DECANEN GENEESKUNDE VAN DE VLAAMSE UNIVERSITEITEN GAAN IN DEBAT

"Ondanks alle ellende was corona een interessante leerschool"

Januari 2021

Welke impact heeft de coronacrisis op de opleidingen geneeskunde? Hoe vergaat het de eerstejaarsstudenten, de artsen-specialisten in opleiding en de huisartsen in opleiding? Door het loslaten van de federale quota is er net dit academiejaar een opmerkelijke stijging van het aantal studenten geneeskunde en tandartsheelkunde. Vooraf al – en los van de coronacrisis – waren er waarschuwingen voor de mogelijke impact daarvan op de kwaliteit van de opleidingen. Heel wat vragen en gespreksstof voor een debat met de decanen Geneeskunde van de vijf Vlaamse universiteiten. Maar beginnen doen we uiteraard met de coronacrisis.

Op 23 september 2020 deed u een gezamenlijke oproep aan de Nationale Veiligheidsraad voor meer daadkracht. Hoe kijkt u vandaag naar de beslissingen van de overheden?

Paul Herijgers: “De oproep eind september was nuttig en nodig om de overheid tot daadkracht te bewegen. Het heeft dan nog weken geduurd voor we enige impact zagen, maar het heeft geholpen. Vandaag zie ik meer slagkracht dan toen, maar de versnippering blijft natuurlijk voor vertraging en extra problemen zorgen.”

Guy Hubens: “In september keken we net als velen met grote ogen naar hoe men over versoepelingen sprak, terwijl alle parameters tot uiterste voorzichtigheid maanden. De kloof tussen experten en politici is sindsdien kleiner geworden, maar zoals Paul zegt: de versnippering speelt ons parten. Het is erg moeilijk om uit één mond te spreken.”

Dirk Devroey: “Wat mij elke dag opvalt, is de belgitude op alle niveaus. Zowel in het beleid – we doen rustig aan, we wachten af, we pakken dit wel aan – als bij de bevolking, die liever de achterpoortjes zoekt dan verantwoordelijkheid te nemen. Dat zien we ook bij de studenten. Een tweede punt is onze bezorgdheid als decaan over het welzijn van onze studenten waar we direct verantwoordelijk voor zijn, maar ook over het welzijn van de bevolking in het algemeen. Als onze studenten een weerspiegeling vormen van de jeugd en de bevolking, dan is er een grote nood aan psychosociale ondersteuning. Dat maakt alles extra gecompliceerd.”

Piet Hoebeke: “Het VLIR-bureau van de rectoren (VLIR = Vlaamse Interuniversitaire Raad, nvdr.) heeft vaak het voortouw genomen, mee op advies van de decanen. Het hoger onderwijs is in het onderwijslandschap stiefmoederlijk behandeld. We moesten zelf oplossingen zoeken. De Vlaamse overheid was eindeloos traag met beslissingen. Het openhouden van de lagere en de middelbare scholen was belangrijk, maar het hoger onderwijs werd aan zijn lot overgelaten. De studenten hebben de overheid dat kwalijk genomen. Zij voelden zich verwaarloosd en dat lieten ze merken op sociale media. De rectoren en de decanen hebben hun uiterste best gedaan om de studenten zoveel mogelijk te ondersteunen tijdens deze crisis, maar zelfs vandaag voel ik bij hen enige boosheid op de overheid. En ik begrijp dat.”

Prof. Dirk Devroey: “Als onze studenten een weerspiegeling vormen van de jeugd en de bevolking, dan is er een grote nood aan psychosociale ondersteuning. Dat maakt alles extra gecompliceerd.”

Piet Stinissen: “Ik wil toch een positieve noot toevoegen. De experten hebben de jongste maanden weer de ruimte gekregen om hun rol ten volle op te nemen. Er zit veel expertise in de universiteiten: virologen, biostatistici, psychologen enz. De ervaring van de eerste crisismaanden heeft geleerd dat hun input in het debat belangrijk is. Dit is nog altijd een crisis met veel onbekende factoren. We moeten de beschikbare expertise van de universiteiten maximaal gebruiken.”

