INTERVIEW MET PROFESSOR ERIKA VLIEGHE

"Ik hoop dat ziekenhuizen in de toekomst blijven samenwerken"

Oktober 2021

Al anderhalf jaar staat Erika Vlieghe in de vuurlinie van de coronapandemie, als professor Infectiologie (UZ Antwerpen) en voorzitter van de GEMS (Groep van Experts voor de Managementstrategie van Covid-19). “De zorg heeft zich heel wendbaar getoond. Daar mogen we gerust fier op zijn.”

Wat zijn de belangrijkste lessen die u uit anderhalf jaar Covid-19 hebt geleerd?

“Ik zal beginnen met het intrappen van een open deur: niemand was klaar voor deze crisis. België niet, Europa niet, de wereld niet. We hebben dus véél geleerd, met vallen en opstaan. We wisten bijvoorbeeld dat multidisciplinair werken cruciaal is in de zorg, maar nu werden we ook gedwongen om dat in de praktijk te brengen. Dag na dag, week na week. Gedachten uitwisselen, data bij elkaar brengen en alles zo snel mogelijk omzetten in interventies: dat loont. Voor de buitenwereld lijkt het vaak alsof wij met horten en stoten werken, maar het afgelopen jaar hebben we ontzettend veel bijgeleerd over hoe je een epidemie onder controle houdt. Je moet heel veel inzichten verwerven en je kennis constant bijstellen. Er is géén plaats voor mentale taboes. In de wetenschappelijke wereld zijn we dat gewend – we werken wel vaker met “wat-als”-scenario’s – maar nu moest dat ook heel snel vertaald worden naar een beleid. En dat moest uitlegbaar, uitvoerbaar én haalbaar zijn.

Een andere les die ik geleerd heb, is dat we heel goed moeten kijken naar andere landen en internationale organisaties zoals de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), maar dat we niet als konijnen naar een lichtbak mogen staren. We hebben zo vaak gehoord ‘dat Nederland het allemaal beter deed’ of ‘dat het in Engeland al opgelost is’, terwijl élk land op een bepaald moment heeft gestruikeld. België ook, en we zullen dat wellicht nog doen. Maar er zijn ook momenten geweest waarop wij een voorbeeld waren voor andere landen. Daar mogen we dan ook blij mee zijn.

En ten slotte nog een duidelijke les: niemand was goed voorbereid, behalve de zorg. Die is overspoeld, maar heeft zich heel wendbaar getoond. Als iemand die zelf in de zorg werkt, vind ik dat heel mooi en inspirerend. Heel wat positieve elementen uit deze crisis komen uit de zorg: de bliksemsnelle reorganisatie, het telkens opnieuw zichzelf uitvinden. En nu de hele vaccinatiecampagne: uiteraard heeft het beleid daar ook een grote rol in gespeeld. Maar ook daar zetten veel mensen uit de zorg hun beste beentje voor. Niet alleen de betrokken ministers mogen daarvoor pluimen op hun hoed steken, maar in de eerste plaats de mensen op de vloer zelf.”

Erika Vlieghe: “Het zit totaal niet in mijn aard om constant de strenge schoonmoeder van Vlaanderen uit te hangen. Maar we mogen het licht van de zon niet ontkennen”

Waren onze ziekenhuizen klaar voor een pandemie?

“Nee, dat bedoel ik uiteraard niet. Maar ze hadden wel de gezonde reflex om zich snel te reorganiseren. Mensen uit de zorg zijn het natuurlijk gewend om dagelijks zeer flexibel te zijn, op microniveau. Als een patiënt of collega belt met een dringend probleem, moeten we dat meteen kunnen oplossen. Dat is hoe wij werken. Uiteindelijk waren de ziekenhuizen nog het best voorbereid, omdat hen al was gevraagd om noodplannen te maken. In de woonzorgcentra en in de eerste lijn waren nog geen plannen voor een crisis van die omvang. Daarom is het zeer belangrijk dat we alles wat goed is gelopen, nu ook verankeren.”

Want een pandemie als deze gaat ons nog een keer overkomen?

“Als we eerlijk en realistisch zijn: ja. Of het even hevig zal zijn als nu, kan niemand voorspellen. En of het over twintig jaar zal zijn, of over vijftig jaar, ook niet. Maar vergelijk het met een oorlog: de Tweede Wereldoorlog ligt al decennia achter ons, maar toch hebben we nog steeds een operationeel leger. Laat ons hopen dat we op ons eigen grondgebied nooit meer zo’n oorlog zullen meemaken, maar niemand kan dat met zekerheid voorspellen. Dat is met een pandemie hetzelfde. Vandaar dat we moeten leren uit de huidige crisis. Uit de fouten, maar zeker ook uit alles wat wél goed liep.”

“Je mag nog zoveel bedden op intensieve zorgen bijzetten, alles staat of valt met personeel en goede opleidingen”

Biedt deze pandemie ook opportuniteiten voor de gezondheidszorg?

“Natuurlijk. Ze heeft in ieder geval de ogen doen opengaan. Veel dingen zijn in een stroomversnelling terechtgekomen, denk bijvoorbeeld aan teleconsultaties. Daarmee win je toch weer een stukje efficiëntie. Daarnaast is er bijvoorbeeld ook nagedacht over hoe ziekenhuizen kunnen samenwerken met woonzorgcentra, over de rol van apothekers, van huisartsen… Een pandemie is nu geen abstract begrip meer, iedereen heeft er binnen zijn eigen vakgebied verplicht over moeten nadenken. Bovendien is eindelijk het besef gekomen dat infectieziekten een belangrijk vakgebied is. Het mag geen marginaal onderwerp zijn in het onderwijs, en ook niet in de ziekenhuizen. Want wij houden ons natuurlijk niet alleen bezig met corona, maar ook met andere opkomende virussen en belangrijke maatschappelijke problemen, zoals antibiotica-resistentie.”

Was infectiologie dan zo’n “kneusje” binnen de geneeskunde?

“Helaas wel. Er waren natuurlijk wel infectiologen in de ziekenhuizen, maar die werkten onder de vlag van algemeen internist – net als ikzelf. Pas in juni 2020 is infectiologie erkend als een specialistische opleiding. Dat is cruciaal, want zolang je niet erkend bent, is alles wat je doet een soort ‘hobby’ en kan je geen nieuwe mensen opleiden. Nu beginnen steeds meer jonge artsen een toekomst te zien in deze specialisatie. Maar laat ons een kat een kat noemen: naast een goede opleiding en werkomgeving, is ook een duidelijk verloningskader heel belangrijk. Wij verzetten bijna uitsluitend intellectueel werk, waar helaas niet zo’n hoge verloning tegenover staat. Om het met een boutade te zeggen: door aan de knop van een machine te draaien verdien je in de geneeskunde op dit moment veel meer dan wanneer je je een uur met een moeilijk dossier bezighoudt. Dat is een pijnlijke realiteit die moet veranderen. Ik zal zeker niet beweren dat technologie niet nodig is in de geneeskunde, maar ons intellectuele werk wordt steeds belangrijker. In de versplintering van alle medische disciplines zijn wij degenen die alles weer bij elkaar brengen. Dat wordt vaak erg geapprecieerd, maar niet voldoende geremunereerd.”

Kan deze crisis een extra zetje geven om de prestatiegebonden financiering om te gooien?

“Dat hoop ik oprecht. Maar de financiering van de gezondheidszorg is een grote tanker, die valt niet zo eenvoudig te keren. Al vind ik zeker dat we het debat grondig moeten voeren, want in deze crisis werd zeer duidelijk dat deze vorm van financiering tekortschiet. Meer nog: het is destructief voor de solidariteit en het gevoel van alle hens aan dek.”

Tijdens deze crisis hebben heel wat ziekenhuizen nauw samengewerkt. Zal dat ook zo blijven?

“Wederom: dat hoop ik. Het is absoluut the way forward. Maar helaas kan geld veel onder druk zetten, vriendschappen staan of vallen met financiering. Er zijn dus goede, heldere afspraken nodig. Om de uitdagingen van de toekomst aan te kunnen, moeten we proberen onszelf te overstijgen, ambitieuze plannen op tafel leggen en verder kijken dan de komende maand. We moeten samen visionair durven zijn. Maar om dat te kunnen, moeten we natuurlijk de ‘burenruzies’ tussen ziekenhuizen achterwege kunnen laten.”

Is er ook nood aan meer referentiecentra?

“Voor bepaalde zeldzame pathologieën lijkt me dat zeker belangrijk. Maar bij ziektes die vaker voorkomen, moet je natuurlijk ook streven naar bereikbaarheid, laagdrempeligheid en het behoud van expertise. Als die ene excellente professor in ziekenhuis x wegvalt, moet er elders voldoende expertise overblijven. En dat moet van onderuit kunnen groeien. Elk ziekenhuis wil bovendien graag een deel van de intellectueel interessante koek. Maar we moeten tegelijk ook kritisch durven nadenken over wat we nodig hebben voor dé uitdagingen van de 21e eeuw. Dat is een taak voor de wetenschappelijke gemeenschap. Onze discussies met de overheid moeten verder gaan dan de vraag of we voor een bepaalde medische prestatie nu enkele euro’s meer of minder krijgen. We moeten veel meer in structuren en systemen denken, anders haalt de realiteit ons in.”

Moeten de ziekenhuizen ook transparanter worden, over hun sterftecijfers bijvoorbeeld?

“Het is onze plicht tegenover de gemeenschap en patiënten om zo transparant mogelijk te zijn. Benchmarking mag geen absoluut taboe zijn. Het kan ziekenhuismanagers stimuleren om bepaalde ambities te formuleren en te ondersteunen, denk maar aan infectiepreventie, of het gebruik van antibiotica. Maar dat alles moet wel gebeuren op een degelijke, zorgzame manier. En dus niet ‘op z’n Amerikaans’, met vooral commercieel gerichte top-10’s.

Zeker als het gaat over sterftecijfers, is er altijd context en duiding nodig. We zien bijvoorbeeld dat patiënten met de meest complexe ziektebeelden steevast naar universitaire ziekenhuizen worden doorverwezen. Dat is ook logisch: het is onze taak om daar onze tanden in te zetten. Maar financieel is dat geen cadeau, want het zijn vaak patiënten die langer een bed bezet houden. Bovendien is hun kans op overlijden vaak groter. Je werkt als ziekenhuis ook altijd in een bepaalde context: er zijn ziekenhuizen die meer mensen in kansarmoede aantrekken, of vooral oudere patiënten. Die factoren moet je allemaal meenemen, in plaats van een simplistische top-10 met beste overlevingskansen te publiceren.”

“Door aan de knop van een machine te draaien verdien je in de geneeskunde op dit moment veel meer dan wanneer je je een uur met een moeilijk dossier bezighoudt”

Door corona stonden de afdelingen intensieve zorgen zwaar onder druk. Moet daar iets veranderen?

“Ook hier wil ik me hoeden voor te veel simplistische uitspraken. De voorbije maanden heb ik er genoeg gehoord, meestal uit niet-medische hoek. Men had patiënten bijna met hun beademingstoestel naar huis gestuurd, bij wijze van spreken. Het debat over het beddenbeheer moet zeker verder gevoerd worden, in eerste instantie met de betrokkenen: intensivisten, ziekenhuismanagers en overheden. Ik denk dat we vooral goed en kritisch moeten nadenken over de noden voor de toekomst. En leren uit good practices van het voorbije anderhalf jaar. Op verschillende plaatsen, onder meer in het UZA, is bijvoorbeeld gewerkt met hospitalisation at home. Dat kent uiteraard zijn grenzen, maar het biedt ook mogelijkheden. Trouwens: je mag nog zoveel bedden op intensieve zorgen bijzetten, alles staat of valt met personeel en goede opleidingen. Nu zien we, bijvoorbeeld in de Brusselse ziekenhuizen, dat veel personeel er de brui aan geeft omdat ze zich onvoldoende gesteund voelen. Daar moeten we absoluut aan werken.”

En wat met de woonzorgcentra, toch de achilleshiel van deze crisis?

“Ik denk dat zij het minst voorbereid waren op deze crisis. Ergens is dat ook begrijpelijk vanuit hun kernactiviteit: dagelijkse zorg en huiselijkheid zijn daar veel belangrijker dan noodplannen en strakke structuren. Maar het was natuurlijk schrijnend hoe ze daar moesten werken met veel te weinig knowhow en medisch materiaal. Ik denk dat er toch meer mensen met een specifieke opleiding naar de woonzorgcentra moeten. Nu is er op een hele dienst soms maar één verpleegkundige. De zorgkundigen doen met heel veel toewijding hun werk, maar zij zijn vaak vragende partij om meer kennis op te doen, rond medicatie en hygiëne bijvoorbeeld. En ook de samenwerking met ziekenhuizen is een good practice die we zeker moeten behouden.”

Dé positieve noot is natuurlijk de Vlaamse vaccinatiecampagne. Wat was de sleutel tot het succes?

