VLAAMS EXPERTISECENTRUM ALCOHOL EN ANDERE DRUGS (VAD)

TOURNÉE MINÉRALE IS EEN VAN ONZE GROOTSTE SUCCESSEN

Maart 2020

Het Vlaams expertisecentrum Alcohol en andere Drugs (VAD) kan steunen op bijna vier decennia ervaring met preventie. Katleen Peleman, directeur bij VAD – een functie die ze tot eind maart deelt met Marijs Geirnaert – en stafmedewerker Inge Baeten leggen uit wat een campagne succesvol maakt, en hoe je bij preventie nooit alles onder controle hebt.

In 1982 werd VAD opgericht. Zijn de ideeën over preventie in die 38 jaar sterk geëvolueerd?
Inge Baeten: “In 1982 zijn we officieel gestart als Vlaamse organisatie, maar er bestonden al soortgelijke initiatieven sinds de jaren 1950, op Belgisch niveau. In de prille jaren 1980 bleef preventie wel nog vrij beperkt, het ging vooral om affiches met waarschuwende boodschappen en lespakketten voor scholen. Maar in 1988 kwam alles in een stroomversnelling. VAD kreeg twee coördinatoren – onder wie Marijs Geirnaert, die hier nu 32 jaar als directeur heeft gewerkt en eind deze maand afscheid neemt – en elf centra voor geestelijke gezondheidszorg kregen een preventiewerker. Toen is alles snel geprofessionaliseerd, in de vorm van een beleidsmatige aanpak rond alcohol en drugs. Eerst werd die uitgewerkt voor het onderwijs, later onder meer voor bedrijven en de bijzondere jeugdzorg. Met de jaren ontstonden steeds meer varianten, op maat van heel diverse settings.

Zo’n beleid bestaat uit de visie van de organisatie op alcohol en andere drugs, en de vier pijlers – beter bekend als het BOEM-principe: Begeleiding, de Om­geving aanpassen, Educatie en indien nodig ook strenge Maatregelen nemen. Daarbij werkt VAD ook de nodige methodieken en tools uit om dat in de praktijk vorm te geven. Recent hebben we nog een beleidsmatige aanpak uitgewerkt voor de sector beschut wonen, waar een grote nood bleek te zijn. Sommige sectoren zijn zelf geen vragende partij, maar dat houdt ons niet tegen om proactief aan de slag te gaan. Zo wilde destijds geen enkele school of dancing geassocieerd worden met drugsproblemen, maar intussen is een doordacht drugs­beleid een kwaliteits­label geworden.”

Wat moeten we ons bij zo’n beleidsmatige aanpak precies voorstellen?
Katleen Peleman: “Het betekent dat preventie in de structuur van de organisatie wordt verankerd. Dat begint bij het zoeken naar een draagvlak en sensibiliseren. Hier kunnen campagnes hun plek krijgen, maar het gaat veel verder. Preventie is maatwerk, het start vanuit de concrete vragen, noden en ervaringen van de verschillende groepen waarmee we werken. 

Bovendien is preventie één groot continuüm. We vertrekken van het aanmoedigen van niet-gebruik en het uitstellen van de beginleeftijd. Maar het gaat ook over verantwoordelijk gebruik, vroegdetectie en vroeginterventie, schadebeperking en zorg. Preventie en zorg horen bij elkaar en vormen een uitgebreide batterij aan interventies. Die zijn niet eenmalig, maar goed opgebouwd in de tijd en afgestemd op de vragen en noden van iedereen. Dat maakt preventie zo complex en dus moeilijk om in één zin of methodiek te vatten.”

Hoe efficiënt is preventie eigenlijk als het over verslaving gaat?
Peleman: “Dat valt heel moeilijk te meten. Om verandering te creëren, moet je op heel veel verschillende fronten werken en je hebt nooit alles onder controle. Neem nu alcohol: nu zien we een maatschappelijk draagvlak ontstaan voor nultolerantie in het verkeer en een minimumleeftijd van 18 jaar. Daardoor heeft preventie meer impact. Maar bij cannabis zien we een heel ander verhaal. Omdat er nu veel aandacht is voor het medicinale gebruik, worden de risico’s van cannabis gebanaliseerd.”