Paul Herijgers: “Laat ons ook de positieve rol niet vergeten van de vele studenten die hun verantwoordelijkheid hebben genomen op momenten dat de woonzorgcentra dreigden te verzuipen. Honderden studenten zijn overal te lande gaan helpen. Ook in de testcentra. En ongetwijfeld zullen ze in de vaccinatiecampagne weer een waardevolle bijdrage leveren. Veel studenten, professoren, docenten en universiteitsmedewerkers hebben zich actief ingezet tijdens de crisis.”

Guy Hubens: “En dat terwijl veel studenten zelf erg bezorgd waren over de competenties die ze tijdens hun stages nog moesten verwerven in een totaal onvoorziene context. Een ferme chapeau aan alle studenten van diverse faculteiten die zich spontaan geëngageerd hebben.”

 

Piet Hoebeke (UGent)

De versnippering in het beleid is al genoemd, maar welke lessen kunnen we nog trekken uit de voorbije maanden? En vooral: hoe zorgen we ervoor dat er effectief iets verandert? Want voor hetzelfde geld is er over tien jaar een ander virus en klagen we met zijn allen over de versnippering in het beleid.

Piet Hoebeke: “In ons land viel een politieke crisis simultaan met de coronacrisis en dat heeft ons parten gespeeld. De versoepelingen op het einde van de regering-Wilmès met de bubbels van tien waren een drama voor de gezondheidszorg. Uiteindelijk komt alles neer op de nood aan eenheid in commando, dat vanuit de politiek gevoerd moet worden op basis van expertise. Men spreekt met zoveel monden dat het een chaos wordt voor de beleidsmakers, maar zeker voor de bevolking die dit schabouwelijke schouwspel moet aanzien. ’s Avonds op televisie zeven experten op zeven kanalen zeven verschillende dingen horen zeggen, dat is voor niemand goed. Dat de politieke crisis samenviel met de coronacrisis is er mee de oorzaak van dat alles zo moeizaam liep, zeker in de tweede golf.”

Prof. Piet Stinissen: “Er zit veel expertise in de universiteiten: virologen, biostatistici, psychologen enz. De ervaring van de eerste crisismaanden heeft geleerd dat hun input in het debat belangrijk is.”

Dirk Devroey: “Eenheid van commando is noodzakelijk, maar er zijn nog andere pijnpunten. Denk aan de woonzorgcentra, die helemaal niet klaar waren om de hygiënische maatregelen toe te passen. De onderfinanciering van de voorbije jaren is daar niet vreemd aan. Hetzelfde geldt voor de ziekenhuizen. Ook daar was men niet echt voorbereid, al konden die sneller schakelen omdat ze meer hooggeschoolde medewerkers hebben. In woonzorgcentra met een tekort aan personeel was de situatie rampzalig. Ik vrees dat we uit de eerste golf maar een heel klein beetje geleerd hebben en dat met mondjesmaat hebben toegepast in de tweede golf. Kijk naar de vaccinatiecampagne, met alweer dat gebrek aan eenheid van commando. Vaccinatie is een bevoegdheid van de gewesten, maar ook de federale regering heeft een flink aandeel in de organisatie. Ja, we leren zeer traag. Maar we zullen uit deze crisis veel leren.”

 

Guy Hubens (UAntwerpen)

Piet Stinissen: “Limburg is erg zwaar getroffen tijdens de eerste golf. We hebben toen zelf een boekje gemaakt om die ervaringen te capteren voor de gezondheidszorg in de breedte. Want er is terecht veel aandacht gegaan naar de ziekenhuizen, de woonzorgcentra en de huisartsen, maar de gezondheidszorg is veel breder. Ook in andere domeinen van zorg en welzijn, die soms wat vergeten werden, moeten we lessen trekken. Er is veel fout gelopen, maar we moeten evenzeer oog hebben voor de positieve elementen en die proberen te borgen: het gebruik van digitale technologie, zorg op afstand, monitoring op afstand… allemaal dingen waarover we al heel lang praten. Denk ook aan de nood aan goede gegevensverzameling en -deling. Daar hebben we nu grote stappen vooruit gezet. Laat ons de verworvenheden en innovaties die versneld ingang hebben gevonden, koesteren, verderzetten en structureel inbedden in de gezondheidszorg.”

