KINDERPSYCHIATERS PETER ADRIAENSSENS EN ANNIK LAMPO GEVEN DE FAKKEL DOOR

SOMMIGE KINDEREN VERGEET JE NOOIT. SOMS OMDAT JE ER VEEL VOOR KON DOEN, SOMS OMDAT HET NIET LUKTE.

Noem hen gerust pioniers van de kinder- en jeugdpsychiatrie. Kinderpsychiaters Annik Lampo en Peter Adriaenssens zagen hun vak de voorbije dertig jaar groeien, evolueren en exploderen. “De kracht van onze discipline is dat het een combinatie van wetenschap en creativiteit is. We hebben het altijd ervaren als een dynamisch vak waarbij je constant moet bijbenen, observeren, luisteren en zien,” klinkt het in koor. Dit najaar gaan ze allebei met pensioen. “Op het moment dat je bijscholing moet vragen aan de jongeren omdat je de zangers van hun generatie niet meer kent, weet je dat je de temperatuur van hun generatie niet meer zo goed aanvoelt. Maar we geven de fakkel vol vertrouwen door.”

De kinder- en jeugdpsychiatrie is een jonge discipline waar jullie pioniers in waren. Hoe hebben jullie dit vak zien evolueren?
Peter Adriaenssens: Als je kijkt naar ons vak vandaag, is dat een hemelsbreed verschil met dertig jaar geleden. De kracht van onze discipline zit in de combinatie van wetenschap en creativiteit. Net dat wetenschappelijk luik is geëxplodeerd in de jaren 2000. 

Annik Lampo: Het grote verschil is dat de ontwikkelingspsychologie nu wetenschappelijk onderbouwd is. Vroeger deden we veel observaties, we zagen de ontwikkelingen en konden die vaststellen. Maar nu hebben we ook de onderbouw. De kracht zit inderdaad in de combinatie van wetenschap en creativiteit, maar tege­lijkertijd is dat ook onze zwakte. Het is ons meermaals verweten dat we dingen probeerden te verklaren, maar geen bewijsvoering konden voorleggen. 

Peter Adriaenssens: We realiseren ons dat we in een heel jong vak zitten. Het is veel te vroeg om ervan uit te gaan dat we werken in een domein van verworven kennis. Kijk maar naar het debat met de publieke opinie. Worden er niet te veel diagnoses gesteld? Wordt er niet te veel medicatie gegeven? We zijn met kinder- en jeugdpsychiatrie helemaal nog niet aan het punt waarop we kunnen zeggen dat een diagnose een statisch gegeven is. Voor een kinderarts is een infectie een infectie. Wij hebben op dat vlak nog een lange weg af te leggen. En dat is ook de dynamiek die je zelf in je omgeving moet bewaren met de mensen die in opleiding zijn. Je moet nog heel sterk de vinger aan de pols houden.

Annik Lampo: We moeten voortdurend dingen in vraag durven stellen, durven twijfelen. Dat alles door alles wordt beïnvloed is een feit. Zo hangt de ernst van de problemen af van hoe de opvang is, hoe het met de veiligheid gesteld is, hoe een kind gesteund wordt. Er zijn enorm veel variabelen die een rol spelen, maar je kan die ook bewerken. Net dat is de sterkte van kinder- en jeugdpsychiatrie. Je kan een ziektebeeld of symptomen verminderen door aan de omgeving te werken, door de koppen samen te steken en de steun te vergroten rond een kind of een jongere.

Peter Adriaenssens: In de jaren 1960 kwamen de woorden kindermishandeling en trauma niet eens voor in het handboek van de kinderpsychiatrie. Dat werd beschouwd als materie voor de jeugd­bescherming. Zowel voor Annik als voor mij zat een belangrijk deel van ons werk in dat veld van kindermishandeling, trauma en seksueel geweld. Vandaag weet iedereen dat de meeste jongeren die wij opnemen trauma’s te verwerken hebben gekregen. Nu weten we dat trauma een belangrijke bron is van psychopathologie. Daar werd 30 jaar geleden nog aan getwijfeld. Overdreven we niet?

Annik Lampo: We zijn allebei begonnen als vertrouwensarts. We gingen ervan uit dat mensen die thuis te gewelddadig waren ook recht hadden op hulp. Natuurlijk bleef het ook nodig om sommige kinderen te beschermen, maar er kwam een nieuwe beweging op gang. We stopten met enkel een repressief antwoord te geven en alleen maar kinderen uit zo’n situatie te halen. Uit onderzoek bleek immers dat kinderen die opgroeiden in een instelling net vaak de kinderen waren die er op lange termijn het slechtst aan toe waren. Dat besef zorgde voor een kentering waardoor meer werd ingezet op de noden van het gezin. 

