leen de wispelaere
7 februari 2017

HOLEBI'S EN TRANSGENDERS IN WOONZORGCENTRA

AANWEZIG, MAAR ONDER DE RADAR

“Wij kennen geen holebi- of trans­genderbewoners.” Dat krijgt Leen De Wispelaere, projectmedewerker voor woonzorgcentra bij KliQ vzw, vaak te horen wanneer ze met woonzorgcentra over genderidentiteit en seksuele diver­siteit praat. “Het kan dat er vandaag heel weinig holebi’s in woonzorgcentra verblijven. Maar ik merk in de praktijk dat het thema nog steeds een taboe is, ondanks de goodwill bij medewerkers en directies in woonzorgcentra.”

Leen De Wispelaere was een van de drijvende krachten achter de studiedag ‘Tachtig tinten’ over genderidentiteit en seksuele diversiteit in woonzorgcentra. De studiedag werd in januari in Gent georganiseerd door het Vlaams Agentschap Zorg & Gezondheid en het expertisecentrum KliQ vzw, waarvoor Leen De Wispelaere werkt. Holebi’s en transgenders hebben voor een belangrijk deel het taboe van vroeger van zich afgeschud, maar volgens Leen De Wispelaere blijven studiedagen zoals ‘Tachtig tinten’ een noodzaak. Leven als holebi of transgender in een woonzorgcentrum vraagt nog enkele aandachtspunten.

GEEN CIJFERS, WEL VAN BELANG

“Vandaag leven ongeveer 200.000 holebi- en transgenderouderen in België. Dat is een ruwe inschatting”, steekt Leen De Wispelaere van wal. “We kunnen ervan uitgaan dat als drie tot acht procent van de bevolking geen hetero is, we die lijn kunnen doortrekken naar de oudere generaties, ook in woonzorgcentra. Het thema zal de komende jaren sterk aan belang winnen. Meer en meer mensen komen vandaag zonder al te veel problemen uit de kast. Holebi zijn is al veel bespreekbaarder geworden. Seksuele diversiteit wordt voor woonzorgcentra op termijn een belangrijk aandachtspunt. Centra die op maat van de bewoners willen werken en ouderen een echt thuisgevoel willen geven, zullen hiervoor aandacht moeten hebben.”

DREMPELS

Toch ligt de drempel om uit de kast te komen in woonzorgcentra vandaag nog best hoog. Leen De Wispelaere: “Al meer dan één journalist heeft geprobeerd om een reportage te maken over holebi’s in woonzorgcentra, maar het blijkt nog bijzonder moeilijk om daarover verhalen los te weken. Dan bots je op het dilemma van de kip of het ei: wonen er weinig holebi’s in woonzorgcentra of spelen ouderen niet graag open kaart over hun geaardheid?

“Woonzorgcentra die op maat van de bewoners willen werken en ouderen een echt thuisgevoel willen geven, zullen ook aandacht moeten hebben voor seksuele diversiteit.”

In mijn job merk ik dat de drempel inderdaad nog best hoog ligt voor holebi’s om zich te outen in een gesloten omgeving zoals een woonzorgcentrum. Ouderen hebben vaak de maatschappelijke evolutie richting meer openheid en holebirechten niet actief meegemaakt en zij ervaren seksuele diversiteit nog als een taboe. Ik merk dat holebi’s in woonzorgcentra hun geaardheid vaak geheimhouden, meer uit vrees voor negatieve reacties van hun generatiegenoten dan van het personeel. Zo ken ik een man die zijn hele leven mee op de barricaden heeft gestaan voor holebirechten, maar die eenmaal in het woonzorgcentrum weer in de kast kroop. Hij vond het gewoonweg niet comfortabel om daarover open te zijn bij zijn woongenoten.”

DE LIEVE ZUS DIE GEEN ZUS IS

Dat holebi-ouderen geen of minder schroom voelen ten opzichte van mede­werkers in woonzorgcentra, is heel terecht volgens Leen De Wispelaere. “Zorgverleners kunnen een bepaalde mening hebben, maar ze zijn getraind om iedereen met dezelfde zorg te omringen. Toch pleit ik ervoor om seksuele diversiteit meer expliciet op te nemen in kwaliteitsprogramma’s en de hoofdstukken over partnerrelaties, intimiteit en seksualiteit daarin.