In oktober 2019, nog voor er sprake was van corona, ondertekenden de decanen Geneeskunde al een open brief van artsen en professoren aan de federale onderhandelaars om meer te investeren in preventieve gezondheidszorg. Enkele passages krijgen door de coronacrisis extra betekenis, zoals: “De evidentie dat toegang tot natuur en stadsparken van primordiaal belang is voor een goede mentale gezondheid groeit snel.” Moet het gezondheidsbeleid zich meer dan vroeger ook toespitsen op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, luchtvervuiling…?

Paul Herijgers: “Het concept ‘positieve gezondheid’ dringt stilaan door. Gezondheid is méér dan de afwezigheid van ziekte, zonder daarom de specificiteit van de gezondheidszorg te verloochenen. Het is belangrijk dat mensen zich op een gezonde manier kunnen ontplooien. Daarom moeten we andere componenten bij het gezondheidsbeleid betrekken en we zien dat langzaamaan gebeuren. Op het vlak van preventieve gezondheidszorg hebben we een groot deficit, dat is nu wel gebleken. Hoe stellen we orde op zaken? De basispreventieve gezondheidszorg verdient meer aandacht en middelen. Verder moeten we nadenken over systemen die we ter plaatse kunnen brengen en zo nodig opschalen. Het is onmogelijk om continu 1500 contactopspoorders actief te houden, maar we moeten wel een systeem hebben dat we snel kunnen multipliceren indien nodig. Verankerd bij de mensen, in de leefgemeenschappen, op een lokaal of regionaal niveau.”

In de eerstelijnszones dus?

Dirk Devroey: “Naast decaan ben ik voorzitter van een eerstelijnszone. Ik had dat engagement aangegaan nog voor de coronacrisis. We zijn daar met zijn allen echt in gedropt. Op 1 juli hebben we de eerste middelen gekregen en konden we effectief aan het werk, terwijl we toen al test- en triagecentra aan het opzetten waren met de eerstelijnszones. Je kan je niet voorstellen hoeveel werk de eerstelijnszones hebben verzet. En iedereen is het erover eens – zowel de lokale besturen, de huisartsen als de andere zorgverstrekkers – dat de eerstelijnszones een nuttig platform zijn. Ze zijn gegroeid uit de voormalige SEL’s, de LMN’s en de SIT’s en kunnen nu eindelijk onder één vlag samenwerken. We hadden natuurlijk liever de tijd gehad om open te bloeien, nu moesten we daarentegen aan de slag nog voor we goed en wel bestonden. Maar  dankzij corona zijn de eerstelijnszones zeer snel actief geworden en ze hebben meteen aangetoond hoe noodzakelijk ze zijn. De eerstelijnszones moeten wel beter ondersteund worden: het is goed dat ze ruimte krijgen, maar ze mogen niet aan hun lot overgelaten worden. Ik zie in de toekomst een grote rol weggelegd voor de eerstelijnszones.”

Prof. Guy Hubens: “Universiteit Antwerpen wil een onderzoeksprofessor aanstellen voor ‘healthy city’ in al zijn aspecten: de havenproblematiek, het fijnstof, de overkapping van de ring… Ook de klimaatproblematiek en de biodiversiteitscrisis maken hiervan deel uit. Dat thema leeft heel erg.”

Piet Stinissen: “Het concept van de eerstelijnszones is inderdaad zeer geschikt voor de toekomstige uitdagingen. De start ervan verliep chaotisch door de omstandigheden en de financiering is nog verre van wat ze moet zijn als je ziet welke taken en verantwoordelijkheden er allemaal bij komen kijken. Maar het concept zit goed.”

Piet Hoebeke: “Om even op je initiële vraag over preventie in brede zin terug te komen: vóór de coronacrisis worstelden we al met de klimaatcrisis. Die is natuurlijk niet weg. De klimaatcrisis zal een enorme impact hebben op onze gezondheid en op de gezondheidszorg. Beide crisissen hangen ook nauw samen. Er zijn mondiale crisissen die onze gezondheid en welzijn bedreigen en waar we op een hoger niveau moeten ingrijpen. De Green Deal van Europa is een stap in de goede richting. Dat Biden in de VS allicht ook de klimaatkaart zal trekken, stemt hoopvol. Als academici hebben we de plicht om te wijzen op de link tussen de coronacrisis, de klimaatcrisis en andere mondiale crisissen. Preventie op het niveau van het individu – meer wandelen, gezonder eten, meer bewegen – is erg belangrijk, maar tegelijk is er veel meer aan de hand en moeten we de problematiek breder zien.”