Welke preventiecampagnes hebben doorheen de jaren het beste gewerkt?
Peleman: “Preventie is zoveel meer dan campagnes, zoals eerder gezegd. Maar Tournée Minérale is zonder twijfel de bekendste. Die is vier jaar geleden gelanceerd en kwam toen op een zeer goed moment: er was discussie over de alcoholnorm en heel wat mensen namen uit zichzelf al een alcoholpauze. Bij VAD werd verwacht dat er hooguit 25.000 mensen zouden deelnemen, maar uiteindelijk werden dat er 120.000, een enorm succes. Uit recent marktonderzoek blijkt dat nu al 94% van de Belgen de campagne kent en dat 18% deelneemt.”

Baeten: “Er was vanaf de eerste editie al zeer veel media-aandacht, net omdat er een groeiend draagvlak was. Bovendien heeft het een eenvoudige call to action: iedereen die wil, kan makkelijk deel­nemen. En we hebben op vier jaar tijd het alcoholvrije aanbod in de horeca en de handel enorm zien toenemen.”

Peleman: “Het is ook een sociale campagne: we moedigen mensen aan om samen met een groep vrienden of collega’s deel te nemen, zodat ze elkaar kunnen motiveren. Zo vergroot je publiek natuurlijk ook.”

Zijn er ook al effecten gemeten?
Baeten: “Het is heel moeilijk om het effect van zo’n campagne objectief vast te stellen. Je kunt niet verwachten dat het rechtstreeks zal leiden tot gedrags­verandering, daarvoor is veel meer nodig. Maar bij Tournée Minérale zagen we toch uitzonderlijke resultaten. Na de eerste editie is door de UGent een onderzoek gevoerd, waaruit bleek dat deelnemers een half jaar na de campagne nog steeds minder dronken dan voordien.”

Zijn er ook campagnes totaal mislukt?
Baeten: “Twee zomers geleden, tijdens het WK voetbal, werden we overspoeld door reclame voor gokken. Wij hebben toen een campagne gelanceerd die wees op een belangrijk misverstand: dat voetbalkenners meer kans hebben op winst. Dat zat goed in elkaar, met filmpjes van sportjournalisten die werden verspreid via sociale media. Maar de reclame voor gokken was toen zo alomtegenwoordig dat onze campagne ondergesneeuwd raakte. Dat bewijst hoe afhankelijk we zijn van externe factoren: die kunnen je omhoog tillen, zoals bij Tournée Minérale, of hele­maal ondergraven. Ik zal niet zeggen dat die WK-campagne zinloos was, want rond gokken beweegt nu heel veel. Maar we hadden er toch meer van verwacht.”

Hoe staan jullie tegenover de Nationale Loterij, die zichzelf een positief imago aanmeet doordat ze met mystery shoppers werkt en goede doelen steunt?
Baeten: “Gokken is gokken. Het risico op verslaving wordt niet bepaald door de aanbieder van gokspelletjes, maar door de aard van het spel. Als het lijkt alsof je het eindresultaat in de hand hebt – wat nooit het geval is natuurlijk – dan verhoogt het risico. Net als wanneer je heel snel resultaat ziet, zoals bij krasbiljetten.”

Peleman: “Ook de belofte van snelle rijkdom is zo’n risicofactor. De slogan van Euro Millions, ‘Word schandalig rijk’, speelt daar perfect op in. De overheid is begonnen met regulering, maar die moet verder gaan. Bovendien kreeg de Nationale Loterij aparte regels. Wat ons betreft mag er een totaalverbod op gokreclame komen.”

Jullie omschrijven alcohol steevast als een ‘legale drug’. Is zoiets moeilijker om aan te pakken dan illegale drugs?
Peleman: “Alcohol is in onze samenleving natuurlijk heel wijdverspreid, het zit ingebakken in ons sociaal leven. Dat maakt het enerzijds soms moeilijker om aan preventie te doen. Maar anderzijds: doordat het legaal is, kun je het ook makkelijker bespreekbaar maken. Bij illegale drugs zijn zowel hulpverleners als gebruikers meer op hun hoede. Je kunt ook moeilijk richtlijnen voor verstandig gebruik geven – ‘een kwartje van een XTC-pil, geen volledige’: zoiets zou uiteraard onaanvaardbaar zijn bij het grote publiek.”