Een van de grootste werkpunten in de ouderenzorg is afstappen van het – vaak heel onbewust – heteronormatief denken. Dikwijls worden heel snel veronderstellingen gemaakt over de achtergrond van bewoners. Zo vertelde een zorgkundige me dat ze ooit een bewoonster terloops eens aansprak over haar zus, die haar toch zo regelmatig bezocht. De vrouw antwoordde daarop dat de bezoekster helemaal niet haar zus, maar haar levenspartner was. Daarom geef ik in woonzorgcentra vaak de tip om oog te hebben voor het relationele netwerk van bewoners. Let bijvoorbeeld op de foto’s in de kamers van bewoners en laat mensen zelf vertellen over hun bezoekers. Door die bewoonster aan te spreken op de bezoekjes van ‘haar zus’, werd zij de facto gevraagd om plots uit de kast te komen en dat vond ze wellicht niet zo prettig. Ook vragen zoals ‘ben je getrouwd?’ en ‘hoe heet je man?’ lijken banaal, maar kunnen gevoelig liggen. De communicatie van woonzorgcentra kan dus vaak meer genderneutraal verlopen.”

EXTRA WAAKZAAM

Een kwaliteitssysteem zoals PREZO Woonzorg biedt veel kansen om werk te maken van seksuele diversiteit. Leen De Wispelaere: “Ik denk aan de domeinen zingeving en sociaal welbevinden. Voor ouderen is het belangrijk om sociale relaties te onderhouden. Maar holebi’s lopen extra risico op eenzaamheid en depressie. Ze hebben bijvoorbeeld vaak geen gezin opgebouwd. Sommigen trouwden en kregen wel kinderen, maar scheidden uiteindelijk toch en verloren het contact met hun gezin. Anderen werden door hun familie zelfs verstoten. Dat maakt het netwerk van holebi’s soms precair. Zorgverleners zouden bij die doelgroep dus extra waakzaam moeten zijn voor eenzaamheid en depressie.”

TRANSGENDERS

Ook op het vlak van lichamelijk welbevinden ziet Leen De Wispelaere enkele gevarenzones. “Vandaag wonen nog maar heel weinig transgenders in woonzorgcentra, maar in de toekomst zal die groep ook instromen. Voor hen zijn er specifieke aandachtspunten. Zo is er de medische component. Transgenders moeten ook op latere leeftijd hormonen blijven innemen. Het is belangrijk dat hun zorgverleners daarvan op de hoogte zijn.

En dan heb je natuurlijk ook nog de lichamelijke diversiteit bij transgenders. Ik ken een oudere transvrouw. Ze neemt hormonen, maar ze wil zich niet meer laten opereren gezien haar hoge leeftijd. Ze heeft dus uiterlijke kenmerken van beide geslachten. Je kan je wel voorstellen hoe belangrijk het is voor personen zoals zij om op een correcte manier benaderd te worden in een zorgproces. Zo vond ze het bijzonder kwetsend om tijdens een consultatie in het ziekenhuis met ‘meneer’ aangesproken te worden terwijl ze in haar bh stond. Genderidentiteit kan dus iets anders zijn dan wat je daarvan als verzorgende maakt. Als zorgverlener kan je ook voor die doelgroep met kleine dingen soms een wereld van verschil maken.”


PRAKTIJKVOORBEELD WOONZORGCENTRUM GOUDBLOMME: “VOORAL NOG ANGST VOOR REACTIES VAN GENERATIEGENOTEN”

“We zijn niet wereldvreemd. In ons woonzorgcentrum kunnen cliënten open zijn over hun seksuele voorkeur en beleving. Als organisatie proberen we het juiste klimaat daarvoor te creëren en onze mede­werkers gaan professioneel om met die thema’s. Maar ouderen hebben het vaak nog moeilijk om zich te outen, vooral uit vrees voor de reacties van mede­bewoners”, aldus Rudi Janssen en Steven Van Wortswinkel van woonzorgcentrum Goudblomme in Antwerpen.

Bij woonzorgcentrum Goudblomme, onderdeel van woonzorggroep GZA, staan intimiteit en seksualiteit al langer op de agenda. In 2014 startte het centrum een intern project om zorgmedewerkers beter te laten omgaan met seksualiteit bij cliënten (zie Zorgwijzer nr. 55) en seksualiteit stond in 2015 op de kwaliteitsagenda. “Partnerrelatie, intimiteit en seksualiteit zijn één van de zestig zelfevaluatie-instrumenten van het kwaliteitsinstrument PREZO Woonzorg”, vertelt Steven Van Wortswinkel, coördinator Kwaliteit en Wonen in het woonzorgcentrum. “Kwaliteitsvolle zorg aanbieden betekent voor ons vertrekken vanuit het totaalbeeld van een cliënt. Dat betekent dus ook de seksuele geaardheid van bewoners respecteren. In de praktijk zit dat respect vervat in details van onze zorg, maar ze kunnen het verschil maken voor cliënten.”

THEORIE EN TABOE

Seksuele diversiteit is dus een thema dat het woonzorgcentrum niet uit de weg wil gaan. Tot nu toe bleef het weliswaar vooral bij een theoretische oefening. “Nog niet veel ouderen bij ons hebben al aangegeven holebi te zijn”, zegt zorgdirecteur Rudi Janssen. “De huidige generatie ouderen lijkt het moeilijk te hebben om zich te outen ten opzichte van medebewoners. Ze hebben geen angst voor de reacties van zorgmedewerkers, maar wel van hun generatiegenoten. We hebben bijvoorbeeld weet van een bewoner die homo is, maar hij wil om die reden niet openlijk daarover communiceren. We respecteren die bewuste keuze. Wat de cliënt zelf wil, is ons startpunt. Wij hechten hoe dan ook veel belang aan een professionele houding van onze medewerkers. Dat wil zeggen dat onze medewerkers, ongeacht hun religieuze achtergrond of voorkeuren, respect hebben voor de seksuele beleving en behoeften van onze cliënten. We hebben intern een traject afgelegd waardoor seksualiteit nu vlot bespreekbaar is. PREZO heeft ons daarbij geholpen. Thema’s zoals spiritualiteit en seksualiteit werden bespreekbaar en we leerden om meer de mens achter de cliënt te zien.”

CONCREET

PREZO is volgens Rudi Janssen en Steven Van Wortswinkel een trigger om grondig na te denken over de manier waarop woonzorgcentra hun zorg organiseren en om concreet werk te maken van zorg die vertrekt vanuit de cliënt. En daarbij verdienen onderwerpen zoals gender­identiteit en seksuele identiteit hun plaats. “PREZO wijdt een specifiek domein aan seksualiteit, maar van experten zoals Leen De Wispelaere leren we dat je als woonzorgcentrum die thema’s ook moet meenemen in andere domeinen”, licht Steven Van Wortswinkel toe. “Een concreet voorbeeld: in het domein wonen kan je afspraken maken over de manier waarop je bewoners aanspreekt. In een zorgproces lijkt dat misschien een futiliteit, maar voor transgenders is dat bijzonder belangrijk en bepaalt dat hun ervaringen en de kwaliteit van zorg. Dat is voor ons bijgevolg een goede reden om daaraan aandacht te geven.”

KANSEN

“We zien nog kansen om seksuele diversiteit mee te nemen in onze zorg. We denken dan aan gestandaardiseerde processen zoals de eerste gesprekken met nieuwe bewoners 48 uur en 8 weken na hun verhuis. Die gesprekken kunnen een karrevracht aan specifieke informatie opleveren. Wat een cliënt, eventueel samen met zijn of haar partner, dan met ons deelt, vormt het startpunt voor ons zorgpakket. Seksualiteit kan daarvan een onderdeel van uitmaken.” “Dat maakte de analyse van Leen De Wispelaere tijdens de studiedag ook zo interessant”, besluit Rudi Janssen. “Wij kennen het kwaliteitsverhaal door en door en zij weet alles over de doelgroep van transgenders en holebi’s. We kunnen van experts zoals zij nog veel tips en tricks over kwaliteitsvolle zorg voor iedereen leren.”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: PETER DE SCHRYVER