Guy Hubens: “Om het belang daarvan te onderstrepen wil de faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen van de Universiteit Antwerpen een onderzoeksprofessor aanstellen voor het thema healthy city in al zijn aspecten: de havenproblematiek, het fijnstof, de overkapping van de ring… Ook de klimaatproblematiek en de biodiversiteitscrisis maken hiervan deel uit. Dat thema leeft heel erg aan onze universiteit.

 

Dirk Devroey (VUB)

Welke impact heeft de coronacrisis op de studenten geneeskunde? Ik denk in het bijzonder aan de eerstejaarsstudenten, maar ook aan de artsen-specialisten in opleiding (ASO’s) en de huisartsen-in-opleiding (HAIO’s) die de voorbije maanden hun stageperiode helemaal door corona beheerst zagen? Heeft de coronacrisis op die manier ook een impact op de kwaliteit van de opleidingen?

Paul Herijgers: “We moeten een onderscheid maken tussen de verschillende groepen studenten. Voor de ASO’s van bepaalde disciplines is de kennismaking met bepaalde pathologieën lager geweest. Daartegenover staat dat  ze ervaringen hebben opgedaan die in gewone omstandigheden moeilijk aan te leren zijn. De opleidingen duren minstens vier tot zes jaar. Als de coronacrisis tot één jaar beperkt blijft, zal er geen blijvende impact zijn op de kwaliteit van de opleiding. De omstandigheden vergen wel extra werk van de stagemeesters. Hetzelfde geldt voor de HAIO’s: hun praktijk is sterk veranderd door de crisis, maar ze hebben tegelijk kansen gehad op het vlak van populatiemanagement en crisismanagement.

Wat de basisopleiding geneeskunde betreft: gelukkig omvat die veel practica, vaardigheidstrainingen en stages. Die zijn altijd blijven doorgaan. Dat is ook noodzakelijk om de kwaliteit van de opleiding te garanderen. Studenten hebben het wel dikwijls mentaal zwaar nu. Velen voelen zich eenzaam. Zeker bij de eerstejaarsstudenten, die aan het begin van hun opleiding doorgaans tientallen nieuwe vrienden maken, voel je dat gemis. We proberen dat te compenseren met online chats en andere initiatieven, maar die blijven een surrogaat voor echt menselijk contact. De studenten zullen blij zijn als alles weer normaal loopt aan de universiteit. Tegelijk heb ik een ongelooflijke maturiteit gezien bij de studenten. Als ik één ding geleerd heb, dan wel dat we ongelooflijke studenten hebben. Hoe deze jonge mensen met de crisis omgaan: hoed af daarvoor! Dat belooft voor de toekomst.”

Piet Hoebeke: “Ik sluit me daar volmondig bij aan. De studentenverenigingen, die in principe on hold werden gezet, hebben zich eindeloos creatief getoond. De veerkracht van studenten is enorm. Onze opdracht is om oog te hebben voor zij die door de mazen van het net dreigen te glippen. Maar ook daar helpen studenten elkaar. Op sociale media zie je dat elke dag. In onze geneeskundeopleiding heeft elke student een collega als mentor en voor de eerste bachelor zijn die mentorgroepen fysiek blijven samenkomen, net wegens het grote belang ervan. Zo heeft elke universiteit systemen opgezet om haar studenten goed op te vangen en te begeleiden.”

 

Paul Herijgers (KU Leuven)

Welke feedback vangt u op van de ASO’s en de HAIO’s?

Guy Hubens: “Dat hangt sterk van de discipline af. Ik ben zelf opleider heelkunde. Veel van de electieve programma’s hebben een tijdlang stilgelegen. Deze ASO’s hebben andere opdrachten op zich genomen. Die periode heeft maar enkele maanden geduurd, zodat de impact verwaarloosbaar is. Ook crisismanagement hoort bij de eindtermen. Doorgaans kunnen we daar weinig op oefenen, maar dat was nu wel anders. Van de meeste andere specialismen hoor ik weinig problemen. De souplesse van die jonge krachten is groot. Dat bewijzen ze nog maar eens.”

 

Prof. Herijgers: “Laat ons de positieve rol niet vergeten van de vele studenten die hun verantwoordelijkheid hebben genomen op momenten dat de woonzorgcentra dreigden te verzuipen. Honderden studenten zijn overal te lande gaan helpen. En ongetwijfeld zullen ze in de vaccinatiecampagne weer een waardevolle bijdrage leveren.”

Piet Stinissen: De UHasselt heeft alleen bachelorstudenten, maar ik kan beamen dat zij zeer gemotiveerd zijn. Ook wij zien een enorme creativiteit en een groot engagement. De kwaliteit van het onderwijs zal hier niet onder lijden. Niet alleen omdat tijdens de tweede lockdown veel meer mogelijk bleef, maar ook omdat de digitale alternatieven steeds beter worden. Dankzij de veerkracht bij de studenten én bij de docenten. Dat wordt soms weleens vergeten. De snelheid en de flexibiliteit waarmee docenten zich voor de lessen en examens helemaal anders georganiseerd hebben, is knap.”

Guy Hubens: “Helemaal akkoord. Onze docenten hebben in maart 2020 op anderhalve week tijd geschakeld. Er was nauwelijks tijd om dingen uit te proberen. Het kladwerk moest direct goed zijn. Heel sterk! Vandaag zijn de docenten al helemaal gerodeerd. Onderwijskundig heeft de crisis een enorme boost opgeleverd.”

Piet Hoebeke: “Wat ons en iedereen dreef, was de vaste wil om de studenten geen vertraging in hun studies te laten oplopen. Dat was van in het begin onze doelstelling. Daar zijn we goed in geslaagd. Niet alleen voor de artsen trouwens, ook voor de andere gezondheidszorgopleidingen.”

Ook zonder de coronacrisis was dit academiejaar bijzonder geweest. Door het loslaten van de federale artsenquota is het aantal studenten geneeskunde met meer dan 17% gestegen. Ook in de tandheelkunde en de biomedische wetenschappen zijn er veel meer studenten. De decanen Geneeskunde hebben zich hiertegen lang verzet en wel om twee redenen: de kwaliteit van de opleiding zou ernstig bedreigd worden én er is helemaal geen nood aan meer artsen, alleen aan een betere spreiding over de specialismen. Staat de kwaliteit van de opleiding dit academiejaar nu inderdaad onder grote druk?

Piet Hoebeke: “Op dit ogenblik maken regeringscommissarissen de oefening voor de opleidingen geneeskunde en tandheelkunde. Ze zijn zo goed als klaar met hun analyse. Ik heb het cijfermateriaal al even kunnen bekijken. Met een gesloten enveloppe moeten we meer studenten met dezelfde middelen opleiden. Voor dure opleidingen gaat dat gewoon niet. Je boet sowieso aan kwaliteit in. Je hoeft geen groot wiskundige te zijn om dat te snappen. De analyse wordt gemaakt op vraag van minister Weyts en ik hoop dat ze leidt tot een betere financiering. Het gaat vooral over personeel. Neem de tandheelkunde, een heel praktijkgerichte opleiding: je hebt de stoelen nodig, maar vooral ook de mensen die de studenten begeleiden. Door de hogere quota is er dit jaar een financieel gat geslagen.”

Paul Herijgers: “De opleiding tandheelkunde stijgt bij ons nog meer dan de opleiding geneeskunde. De praktijkopleiding wordt een enorme uitdaging de komende jaren. Je kan een student op een patiënt laten oefenen, maar daar moet wel altijd een professional bij aanwezig zijn om te voorkomen dat de student uitschiet met de boor. We kunnen niet inleveren op veiligheid. Hetzelfde geldt voor de geneeskunde. De pediatrieën en de materniteiten zijn aan het krimpen. Toch zullen we over enkele jaren meer studenten een goede stageplaats moeten aanbieden. Dat wordt een zoektocht. Vandaar de nood aan een goede spreiding over de specialismen. We zijn er de jongste jaren in geslaagd meer studenten te winnen voor de huisartsengeneeskunde. Nooit eerder studeerde zo’n grote cohorte huisartsen af. Die zullen allemaal werk vinden. Als je iets verandert aan de instroom, duurt het negen tot twaalf jaar voor je daarvan de effecten ziet bij de uitstroom – zo lang duren de opleidingen nu eenmaal. Het beleid moet dus altijd tien jaar vooruitkijken.”

