betekent dat je tegen de perceptie in moet gaan. Een positieve benadering werkt beter dan louter straffen. Dat is bij kinderen net zo.

U verwees daarnet al naar de nood aan continuïteit op het gebied van gezondheidszorg. Meer in het algemeen is de brug tussen binnen en buiten cruciaal. Hoe staat het daar vandaag mee?
We komen uit een tijd van silo’s: het gerecht, de politie, de hulpverlening … allemaal silo’s naast elkaar. Als het radicalisme één positief gevolg heeft, dan wel dat we stilaan uit dat silo-denken klauteren. Gedetineerden die in voorwaardelijke vrijheid komen, worden verder opgevolgd door een Justitiehuis, eventueel met de medewerking van een CGG. Maar wie zijn straf tot op het einde uitzit, komt vrij zonder voorwaarden en dan is er geen opvolging voorzien. Vandaag zorgen we wel al voor een ‘warme overdracht’, wat betekent dat we politie en andere veiligheidsdiensten op de hoogte brengen met een eindevaluatie vanuit de gevangenis. Tegelijk vind ik dat een gevangenisstraf de gedetineerde niet mag blijven achtervolgen. Op een zeker ogenblik moet je die mensen durven loslaten, zodat iedereen dat hoofdstuk kan afsluiten. Maar voor een bepaalde groep voel je dat je dat toch niet zomaar kan. Daaraan werken we op dit ogenblik. Ook met de lokale besturen. Zij krijgen informatie vanuit de gevangenis die hen kan ondersteunen in een post-penitentiair traject, bijvoorbeeld in samenwerking met de politie of met het OCMW.

Houdt het masterplan voor de gevangenissen al rekening met de veranderende visie?
Er zijn nieuwe gevangenissen gebouwd in Beveren, Leuze-en-Hainaut en Marche-en-Famenne. Dat zijn moderne, propere en goed uitgeruste varianten van de klassieke gevangenis. In de gevangenissen die nog gepland zijn, wordt meer rekening gehouden met de nieuwe visie. We streven naar eenheden met kleinere leefgroepen: geen 150 gedetineerden samen, maar leefgroepen van 20 tot 30 gevangenen. Dat laat meer differentiatie toe. Je kan bijvoorbeeld alle gevangenen van 18 tot 25 jaar samenbrengen. Ook gevangenen die meer zorg of veiligheid nodig hebben, kunnen dan in een aparte leefgroep. Zo kunnen we de ‘detentieschade’ tot een minimum beperken. De toekomstige gevangenisgebouwen worden sturend en belemmerend. Ze laten meer flexibiliteit toe. Tegelijk hebben we dan andere profielen van personeel nodig. Medewerkers die meer tussen de gevangen leven. Wie goed in zijn vel zit, veroorzaakt minder veiligheidsproblemen. Het gebouw, het personeel, de attitudes … het hangt allemaal nauw samen.

Het is opvallend hoezeer de vernieuwing die u nastreeft aansluit bij evoluties in de (psychiatrische) zorg.
Dat klopt en we weten dat dat werkt. Door een gebrek aan plaatsen in eigen land heeft België zeven jaar lang de gevangenis in Tilburg beheerd. Dáár moeten we naartoe. Dáár hebben we gezien dat het kan. Een keer je in Tilburg voorbij de barrière van de gevangenis kwam, leefden gevangenen en personeel als één team samen met respect voor elkaars normen en waarden en met een toekomstgericht plan. We hebben in die zeven jaar ervaring opgedaan en er is een vergelijkend onderzoek gevoerd over de perceptie bij gedetineerden die van een Belgische gevangenis naar Tilburg waren overgebracht. De methode Tilburg is de toekomst. Maar we zullen nog veel kleine en grote drempels moeten overwinnen. Een klein voorbeeld: in Tilburg organiseren en beheren de gevangen zelf de bibliotheek, maar in België kan dat niet zomaar, want een gevangenisbibliotheek is gemeenschapsmaterie… Maar het moet mogelijk zijn om samen naar win-winsituaties te streven. Daar wil ik 100% op inzetten.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS