jo vandeurzen

INTERVIEW MET JO VANDEURZEN, 10 JAAR VLAAMS MINISTER VAN WELZIJN, VOLKSGEZONDHEID EN GEZIN

BEDENK TELKENS DAT HET OM JE MOEDER, VADER OF KIND KAN GAAN …

Wat Jo Vandeurzen na mei 2019 gaat doen, is ook voor hem nog een vraagteken. Een functie waarin hij kan bogen op zijn brede ervaring in justitie, welzijn, gezondheidszorg en/of ziekenhuis­management? Mogelijk, zegt hij. Maar misschien ook iets helemaal anders. Iets creatiefs. Wie weet. 

We laten de minister zelf terugkijken op de voorbije twee ambtstermijnen. Dat doet hij ook in zijn boek Zorg voor elkaar, dat in april verschijnt. Zijn verwezenlijkingen in de verf zetten, vindt hij toch een lastige oefening. Relativiteit en bescheidenheid zijn op hun plaats, zeker in het licht van de geschiedenis, meent hij. Maar toch… eenmaal van wal gestoken, is er nauwelijks een speld tussen te krijgen. En alles lijkt met alles verbonden.

Tijdens mijn ministerschap zijn grote transitiebewegingen in zowat alle beleids­domeinen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin toch de belangrijkste rode draad geweest. Denk aan de hervormingen in de Integrale Jeugdhulp en de langdurige zorg, een nieuw toekomstperspectief voor de woonzorgcentra, een ander systeem van financiering voor personen met een beperking, de opbouw van de Vlaamse sociale bescherming, de kinderbijslag, de uitbouw van opvoedingsondersteuning in heel Vlaanderen via de Huizen van het Kind, de digitalisering van de zorg met o.a. Vitalink … De logica achter al die transities is het streven naar meer intersectorale benaderingen, meer multidisciplinariteit, een grotere focus op vroegdetectie en vroeginterventie, vraaggestuurde in plaats van aanbodgedreven zorg.

Hoe sluiten die bewegingen aan op het onderliggende thema dat u misschien wel het nauwste aan het hart ligt: de vermaatschappelijking van de zorg?
Zorg moet in de eerste plaats mensen in staat stellen om te participeren aan de samenleving. Zorg moet emanciperen. Zorg is pas goede zorg als mensen het gevoel hebben erbij te horen. Als ze volop en authentiek deel uitmaken van de maatschappij. Daarnaast moet de zorg ook in en vanuit die samenleving komen. Zorg hoort bij het leven van elke dag: in het gezin, op school, het werk, in de buurt. Verbonden zijn met de mensen uit je omgeving, je eigen identiteit hebben, het krijgen van zekerheid … het zijn toch de belangrijke ankerpunten in een wereld die meer en meer globaliseert. Vermaatschappelijking van de zorg is inderdaad een thema waar vriend en tegenstander van zullen zeggen: “Daar heeft Vandeurzen toch wel heel sterk op ingezet.” 

Critici wijzen er nochtans op dat vermaatschappelijking van zorg mensen terugduwt naar hun eigen sociaal netwerk, dat de overheid zich terugplooit of dat het zelfs een platte besparingsoperatie is.
Ik ken die kritiek, maar ontken ze met klem. Cijfers tonen het tegendeel aan. Zowel in de vorige, maar zeker in deze legislatuur, is het Vlaamse budget voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin spectaculair toegenomen van 10,6 miljard euro in 2015 naar 12,9 miljard in 2019. Voor diverse specifieke sectoren is die toename nog opvallender: tussen 2017 en 2019 gingen de bijkomende investeringen in de zorg voor personen met een handicap van 5 miljoen euro naar meer dan 330 miljoen euro extra, voor kinderopvang van 33,5 naar 82,5 miljoen, in de gezinszorg van 17 miljoen naar 50 miljoen, voor VIPA van 100 naar 140 miljoen. Als ik enkele jaren geleden met collega’s uit andere landen sprak, dan was ik zo ongeveer de enige die kon zeggen dat wij er met onze zorg budgettair op vooruitgingen. 

“Ik ben er mij als eerste van bewust dat we in die tien jaar sommige dingen beter of minstens op een andere manier hadden moeten aanpakken. Maar de stappen in al die transities zijn wel effectief gezet. De fundamenten liggen er.”

De associatie dat vermaatschappelijking een alibi van de overheid is om zich terug te trekken uit de zorg, komt wellicht overgewaaid uit Nederland. Daar heeft de nationale overheid de verantwoordelijkheid over welzijn bij de lokale overheden gelegd en tegelijkertijd fors gesnoeid in het budget. 

Maar gaat vermaatschappelijking niet hand in hand met de afbouw van residentiële en intensieve ondersteuning? Komt de kritiek niet daar vandaan?
De fundamentele gedachte achter vermaatschappelijken – kwetsbare en fragiele mensen een plaats geven in de samenleving – heeft nooit ter discussie gestaan. Zeker niet als we het hebben over mensen met langdurige zorgvragen. Of het nu gaat over de residentiële ouderenzorg, waar we van een medisch model evolueren naar een zorg- en leefgemeenschap. Of over de persoonsvolgende financiering voor personen met een beperking, die veel meer mogelijkheden biedt voor inclusie. Over kleinschalig wonen met ondersteuning. Of over de geestelijke gezondheidszorg die we willen versterken in de nulde en de eerste lijn … het is altijd wel vanuit dezelfde redenering: mensen meer laten participeren aan de samenleving.

We moeten stoppen met te denken dat we alle zorgvragen kunnen beantwoorden door meer en meer te investeren in instellingen en residentiële zorg. Pas op, ik doe geen enkele afbreuk aan de waarde van goede voorzieningen. Integendeel, je hebt die voorzieningen hard nodig. Vermaatschappelijking is niet hetzelfde als voortdurend bedden afbouwen. Fragiele mensen hebben nood aan ondersteuning en verzorging in de thuissituatie of in de buurt waar ze leven. We moeten dat nieuwe evenwicht vinden. En dat gaat niet zomaar van vandaag op morgen.

Ook in de gezondheidszorg werden diverse transities doorgevoerd.
We hebben twee trajecten uitgezet: de eerste lijn versterken met onder andere de nieuwe zone-indeling, de recente oprichting van het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn (VIVEL), en de functie van de eerstelijnspsycholoog. Daarnaast ondersteunen we ook samen met de federale overheid de hervormingen in het ziekenhuislandschap. Complexe, zeld­zame, hoogtechnologische en dure ingrepen worden geconcentreerd. Dat houdt de gezondheidszorg betaalbaar, bundelt de expertise en verhoogt de kwaliteit. Daarnaast moet basis-specialistische zorg aanwezig zijn, kort bij de patiënt en in nauwe interactie met de eerste lijn. Met onze zorgstrategische planningsoefeningen hebben we ons loyaal ingeschreven in de ziekenhuishervorming, die wordt aangestuurd vanuit het federale niveau. Die regionale of thematische zorgstrategische planning moet Vlaanderen toelaten de vragen van ziekenhuizen voor investeringssteun of planningsvergunningen beter te beoordelen. Bovendien denken we na over het ziekenhuis van de toekomst. Nog voor het einde van de legislatuur moet hierover een groenboek verschijnen.

Botsen we in België toch niet op de complexe en gefragmenteerde bevoegdheidsverdeling? Ik hoor in alle sectoren de vraag naar meer homogene pakketten.
België heeft geen privilege op complexe staatsstructuren. Ik had onlangs een onderhoud met mijn college uit Noord­rijn-Westfalen. Daar kampen ze met dezelfde problemen. Het opnieuw federaliseren van de gezondheidszorg is voor mij echter niet aan de orde. We proberen in Vlaanderen nu al tien jaar om de schotten tussen gezondheidszorg en welzijnszorg te slopen. Herfederaliseren betekent dat we al die nieuwe links doorknippen. Dat lijkt mij een hoogst onverstandige keuze. Je voelt bovendien dat de dynamiek in Vlaanderen op vlak van volksgezondheid en welzijn anders is dan in andere delen van het land. 

De zesde staatshervorming heeft voor uitdagingen gezorgd, dat klopt, maar ook voor opportuniteiten. Die staatshervorming is nog onvoldoende geabsorbeerd en kan nog verdiept worden. Maar op termijn zullen we toch verder in de richting van de deelstaten evolueren, ik zie geen weg terug. De chronische zorgvragen zullen steeds dominanter worden. Als je dat niet ziet in een geïntegreerde benadering van welzijn en zorg, dan ben je aan het medicaliseren. Daar willen we zeker niet naartoe in Vlaanderen. Dat zouden vele stappen terug zijn.