Voor een betere spreiding over de specialismen suggereert u twee oplossingen: subquota per specialisme én een hervorming op federaal niveau van de artsenhonoraria. Om te beginnen: hoe staat het met de subquota? Een Vlaamse planningscommissie met afgevaardigden van de faculteiten Geneeskunde buigt zich hierover?

Piet Hoebeke: “Het is weer een politieke beslissing om naast de federale planningscommissie nu ook een Vlaamse planningscommissie te installeren. Is dat nodig? De cijfers en het kadaster zijn bekend. We weten nagenoeg alles. Maar zolang het financieringssysteem niet verandert en er spagaten met een factor tien in verloning tussen verschillende specialismen blijven, zal die grote wortel voor de neus van de studenten blijven hangen. Het vooruitzicht op een veel hoger inkomen speelt nu eenmaal een rol bij de keuze voor een specialisme. Bij eerstejaars organiseren we altijd een bevraging: wat wil je later worden? 10% geeft op dat moment aan huisarts te willen worden, 60% wil specialist worden en 30% is nog onbeslist. Het is onze opdracht om van in het begin van de opleiding het hele gamma aan mogelijkheden bekend te maken en realistisch-attractief voor te stellen. Dat is een uitdaging, maar we slagen daar meer en meer in. Maar als de overheid nu geen werk maakt van een herziening van de nomenclatuur, tja, dan blijven we dweilen met de kraan open…”

Met uw permissie gezegd: ik hoor al 20 jaar dat dit een zéér dringend probleem is. Zowat iedereen is het daarover eens. Ook de oplossingen zijn bekend, er zijn al talloze studies over verricht. Waarom zou minister Frank Vandenbroucke nu wel slagen? En vooral: waar hangt het van af?

Piet Hoebeke: “Nooit eerder stond het zo duidelijk in de regeerverklaring. Bovendien heeft de vorige regering de eerste stapjes gezet. Er zijn achter de schermen werkgroepen bezig met de voorbereiding. Maar uiteindelijk blijft de kern van het probleem: het is gemakkelijk om aan mensen die weinig hebben iets meer te geven, maar het is bijzonder moeilijk om van mensen die heel veel hebben iets af te nemen. Dan gaan bepaalde beroepsgroepen op hun achterste poten staan… Er is een enorme conservatieve reflex om deze hervormingen tegen te houden. Er wordt op de rem gestaan.”

Kort door de bocht: een kleine groep slaagt er al 20 jaar in om de boel te blokkeren?

Guy Hubens: “Ik weet niet of de groep zo klein is… We kloppen inderdaad al 20 jaar op die nagel, maar vandaag beweegt er toch iets.”

Dirk Devroey: “De kans die de coronacrisis nu biedt, moeten we met beide handen grijpen. Het momentum is er. Dit is een grote opportuniteit om niet alleen de financiering van de ziekenhuizen eens grondig te bekijken, maar ook van de eerste lijn. We moeten tegelijk meer inzetten op praktijken en diensten waar studenten gevormd worden. Het vinden van stageplaatsen in de eerste lijn tijdens de basisopleiding is niet evident. Die mensen worden daar ook 0,0 euro voor vergoed, of in het beste geval 50 euro per week die de universiteit zelf ophoest. We moeten toekomstgericht werken. Neem de HAIO’s: 12 jaar geleden hadden we tweehonderd huisartsen in opleiding in Vlaanderen, vandaag duizend. Dat wil zeggen dat we achthonderd extra opleidingspraktijken hebben moeten vinden. Voor die praktijken wordt het minder evident om ook nog eens meer studenten van de basisopleiding te begeleiden, want ze hebben al hun handen vol met de HAIO’s. De overheid moet daarom de opleidingspraktijken voor basisstudenten beter ondersteunen.”

Prof. Piet Hoebeke: “Als academici hebben we de plicht om te wijzen op de link tussen de coronacrisis, de klimaatcrisis en andere mondiale crisissen. Preventie op het niveau van het individu – meer wandelen, gezonder eten, meer bewegen – is erg belangrijk, maar tegelijk is er veel meer aan de hand en moeten we de problematiek breder zien.”