Jullie pleiten er al lang voor om de minimumleeftijd voor alle alcohol op te trekken tot 18 jaar. Waarom is dat zo belangrijk?
Peleman: “De wetenschappelijke inzichten zijn enorm toegenomen. We wéten dat alcoholconsumptie nefast is voor de ontwikkeling van een tienerbrein. En we zijn een van de laatste landen in Europa waar minderjarigen nog alcohol kunnen kopen.”

Wat met het idee dat “verboden vruchten” extra aantrekkelijk worden?
Baeten: “Voor een beperkte groep zal dat wel zo zijn. Maar voor de meeste jongeren – en hun ouders – is een minimumleeftijd een goed argument om alcohol te weigeren.” Peleman: “Bij de laatste leerlingenbevraging zagen we dat er al een stuk minder wordt gedronken onder zestien jaar en veel jongeren gaven het verbod als reden. Er wordt veel gedronken onder sociale druk, dus zo’n wet kan helpen om nee te zeggen. En het zou ook het fenomeen van ‘indrinken’ kunnen inperken. Nu kopen veel jongeren een voorraad alcohol in de supermarkt om thuis op te drinken, voor ze op stap gaan. Daardoor drinken ze meer, want op café of in dancings is het natuurlijk veel duurder.”

Jullie krijgen te maken met rijke, machtige lobbygroepen. Hoe gaan jullie daarmee om?
Peleman: “Onlangs hebben we nog zo’n staaltje gezien. AB InBev pakte vlak voor de aftrap van Tournée Minérale uit met een ‘1+1 gratis’-actie voor bakken Jupiler. Toen hebben we fel gereageerd. Het leek erop dat ze iedereen wilden aansporen om nog snel genoeg bier in te slaan. Het wijst wel op het succes van Tournée Minérale: als zelfs bierfabrikanten er rekening mee beginnen te houden…”

Baeten: “Het moeilijke is dat de alcohol­industrie regelmatig uitpakt met zo­genaamde preventie-initiatieven. Neem nu het groeiende gamma non-alcoholische bieren. Dat is natuurlijk geen actie om de gezondheid van burgers te bevorderen. Nee, ze zien de bierverkoop stagneren en gaan op zoek naar manieren om hun traditionele aanbod te diversifiëren. Voor de consument zijn die alternatieven welkom, maar we moeten toch benadrukken dat de doelen van de industrie héél anders zijn dan die van ons. Die visie hebben we zelfs op papier gezet: we werken niet samen met de alcoholindustrie. Ons doel is preventie, zij streven naar winst. We volgen hiervoor ook de richtlijnen van de Wereldgezondheidsorganisatie.”

In december kondigde Vlaams minister Wouter Beke grote besparingen aan, ook bij VAD. Enkele dagen later werden die even plots weer teruggedraaid. Zijn jullie opgelucht?
Peleman: “Uiteraard. Nu hebben we de garantie dat we onze werking kunnen voortzetten. Dat geld hebben we trouwens heel hard nodig: omdat we voor zoveel verschillende domeinen werken en dat altijd op maat doen, is ons werk heel intensief. Het enige wat ons zorgen baart, is de strakke opsplitsing tussen zorg en preventie. Bij verslavingen zien we hoe dun die lijn is: mensen die al zorgen krijgen, hebben ook nood aan preventie, om te voorkomen dat hun situatie escaleert. Maar omdat er overal in de zorg- en welzijnssector schaarste is, plooit iedereen terug op zijn core business. Terwijl er in de praktijk heel vaak een overlap nodig is. Preventie en zorg maken deel uit van één continuüm. Hopelijk kan het beleid daar in de toekomst meer op inspelen.”

 

TEKST: STEFANIE VAN DEN BROECK • BEELD: JAN LOCUS