Wat zit er nog in de pijplijn tussen nu en het einde van de legislatuur? Het decreet over de geestelijke gezondheidszorg?
Ik heb de hervorming van de geestelijke gezondheidszorg altijd al een topprioriteit beschouwd. We beschikken over een kwaliteitsvolle GGZ, maar ze is onvoldoende toegankelijk en situeert zich nog te veel binnen de muren van de psychiatrische ziekenhuizen. Onze ambulante GGZ is onvoldoende uitgebouwd. We hebben wel al veel in beweging gezet. Federaal minister De Block heeft een historische beslissing genomen met de terugbetaling van psychotherapie onder voorwaarden. In Vlaanderen hebben wij zwaar geïnvesteerd in eerstelijnspsychologische functies voor kinderen, jongeren en volwassenen. Als doelgroep komen daar in de nabije toekomst ook ouderen bij. En we hebben een focus gelegd op vroegdetectie en rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp. 

Er moet inderdaad voor het einde van de legislatuur nog een decreet GGZ worden goedgekeurd door het Vlaams Parlement. Binnen de marges van onze bevoegdheid proberen we meer aandacht te geven aan herstelgerichte zorg, zorgcontinuïteit en het inzetten van ervaringsdeskundigheid. Ook de notie van netwerking rond specifieke pathologieën of doelgroepen is in dat decreet sterk aanwezig. Het geeft ons bovendien een kader om die netwerken te erkennen en ondersteunings­financiering te geven. In de toekomst zal de zorg­inspectie van de psychiatrische ziekenhuizen ook meer gericht zijn op het traject dat de persoon met een GGZ-vraag doorloopt. 

Ook de samenwerking met andere sectoren willen we versterken. Bijvoorbeeld tussen Integrale Jeugdhulp en de kinder- en jeugdpsychiatrie. Een belangrijke stap is de oproep waarmee we in heel Vlaanderen de tweedelijnspsychiatrie financieel ondersteunen als zij op een outreachende manier ruggensteun bieden aan jeugdhulpvoorzieningen. In die voorzieningen verblijven heel wat kinderen en jongeren met een complexe zorgvraag, inclusief een vraag rond geestelijke gezondheid. Die voorzieningen hebben niet de competenties om die zorgvragen op te vangen. We hebben goede ervaringen opgedaan met pilootprojecten, nu is het tijd om daarvoor structurele financiering te voorzien. Nog een voorbeeld van een transitie die volop aan de gang is.

“Alles hangt met alles samen. Het is niet altijd of-of, maar vaker een en-en-verhaal. Klimaat gaat ook samen met een andere levensstijl, met preventief denken, met langer gezond blijven.”

Meteen de vraag welke andere grote werven u doorgeeft aan uw opvolger?
Nogal wat, denk ik. Er komen diverse evaluaties aan. Onder andere van de persoonsvolgende financiering en van de manier waarop we dat systeem verder kunnen operationaliseren voor minderjarigen met een handicap. Er zijn ook de evaluaties van de Integrale Jeugdhulp, de inwerkingtreding van het jeugddelinquentierecht, de verdere uitbouw van de Vlaamse Sociale Bescherming, de digitalisering, de monitoring van het Groeipakket, de nieuwe kinderbijslag. Ook dat zal een flink debat opleveren.

Ondanks al die hervormingen is het meest gehoorde verwijt dat u de wachtlijsten niet heeft kunnen wegwerken. Ook de persoonsvolgende financiering voor personen met een beperking lijkt geen oplossing te brengen.
De persoonsvolgende financiering past in een visie op middellange termijn van  hoe we de ondersteuning van mensen met een langdurige zorgvraag het best organiseren. Dat is onderdeel van het care-verhaal. Ik heb nooit beweerd dat daardoor de wachtlijsten gingen verdwijnen. De ambitie van Perspectief 2020 is: vraagsturing en zorggarantie voor de mensen met de grootste ondersteunings­nood. We moeten ons ervan bewust zijn dat die omslag naar vraagsturing een sterk pull-effect veroorzaakt. De vraag is dan ook gestegen sinds de invoering van het systeem.

Men vergeet echter de positieve kanten van het verhaal: een persoon met een beperking die vroeger specifieke steun wilde, moest aanschuiven tot er een plaatsje vrijkwam in een voorziening – ook al was die 50 km van thuis – of tot men uitzicht kreeg op een persoonsgebonden assistentiebudget. Er viel niet te kiezen. Het was te nemen of te laten. Dat is nu allemaal veranderd. Mensen hebben nu meer mogelijkheden en zitten zelf aan het stuur. Er is een automatische toekenning van het budget aan bepaalde groepen en we kunnen de budgettaire inspanningen voorspelbaar bepalen om zorgvragen te honoreren die chronologisch in prioriteiten­groepen zijn ondergebracht. 