Paul Herijgers: “De financiering van de gezondheidszorg over alle niveaus blijft complex. Er is niet onterecht koud-
watervrees voor onvoorziene gevolgen. Als men aan één knop draait, kan er van alles in beweging komen. Een fundamentele herdenking van het systeem moet daar vooraf allemaal goed rekening mee houden. En ja, op het einde van de rit zal er politieke moed nodig zijn om op basis van een gedegen en gedragen voorbereiding knopen door te hakken.”

Piet Stinissen: “Er is al veel studiewerk verricht, alle elementen liggen op tafel en minister Vandenbroucke beschikt over de beste troeven om in dit dossier vooruitgang te boeken. Hij heeft eerder bewezen dat hij moedige beslissingen durft te nemen.”

Piet Hoebeke: “Het feit dat de opleider de werkgever is, blijft een probleem. Ik heb ook in Nederland gewerkt, waar de situatie anders is. Het is eenvoudig: bij ons kan je je productie opdrijven door enkele goedkope arbeidskrachten, bijvoorbeeld assistenten chirurgie, in te zetten. Dat model wringt. Er is nu recent een opleidingsvergoeding toegewezen van 8.000 euro. Dat is prima als die vergoeding effectief gaat naar de opleidingscomponent. Maar ik vrees dat de stagemeester nu gewoon die 8.000 incasseert. Om concreet te zijn: in de universiteiten hebben ze geld van de B7 weggehaald en wat we nu krijgen via de opleidingsportefeuille wordt gebruikt om dat gat in de B7 terug op te vullen. Uiteindelijk gaat dat geld niet naar de opleiding en wel naar het werkgeverskapitaal. Daar zit echt een knoop: de relatie tussen de mensen die we opleiden en zij die werk geven aan de mensen die we opleiden.”

 

Piet Stinissen (UHasselt)

Moet er niet ook een beter statuut en betere werkomstandigheden komen voor de ASO’s? De meeste ASO’s kloppen nog altijd heel veel uren?

Piet Hoebeke: “In Nederland krijgt een opleider ‘vertragingsgeld’: een vergoeding omdat zijn praktijk op een trager tempo schakelt om de opleiding te kunnen geven. De opleider krijgt dus ruimte om de opleiding te geven. Dat is een mooi systeem, waarmee je vermijdt dat studenten mee moeten draaien in een economisch systeem en niet mogen badgen zodat ze zeventig of tachtig uur kunnen presteren. We moeten eens goed nadenken over een billijker structuur. Je weet ook dat de master Specialist in de geneeskunde niet gefinancierd wordt. We krijgen daarvoor geen eurocent. Dus ook die opleiding zit in het economisch systeem ingekapseld via RIZIV-prestaties.”

Nog een laatste rondje suggesties of opmerkingen om te besluiten?

Paul Herijgers: “In het begin van de coronacrisis was er even de vrees dat bepaalde disciplines door de lockdown onvoldoende middelen zouden hebben om de ASO’s te betalen. Dat heeft de vinger op de wonde gelegd. We hebben dan met alle decanen samen binnen enkele uren een standpunt ingenomen om dat te vermijden. ASO’s kunnen immers niet terugvallen op tijdelijke werkloosheid of zo. En als we willen dat ze breed inzetbaar zijn, moeten we ze voldoende zekerheid kunnen geven in die moeilijke momenten. Dus ja, we hebben nood aan een beter sociaal statuut voor de ASO’s, zelfs los van eventuele uitbuiting, die we uiteraard ook krachtig moeten bestrijden als er zich casussen voordoen. Het zou nuttig kunnen zijn de financiering van ASO’s nog wat losser te maken van de prestatie-
geneeskunde.”

Guy Hubens: “Wat ik persoonlijk onthoud uit deze crisis, is de goede samenwerking onder de decanen. Dat is misschien niet altijd zo geweest, maar vandaag hebben we heel korte lijnen. Ook dat heeft bijgedragen aan de vlotte realisatie van veel initiatieven, zowel voor onze studenten als voor de docenten. Het is fijn om constructief samen te werken over de faculteiten heen. We zien elkaar bijna maandelijks. En als er nood toe is, dan vinden we elkaar meteen.”