Peter Adriaenssens: Op dat moment maakte de zaak-Dutroux de ernst van het probleem duidelijk voor de publieke opinie. Voor de zaak-Dutroux werden wij als hulpverlener regelmatig bedreigd door daders of gezinnen die angstig waren voor onze tussenkomst. Na de zaak-Dutroux ontmoette je ineens heel wat ouders die zeiden: ‘Ik begrijp dat je dit moet onderzoeken, maar ik ben geen Dutroux.’ Dutroux werd een soort monsterstandaard, maar men begreep plots wel dat er toch naar dat onderwerp moest gekeken worden. Het drong bij de publieke opinie door dat er mensen bestaan die kinderen de meest walgelijke dingen aandoen.

Peter Adriaenssens: Het concept hechting is ook zo’n voorbeeld. Dertig jaar geleden was dat een heel eenvoudig concept. Een ouder moet zijn kind graag zien. Dat concept is door onderzoek ontploft tot een heel ingewikkeld gegeven. Hechting staat niet enkel voor een ouder die een kind veiligheid biedt. Door hechting leert een kind ook een sociale omgeving lezen. Essen­tieel als je denkt aan de wereld van vandaag waarin het bijna niet meer bestaat om heel je leven apart aan een bureautje te zitten. Je moet in groep kunnen werken, in grote bureaus of collectieve ruimtes. De kinder- en jeugdpsychiatrie staat niet los van de rest. De volwassenenpsychiatrie sprak vroeger niet over ASS of ADHD. Net door de kinder- en jeugdpsychiatrie leerden ze daarnaar kijken bij hun cliënten. Vandaag zijn wij veel meer geïnteresseerd in de onderzoeksvraag: “Wat maakt dat het ene kind de problematiek afrondt in zijn jeugd en dat het bij de andere een autostrade lijkt te zijn naar het volwassen leven?” Er zijn nog heel veel factoren die we niet kennen en waar we weinig vat op hebben. 

Annik Lampo: We weten inderdaad nog zoveel niet. Maar we weten wel zeker dat veiligheid, interactie en hechting met ouders preventief inwerkt op veel triestheid en moeilijkheden. Net dat is het fantastische aan kinder- en jeugdpsychiatrie. Hoe vroeger je kan beginnen, hoe beter. 

Onze maatschappij gaat vandaag veel bewuster om met labels zoals ADHD, ADD en ASS. Is dat een goede ontwikkeling?
Peter Adriaenssens: Ik vind dat we daarop fier mogen zijn. We zijn veel respectvoller voor de kwetsbaarheid van elkeen. We leven veel minder met het concept van een doorsnee kind. Maar dat betekent ook dat we in een overgangsgeneratie zitten waar we dat zijn juiste plaats moeten geven. En daar zitten wel nog moeilijkheden. Hoe zorg je ervoor dat een diagnose de bril bepaalt waarmee je naar je kind kijkt, maar dat we die niet gebruiken als een handicapomschrijving? Wat met een klas van twintig kinderen, waarvan er zes een apart briefje hebben. Hoe kan je van één leerkracht verwachten dat hij dat allemaal kan managen? 

Er zijn ontsporingen ontstaan in snelheid. Ons vakgebied heeft de laatste 15 jaar een grotere versnelling gekregen, maar een school heeft nog altijd evenveel leerlingen per leerkracht. Het is moeilijk om de samen­leving de boodschap te verkopen dat ze meer geld in onderwijs moeten steken. En toch is het belangrijk, want net daar kan je zo’n grote preventie realiseren. Maar er is ook een andere kant van de medaille. De diagnose die wij bijvoorbeeld op dit moment eigenlijk niet meer mogen stellen zonder flinke herrie te hebben is: “U moet uw kind wel opvoeden.” Wij zien vaak mensen die van de ene onderzoeksgroep naar de andere trekken tot ze een of andere diagnose krijgen.

“Voor de zaak-Dutroux werden wij als hulpverlener regelmatig bedreigd door daders of gezinnen die angstig waren voor onze tussenkomst. Na de zaak-Dutroux ontmoette je ineens heel wat ouders die zeiden: ‘Ik begrijp dat je dit moet onderzoeken, maar ik ben geen Dutroux.’”

Annik Lampo: Dat heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat een diagnose gelinkt is aan het verkrijgen van hulp. Bepaalde hulpsystemen zullen immers pas starten wanneer een diagnose bevestigd wordt op papier. 