Ik geef toe, we moeten nog meer greep krijgen op het systeem. Het is nog verre van perfect. De droom blijft echter wel om op langere termijn, binnen de Vlaamse Sociale Bescherming, te werken met één systeem van inschaling gekoppeld aan automatische toekenning van rechten. Een systeem dat er bovendien op gericht is om mensen met een langdurige zorgvraag zo nabij mogelijk – liefst nog thuis of minstens in hun eigen buurt – te kunnen opvangen. Ook de handicapspecifieke ondersteuning moet daarbij aansluiten. Dat vergt nog behoorlijk wat werk en investeringen, maar daar moeten we uiteindelijk wel naartoe.

U heeft daarvoor ook een groeipad uitgezet.
Inderdaad, er zijn nu twee decretale bepalingen – een op de persoonsvolgende financiering voor personen met een handicap en een op de Vlaamse Sociale Bescherming – die elke nieuwe regering verplicht om van bij de start de budgettaire ambities te presenteren aan het parlement. Daardoor krijg je een transparant debat en moet iedereen klare taal spreken. Dat leidt tot meer commitment dan een ‘zijnotaatje’ aan het regeerakkoord. 

Toch blijven de media u confronteren met die persoonlijke verhalen van mensen die hun zorgvraag onbeantwoord zien. Dat moet toch iets doen met een mens?
Ik ben er mij als eerste van bewust dat we in die tien jaar sommige dingen beter of minstens op een andere manier hadden moeten aanpakken. Maar de stappen in al die transities zijn wel effectief gezet. De fundamenten liggen er. 

Bij de omschakeling naar de persoons­volgende financiering voor volwassenen met een beperking zijn er zaken naar boven gekomen die we niet hadden voorzien. Waar we ad hoc oplossingen moesten zoeken. Ik kan mij goed inbeelden wat dat voor veel mensen, ouders en familieleden teweeg heeft gebracht. Soms tot op de dag van vandaag. 

Die wachtlijsten zullen altijd aan mij blijven kleven, vrees ik. Ook omdat de positieve verhalen nauwelijks in de media komen. En die zijn er ook, zelfs meer dan de negatieve. Een voorbeeld: Vlaanderen is sinds 2014 volledig bevoegd voor de residentiële ouderenzorg. We voerden een erkenningskalender in om de noodzakelijke groei in de residentiële ouderenzorg vast te leggen. Daaraan koppelden we de nodige budgetten. Anno 2019 zijn er, volgens een recente studie van ING en Probis, geen wachtlijsten meer in de residentiële ouderenzorg. 

“Men kan niet zeggen dat de sectoren de hakken in het zand hebben gezet om alles te blokkeren. Ook al gingen vele maat­regelen ogenschijnlijk tegen hun belang in.”

Op een bepaald ogenblik moet je zeggen: we zijn de Rubicon over. We starten nu een veranderingstraject met die en die en die doelstellingen. We gaan daarover in overleg met alle stakeholders, maar we doen dat vanuit een nieuwe realiteit. Dat heeft soms geleid tot harde confrontaties. Dat klopt. Zowel met zorgverleners als met zorgvragers. 

U praat in interviews nochtans met groot respect over die stakeholders, veldwerkers en patiëntenorganisaties.
Het is mijn taak om het grotere plaatje te bekijken. Op vlak van zorg zijn we in Vlaanderen, met onze uitstekende zorg­instellingen en zorgvoorzieningen altijd voorlopers geweest. Alleen, op een zeker ogenblik moeten we opletten voor de wet van de remmende voorsprong die innovatie belemmert. Met ons beleid voor personen met een handicap werden we erop gewezen dat wij een geïnstitutionaliseerde visie op zorg hadden. Dat moesten we doorbreken. 