“Enerzijds is er zeker politieke visie en daadkracht geweest. Om die hele structuur op te zetten, heb je een sterke overheid nodig. Maar anderzijds konden we ook verder bouwen op een lange traditie van goede vaccinatie. Vlaanderen is nu eenmaal een regio die zich vlot laat vaccineren. Waarom discussiëren ze zich in Frankrijk te pletter, terwijl wij veeleer een no nonsense-aanpak hebben? Misschien heeft dat met ‘volksaard’ of cultuur te maken? Deze zomer ben ik zelf op reis geweest naar Duitsland, en ook daar merkte ik toch meer vaccinatietwijfel. Al speelde ook het logistieke een rol: eerst moest je er een paar administratieve drempels over. Bij ons was dat niet het geval. Je kwam wanneer je moest komen. Mensen hebben dat vrij rigide opgevolgd, met een militaire discipline. En we hebben mensen natuurlijk ook goed geïnformeerd. In Brussel moeten we op dat vlak nog een extra inspanning doen, met informatiecampagnes op maat. Ik geloof rotsvast dat we zo nog veel twijfelaars kunnen overtuigen.”

Hadden we de vaccinatie van zorgpersoneel niet meteen moeten verplichten, om tijd te winnen?

“Persoonlijk ben ik wel een voorstander van verplichte vaccinatie in de zorg. Wie in de bouw werkt, moet ook een helm dragen om zichzelf te beschermen. En andere veiligheidsmaatregelen nemen om anderen niet te kwetsen. Maar die medaille heeft ook een keerzijde. Je riskeert een negatieve sfeer te creëren rond de vaccins. Dan krijg je de mensen in de zorg misschien wel gevaccineerd, maar veel minder mensen daarbuiten. En in de toekomst zullen er wellicht nog meer vaccins nodig zijn: moet je dat altijd met een zwaard doen? Elke vaccinatie van iemand die overtuigd is, is beter. Want die persoon zal in de toekomst ook meer bereidheid tonen. We moeten mensen doen inzien dat het de enige weg vooruit is. Maar als informatie en sensibilisering echt te weinig werken, kan een verplichting in de zorg wel een extra ‘bouwblokje’ zijn.”

Ondanks de hoge vaccinatiegraad blijft het virus circuleren. Hadden we te hoge verwachtingen van de vaccins?

“Het is, zowel door beleidsmakers als media, soms een beetje te zwart-wit voorgesteld. Alsof met de vaccinatie het rijk der vrijheid helemaal zou opengaan. Dat is helaas te simplistisch. Vaccins zijn de sleutel tot de oplossing, maar we hebben geduld nodig. Vergelijk het met een patiënt die een zware behandeling krijgt. Wanneer hij naar huis gaat, is er ook nog revalidatie en geduld nodig. Een epidemie kan een heel lange staart hebben, en net daar zit het venijn.”

Kunnen we dan ooit nog terug naar ons oude leven?

“Geen enkele epidemie is voor altijd, dus ik denk van wel. Al zal het virus nooit helemaal weg zijn, het zal zich bij ons nestelen. Laat ons hopen dat we het ‘getemd’ krijgen tot een controleerbaar virus. En misschien zullen er wel bepaalde restanten van maatregelen overblijven. Op piekmomenten wat meer thuiswerken en op specifieke momenten en locaties een masker dragen. Of meer aandacht voor goede ventilatie bijvoorbeeld. Als we op die manier 95% van ons oude leven terug krijgen, lijkt me dat niet slecht. Na een oorlog is een land ook nooit meer hetzelfde.”

Tot slot: hoe gaat het met u? U hebt heel wat bagger over u heen gekregen, tot doodsbedreigingen toe.

“Dat klopt, maar gelukkig ook veel positieve reacties. Onlangs was ik op een klein festival, waar veel mensen me aanspraken om hun appreciatie te tonen. En ik krijg ook veel mails van mensen die zichzelf ‘de zwijgende massa’ noemen. Heus niet iedereen staat mij en de andere experts naar het leven. Die enkelingen krijgen gewoon een veel te luide stem. Ook van de politici krijgen we trouwens veel appreciatie, al moet iedereen natuurlijk zijn rol spelen. 

Geloof me: ik zou niets liever willen dan dat alles weer normaal is. Het zit totaal niet in mijn aard om constant de strenge schoonmoeder van Vlaanderen uit te hangen. Maar we mogen het licht van de zon niet ontkennen. Simplistische oplossingen zijn zelden duurzaam. Veel mensen staan te trappelen om weer alles te mogen, maar het is onze plicht om hen te temperen. En ja, dat vindt niet iedereen leuk. Maar daar mogen we ons niet door laten tegenhouden. Frank Deboosere moet ook heel vaak regen aankondigen, ook al vindt niemand dat leuk. Zelfs hij krijgt soms doodsbedreigingen, liet ik me vertellen. Het is dus eigen aan de job, blijkbaar.”

 

TEKST: STEFANIE VAN DEN BROECK • BEELD: JONATHAN RAMAEL