Peter Adriaenssens: Dat zijn perversies die wij nooit verwacht hadden. Dit vak ontwikkelt zich met de intentie om te helpen, maar dat moet worden vertaald naar beleidsrichtlijnen. En die steunen steeds minder op vertrouwen. Het lijkt een evidentie dat een diagnose gegeven wordt om iemand te helpen en dat aangepaste hulp ingeschakeld wordt. Maar vandaag moet alles bewezen en administratief ondersteund worden. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de laatste vijf jaar af en toe dacht: ‘ik herken mijn vak niet meer’. Dat is pijnlijk om te moeten zeggen. De tijd dat je gewoon naar de schooldirecteur belde om te bespreken hoe een kind kon worden ondersteund, dat is voorbij. Alles moet gestaafd worden door kilo’s documenten, waarbij de administratie het aandurft om een document terug te sturen omdat één vakje niet werd aangevinkt. Ik kijk met verbazing hoe wij als hulpverleners daar een machteloos gedrag tegenover ontwikkelen. Wij zouden kunnen leren van de klimaatbrossers. 

Het is opvallend dat steeds meer kinderen problemen ervaren. 1 op 5 jongeren kampt met psychische problemen. Het suïcide­cijfer was nog nooit zo hoog. Hoe komt het dat de jeugd zo massaal lijkt uit te vallen?
Annik Lampo: Ik denk dat die trend twee kanten heeft. Enerzijds is de wereld moeilijker en veeleisender geworden. Er komt van alle kanten zoveel op hen af, denk maar aan sociale media. De jongeren zijn overbelast en weten niet meer wat ze eerst moeten doen. Anderzijds denk ik ook dat heel wat jongeren, kinderen en ouders rekenen op de ‘ander’ en zo hun eigen veerkracht niet aanwenden. Dat is vandaag soms moeilijk merk ik, alsof het leven altijd leuk en grappig moet zijn. Iedereen heeft verdriet, examens bestaan, er zullen vrienden zijn die je laten vallen of relaties die pijnlijk aflopen. Dat is het leven. 

Peter Adriaenssens: We spreken van een gevoeligere generatie. Het is belangrijk dat we hen frustratie aanleren. Dat moet een plaats hebben in de opvoeding, samen met het liefhebben van het complexe. Want we leven in een complexe tijd. Het leven is niet meer zo rechtlijnig. Er is geen automatisch verband meer tussen je diploma en wat je zal doen. Goed studeren is geen garantie op succes, want je moet ook veel sociale vaardigheden hebben in de maatschappij van vandaag. Jongeren moeten oefenen met de wereld en dat is moeilijk als je alleen maar krantenkoppen ziet over burn-out. Waar is het verhaal dat je gek kan worden van de hele dag thuis zitten, dat je op je werk vrienden kan maken? In veel gezinnen wordt er niet meer gediscussieerd over politiek, over maatschappelijke kwesties, over meningen. Als ouders niets vertellen, kunnen kinderen niet leren van de wereld.

Door sociale media zijn kinderen ook niet meer ‘los’ van de anderen. In welke mate heeft die tijdsgeest invloed op hen?
Peter Adriaenssens: Wij zitten natuurlijk in het eindstation, maar wij merken die invloed zeker. De sociale media zorgen voor een toename van de psychopathologie. Vooral in de velden van angst, depressie en suïcidaliteit. De andere factoren die problemen geven – zoals gezinsfactoren, de ontwikkeling, tiener worden – zijn factoren die al meer dan een generatie bestaan. Het enige wat nieuw is en een breuklijn vormt met de eerdere generatie zijn de sociale media. Als ik voor ouders spreek, dan herkent iedereen dat probleem. En toch draait heel die industrie door volwassenen. Zij kopen die toestellen aan. Zij kunnen schermtijd bepalen, maar als volwassenen slagen we er niet in om solidair met elkaar te zeggen: ‘Hier ligt de grens.’ Er zit ook een problematische link met de wereld van de volwassenen. Je kan nog verklaren waarom je grove taal aantreft bij tieners, maar niet waarom je diezelfde taal hoort bij dertigers en veertigers. Hoe komt het dat alle kranten iemand in dienst hebben die meest grove reacties moet verwijderen uit de commentaarsectie? We moeten een appel doen aan elkaar, als burgers. Als je wil dat het goed gaat met de jeugd, dan moeten we bij onszelf beginnen. We zijn de generatie die graag van zichzelf zegt dat we goed opgevoed zijn. Maar we zijn ook de generatie van het kort lontje.

Annik Lampo: Ouders geven kinderen een GSM om te weten waar ze zijn. Waar zijn we mee bezig? Het hebben van een kind is leren loslaten. Het is ervoor zorgen dat de wereld van een kind open, boeiend en sociaal wordt. We zien meer en meer
ouders die daarvoor te angstig zijn. 