Dat we in meerdere sectoren een omslag hebben kunnen verwezenlijken, ligt aan de vele taskforces waarin alle stakeholders vertegenwoordigd waren en zijn. Een dikke pluim voor al die mensen op het terrein en ook voor de vele koepels en voorzieningen die in dat verhaal zijn meegegaan. Men kan niet zeggen dat de sectoren de hakken in het zand hebben gezet om alles te blokkeren. Ook al gingen vele maatregelen ogenschijnlijk tegen hun belang in. Toch op korte termijn. Ik ben de eerste om toe te geven dat we in de meeste sectoren nog niet klaar zijn met de veranderings­trajecten. Er is nog werk, we moeten verder finetunen en afstemmen. En er zijn nog serieuze uitdagingen. Daar herinneren de kranten, de tv en de collega-politici mij elke dag aan. 

Waarom is het dan zo moeilijk om van zorg een prioritair verkiezingsthema te maken?
Het is nog wat vroeg om daarover conclusies te trekken. In december stond vast dat migratie en identiteit dé topthema’s zouden worden. In januari kwam klimaat prominent op de politieke agenda. Tegen dat het mei is, komt daar misschien ook zorg bij, wie weet. Met haar campagne Zorg aan Zet willen Zorgnet-Icuro en een dertigtal andere organisaties alvast het debat openen. De Gezinsbond zorgt eveneens voor aandacht met de enquête genoeggewacht.be. Ook de vakbonden zullen die aandacht vragen. Ook middenveldorganisaties moeten opkomen om de belangen van welzijn en zorg te behartigen. 

Soms komt er steun uit onverwachte hoek. Samen met de Vlaamse Jeugdraad hebben we het thema van de geestelijke gezondheid en mentale fitheid van jongeren op de kaart gezet. In die Raad heb ik een gesprekpartner gevonden die goed heeft begrepen dat welzijn en gezondheid niet alleen over zieke mensen gaat, maar ook over gezonde. Over jongeren en ouderen. Mannen en vrouwen. Immers, iedereen is in zekere mate kwetsbaar en loopt risico. 

En bovendien hangt alles met alles samen. Het is niet altijd of-of, maar vaker een en-en-verhaal. Klimaat gaat ook samen met een andere levensstijl, met preventief denken, met langer gezond blijven. Ik moet mijn collega’s er vaak aan herinneren dat gezondheid en welzijn ook voor hen een aandachtsgebied moet zijn. Health is in all policies. Ik erger me aan campagnes als de Taks Freedom Day met als boodschap: ‘vanaf vandaag werken we voor onszelf’, alsof al die belastingen ook niet voor de hardwerkende Vlaming zijn bestemd. Waar zou de hardwerkende Vlaming staan zonder kinderopvang, eerstelijnsgezondheidszorg, ziekenhuizen, ouderenzorg, ondersteuning van mensen met een beperking, kraamzorg, gezinszorg …? Zorg en welzijn maken trouwens integraal deel uit van de economie. Zorg draagt bij aan een inclusieve samenleving waar zowel de hardwerkende Vlaming als de kwetsbare mens deel van uitmaken. Precies dat inclusiebeleid heb ik steeds gevoerd.


In april verschijnt bij uitgeverij Polis het boek Zorg voor elkaar. Daarin vertelt minister Vandeurzen over de grote thema’s die hem en ons de afgelopen jaren hebben bezig­gehouden en die mee de toekomst van de zorg bepalen: vergrijzing, diversiteit, geestelijk welzijn en vraaggestuurde financiering voor mensen met een handicap. In Zorg voor elkaar gaat Jo Vandeurzen evenzeer in op de fundamenten van onze gezondheids- en welzijnszorg: wat we ervan verwachten en wat we ervoor overhebben. 

WIE IS JO VANDEURZEN?

Jo Vandeurzen studeerde rechten aan de KU Leuven en werd in 1988 OCMW-voorzitter in Genk. Hij ligt aan de basis van de opeenvolgende fusies van de Genkse ziekenhuizen. In januari 1993 wordt hij lid van de Kamer voor CD&V, in 2004 voorzitter van de CD&V en eind 2007 minister van Justitie in de regeringen Verhofstadt III en Leterme I. Een jaar later neemt hij ontslag naar aanleiding van de Fortis-affaire.

Bij de Vlaamse verkiezingen van 2009 behaalt hij in Limburg 69.223 voorkeursstemmen. Hij wordt Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin in achter­eenvolgens de regeringen Peeters II en Bourgeois I. Jo Vandeurzen kondigde enkele maanden geleden aan dat hij de nationale politiek zal verlaten na de verkiezingen van mei 2019.


TEKST: PETER RAEYMAEKERS (LYRAGEN) • BEELD: DIEGO FRANSSENS