Piet Stinissen: “Dat klopt helemaal. We leren voortdurend van elkaar. We pakken de uitdagingen samen aan. Zoals de vaccinatie van studenten die op ons afkomt. Daarnaast wil ik nog even wijzen op de rol van onze faculteiten op het vlak van wetenschappelijk onderzoek. Ook daar hebben we de voorbije maanden onze expertise bewezen. En ook daar zijn onze studenten in ondergedompeld geweest. Het is voor hen een fantastisch verhaal om van op de eerste rij te volgen hoe zo’n nieuwe vaccins en therapieën ontwikkeld worden. Ondanks alle ellende was corona een interessante leerschool.”

Dirk Devroey: “We moeten van deze crisis een momentum maken om naar een ander en beter ‘normaal’ te gaan. We kunnen beter doen. Laat ons sterker uit deze crisis komen. Die boodschap wil ik uitdragen: kijk vooruit, hou de goede dingen vast en maak er een keerpunt van in de geschiedenis.”

Piet Hoebeke: “Optimism is a moral duty. Dat is in 2020 het hele jaar door mijn hoofd blijven spelen. Er is veel hoop voor de toekomst. Laat ons het beste uit deze crisis halen.”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE


Decanen Geneeskunde in Vlaanderen

Prof. Dirk Devroey – Decaan faculteit
Geneeskunde en Farmacie VUB

Prof. Paul Herijgers – Decaan faculteit
Geneeskunde KU Leuven

Prof. Piet Hoebeke – Decaan faculteit
Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen UGent

Prof. Guy Hubens – Decaan faculteit
Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen UAntwerpen

Prof. Piet Stinissen – Decaan faculteit
Geneeskunde en Levenswetenschappen UHasselt


Gerelateerde berichten

“Mijn vrijwilligerswerk helpt mij bij het herstellen van mijn burn-out”

Kristel Callebaut werkt als vrijwilliger op de dienst orthopedie in het ASZ.

“Het doet zo’n deugd als een bewoner zegt dat hij de mooiste namiddag van zijn verblijf in Meredal heeft meegemaakt”

wzc Meredal kan al vijftien jaar rekenen op de inzet van het koppel Raymond en Frieda. Ze brengen leven en cultuur, en zetten daarbij vooral de bewoner centraal.

“Ik wil iets teruggeven aan de maatschappij”

Vorig jaar startte Nilton Goté als vrijwillig ervaringswerker bij Psychosociaal Revalidatiecentrum De Keerkring: “Als voormalig cliënt in de geestelijke gezondheidszorg wil ik mijn ervaringen doorgeven.”

“Ik wil me inzetten voor iets diepgaands”

Eline D’haene besloot in 2020 om zich te registreren als buddy. Daarmee werd ze op vrijwillige basis de toeverlaat voor een persoon met een psychische kwetsbaarheid.

Verbondenheid doorheen de winter

We zwoegen ons door een moeilijke winter, met koude en grijze dagen. In onze beperkte bubbel hunkeren we naar het sociale leven van weleer.

“De human factor verdient de prioriteit in elk hr-beleid”

Christine Van der Hoogerstraete, voorzitter commissie medewerkersbeleid van Zorgnet-Icuro, ziet kansen na de crisis: "Het welzijn van de medewerkers moet de komende jaren op de eerste plaats komen."

Ziekenhuisstage voor huisartsen in opleiding helpt bruggen bouwen tussen eerste en tweede lijn

Ingeborg Hofman (ICHO) en Riet Breesch (ACHG KU Leuven) maken eerste balans op van ziekenhuisstages voor huisartsen in opleiding: "Leerrijk voor alle partijen."

“Het is belangrijk dat we ook de rouw van zorgverleners erkennen”

Psychiater Uus Knops over rouwen in tijden van corona: "Rouwen stopt niet als je vijf fasen hebt doorlopen of vier taken hebt volbracht. Het duurt levenslang."

“Als we mensen kunnen aanmoedigen om elkaar te helpen, is onze missie geslaagd”

Houvast, de app voor Eerste Hulp Bij Psychische Problemen. "Niet de bedoeling van de app-gebruikers professionele hulpverleners te maken."

Mantelzorg verhuist mee naar het woonzorgcentrum

Onderzoekers Liesbet Van Vlasselaer en Katrien Peeters: "Mantelzorgers willen zich vooral betekenisvol voelen. Participatie wordt op dit moment te vaak ingevuld als het delen van zorgtaken, terwijl het meer is dan dat."