Peter Adriaenssens: Misschien is het een goed teken dat we nu 13-jarigen zien die hun beklag doen over het smartphonegebruik van hun ouders. Wanneer ze op restaurant gaan legt papa zijn smart­phone onmiddellijk naast zijn bord en scrolt mama onder tafel door Instagram. Misschien hebben we ook daar een overgangsgeneratie. De huidige jongeren zullen daar jammer genoeg de kwetsuren van meenemen. Zij hebben misschien minder verhalen over gezinsgeweld, maar wel meer verhalen over geweld in de samenleving. 

Wat heeft onze maatschappij nodig om goed voor kinderen en jongeren te zorgen?
Annik Lampo: Wat de maatschappij nodig heeft, is zorg en verbondenheid. Dat vertaalt zich bijvoorbeeld in een school die alert is en de dialoog met de ouders aangaat, afspraken die onderling gemaakt worden voor vervoer naar hobby, wegwerken van taboes. 

Peter Adriaenssens: De meerderheid van de kinderen, ruim 70%, stelt het goed. Wij zijn de advocaten van de kwetsbare groep. Wij pleiten voor hun rechten, hun welzijn en gezondheid. De beste preventie is alle jongeren duidelijk maken dat ze in een geweldig land leven. En daarvoor moeten wij als volwassenen ook sleutelen aan ons negatief discours. Neen, we leven niet in een apenland. De belangrijkste preventie is er op blijven hameren dat er heel veel is dat goed gaat. Niet alles, uiteraard is er veel ruimte voor verbetering. 

Annik Lampo: We moeten de jongeren veilig opvoeden. Dat wil niet zeggen dat we elke beweging controleren, maar wel dat we hen een veilig gevoel meegeven. Je moet ze alert maken, maar niet bang. Er bestaan slechte mensen en moeilijke levensomstandigheden. Als je blijft opvoeden, dan zit je in het hoofd van je kinderen. Als ze over de grens gaan, en dat zullen ze doen, dan wéten zij ook wel dat ze slecht bezig zijn, net omdat wij daar in hun hoofd zitten. En dat is de garantie voor later: we geven hen het vertrouwen om fouten te maken en om die recht te zetten. 

“Je moet kinderen alert maken, maar niet bang. Er bestaan slechte mensen en moeilijke levensomstandigheden. Als je blijft opvoeden, dan zit je in het hoofd van je kinderen. Als ze over de grens gaan, en dat zullen ze doen, dan wéten zij ook wel dat ze slecht bezig zijn, net omdat wij daar in hun hoofd zitten.”

Wat moet er gebeuren om grote stappen vooruit te zetten binnen de kinder- en jeugdpsychiatrie?
Annik Lampo: Er zijn uiteraard meer middelen en meer zorg nodig. Maar daarnaast moet er ingezet worden op uitwisseling en dialoog. Het verschil in visie is soms zo groot. Jij zegt het ook, Peter. Je kan kindermishandeling niet op honderd manieren behandelen. Je kan autisme niet op zesendertig verschillende manieren omkaderen. Kinderen die angstig en depressief zijn, daar bestaan behandelingen voor. Maar dat zijn geen duizend verschillende. Er moet dialoog zijn, blijvende competentieverhoging en input. Mensen moeten bijgeschoold blijven, durven nadenken en blijven vragen stellen. 

Peter Adriaenssens: Op dertig jaar tijd zijn er grote investeringen gedaan. En toch zit iedereen met het gevoel dat het niet goed draait. Het is heel cynisch om te merken dat een kind in moeilijkheden zit, maar dan maanden op een wachtlijst terechtkomt vooraleer er hulp kan worden geboden. Er vallen veel gaten in het systeem en je weet dat die problematiek ondertussen alleen maar erger wordt. Die snelheid in schakelen is een probleem, maar je hebt prioritair een veel grotere eerstelijnszorg nodig om mee te helpen uitfilteren. En om jongeren onmiddellijk te helpen aansluiten.

Annik Lampo: Dichter bij de jongeren staan is nodig, maar de vermaatschappelijking van de zorg heeft er ook toe geleid dat men soms denkt dat vroegtijdige hulp en preventie er voor zullen zorgen dat er geen psychisch zieke kinderen meer zijn. Dat is onjuist. Je kan niet alles oplossen aan de basis. Er is een grotere alertheid, iedereen is zich meer bewust van de problemen die bestaan. Er wordt vlugger gemeld, gedacht en zorg toegevoegd en dat is goed. Maar de verzadiging van de wachtlijsten is daar bijvoorbeeld een gevolg van.

Peter Adriaenssens: Daarnaast moet we ook de tijd voor psychotherapie beschermen. Veranderingen vragen tijd. Dat is een moeilijke boodschap in een maatschappij van snelheid. Het is ook een boodschap die het grote publiek amper bereikt. Het fijne aan ons beroep is dat wij voortdurend mee mogen opstappen in de tussenstation­netjes in de ontwikkeling van een kind. Dat is een geluk, daardoor doen we onze job met een zeker optimisme. Wij hebben heel vaak een hoopvolle boodschap, maar die vraagt ook tijd. Vroeger was dat een evidentie. Vandaag willen mensen dat er na drie consultaties geen gedragsproblemen meer zijn. 

Jullie zijn zelf ouder en grootouder. Had dat invloed op jullie manier van werken?
Peter Adriaenssens: Dat heeft altijd invloed. Je merkt bijvoorbeeld onmiddellijk wanneer een assistent voor het eerst een kind gekregen heeft. Dan duikt er een mildheid op in de toon. Als je zelf kinderen hebt, dan roep je een beetje minder. Als je zelf een paar nachten niet geslapen hebt, dan begrijp je hoe dat een invloed kan hebben op je vaardigheden. Je begrijpt ouders beter, ook het feit dat ze fouten maken. Maar het werkt ook door in de omgekeerde richting. Het had ook invloed op ons leven. Je wordt een bevoorrechte getuige. Wij ontmoeten een hele dag door alle mogelijke problemen die zich in een relatie of een gezin kunnen voordoen. Dat neem je meer naar huis en daar praat je over. Op die manier is ons werk een vorm van preventie naar ons eigen leven toe. Je neemt verhalen mee en denkt er over na. ‘Stel dat…’ ‘Wat zouden wij doen?’ Wanneer er zich effectief problemen voordoen, heb je meer geoefend op mogelijke antwoorden.

Annik Lampo: Je relativeert meer met een job als deze. Ja, natuurlijk was het al eens moeilijk thuis of had iemand verdriet. Maar het werk in het ziekenhuis hielp om je te realiseren ‘waar klagen wij over?’ Telkens als ik dacht dat ik het ergste gehoord had, kwam er een verhaal dat zo mogelijk nog erger was. ‘Hoe overleeft een kind dit?’, vroeg ik me af. ‘Hoe komt het daar uit?’ 

Wat laat een blijvende indruk na?
Annik Lampo: Ik denk dat we allebei hetzelfde zullen antwoorden: de mensen. Zowel de collega’s waarmee je werkt als de kinderen en hun ouders. Sommige kinderen vergeet je nooit, soms omdat je er veel voor kon doen, soms omdat dat niet lukte. Die kinderen neem je mee. Je vergeet ze nooit. 

Peter Adriaenssens: Je ziet in dit beroep helden. Zowel jongeren als ouders die zich door onmogelijke situaties heen worstelen. Situaties waarvan ik niet weet of ik het zelf zou kunnen volhouden. Er zijn jongeren die zich ondanks hun beperkingen en moeilijkheden fantastisch door het leven slaan. Maar er is ook het kerkhof dat ieder van ons meedraagt. De jongeren die we verloren zijn. Soms denken jongeren dat we hen vergeten zodra ze de consultatieruimte buitenstappen. Dat is niet zo. Ze zijn geen nummer. Wij denken aan hen en dragen ze met ons mee. 

Geven jullie de stok vol vertrouwen door aan de volgende generatie?
Peter Adriaenssens: Wij zijn op het punt gekomen dat we bijscholing moeten vragen aan de jongeren omdat we de zangers van hun generatie niet meer kennen, of de teksten waar zij voor gaan. Op een bepaald moment zijn wij grootouders geworden. Het voordeel van de jongere generatie is dat ze de temperatuur van de jongeren goed aanvoelen. 

Annik Lampo: Leven is veranderen. Elk vak, ook de kinder- en jeugdpsychiatrie, vaart wel bij verandering en verjonging. Maar ik durf ook stellen dat we iets hebben achtergelaten. We hebben mensen aan het denken gezet over hoe erg geweld kan zijn en hoe groot het lijden van kinderen kan zijn. Misschien was men het niet altijd eens met ons, en dat hoeft ook niet, zolang de dialoog blijft bestaan en er bruggen gesmeed worden tussen zorg in al haar vormen. Het lijken misschien holle woorden, maar het is toch wat we allemaal voelen: dat je samen sterker staat. 

 

TEKST: KIM MARLIER • BEELD: JAN LOCUS