REBOOTKAMP HELPT JONGEREN CONTROLE TE HERWINNEN

"Gamen moet terug de juiste proporties aannemen"

Oktober 2021

Beeld het je even in: je kind rent na schooltijd meteen naar zijn kamer, opstaan gebeurt met steeds kleinere oogjes en wordt met de dag lastiger, afspraakjes met vrienden gaan niet meer door, er is voor niets tijd meer en de persoonlijke hygiëne gaat erop achteruit. Want enkel het gamen telt. In dat geval kan je spreken van problematisch gamegedrag. Ouders die deze signalen opmerken kunnen hun kind inschrijven voor een Rebootkamp. Wat dat precies inhoudt, vertelt Sarah Polders (zorGGroep Zin). Zij coördineerde alle Rebootkampen die tot nu in Vlaanderen werden georganiseerd.

Problematisch gamen, het is een groeiend én recent fenomeen. Pas in 2018 erkende de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gameverslaving officieel als een ziekte. Te verwachten is dat gameverslaving de komende jaren nog zal toenemen. Om de groter wordende groep van jongeren met een gameverslaving te helpen, bedachten Dimitri Das (Ligant en zorGGroep Zin) en Huub Boonen (UCLL en zorGGroep Zin) enkele jaren geleden het Rebootkamp. De Vlaamse overheid raakte overtuigd van dit nieuwe concept en besloot geld uit te trekken voor een pilootproject in Limburg. 

De eerste twee Rebootkampen werden in 2017 ingericht. In 2018 volgden Antwerpen en Oost-Vlaanderen. In 2019 werd het initiatief uitgebreid naar in totaal vijf regio’s in Vlaanderen. Eveneens in 2019 werden er middelen vrijgemaakt om iemand aan te stellen die alle kampen coördineert. Enter Sarah Polders: “De eerste Reboots werden in Limburg georganiseerd, al konden ook jongeren van buiten de provincie deelnemen. Dat stelde ons voor het probleem dat het erg lastig was om de deelnemers goed op te volgen eens het kamp was afgelopen. Sinds drie jaar kunnen Centra Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) in hun regio ook Rebootkampen laten doorgaan. De organisatie komt dan volledig in de handen van het plaatselijke CGG te liggen, maar ik help bij de aansturing en ook achteraf met praktische zaken zoals de boekhouding en communicatie naar de overheid.”

Sarah Polders: “Gamen an sich is helemaal niet erg. Het stimuleert onder andere de creativiteit bij jongeren. Op het Rebootkamp wordt de Playstation, de Switch of de Xbox dus helemaal niet doodgezwegen.”

Corona als spelbreker

“In 2019 vonden net als dit jaar 5 Rebootkampen plaats over heel Vlaanderen,” vertelt Sarah Polders. “Corona heeft er noodgedwongen voor gezorgd dat we in 2020 ter plaatse zijn blijven trappelen. Zo waren er concrete plannen om met CGG Kempen een zesde regio in het Rebootverhaal te betrekken, maar corona stak daar een stokje voor. Ondanks alle voorbereidingen konden maar een tweetal Rebootkampen fysiek doorgaan. Om toch wat aan de vraag tegemoet te komen, organiseerden we vorig jaar in december een digitaal alternatief. Voor de jongeren creëerden we een tiental digitale ontmoetingsmomenten, parallel konden ook de ouders vormingen volgen.”

Een digitaal alternatief is beter dan niets, maar het is ook niet optimaal, leert Sarah Polders ons: “De kracht van een Rebootkamp en een hele week met andere jongeren optrekken, is net de ontmoeting en die blijft digitaal toch wat achterwege. Op dag 1 van het kamp komen de jongeren samen, de meesten zonder dat ze elkaar kennen, en al snel merk je dat er onderling een klik is. Er is natuurlijk een groot raakvlak: alle deelnemers zijn verzot op elektronische spelletjes. Maar het Rebootkamp zelf is ook een therapiekatalysator; het uiteindelijke doel is dat op het einde van de week de jongere inzicht krijgt in het risicovolle of problematische van zijn gamegedrag en de impact hiervan, zichzelf en zijn interesses (her)ontdekt en kennismaakt met alternatieve vrijetijdsinitiatieven. Gamen moet terug een gezonde plaats krijgen binnen de eigen tijdsbesteding.”

(Een beetje) gamen is gezond

Wat expliciet niet het doel is van een Rebootkamp: gamen verbieden en diaboliseren. “Gamen an sich is helemaal niet erg. Het heeft tal van voordelen. Het is een ontspannende bezigheid en stimuleert onder andere de creativiteit bij jongeren. Op het Rebootkamp wordt de Playstation, de Switch of de Xbox dus helemaal niet doodgezwegen. Integendeel: tijdens de week is er tot twee keer toe een moment om twee uurtjes te gamen. Niets mis mee. En voor alle duidelijkheid: er wordt ook steeds een alternatief voorzien. Gamen moet wel terug de juiste proporties aannemen.”

“Het aantal jongeren dat risicovol of problematisch gamet stijgt. We kunnen voorzichtig concluderen dat corona daar geen goed aan heeft gedaan. Opeens viel alles weg, maar gamen kon nog wel”

Inschrijven gebeurt bijna nooit door de deelnemers zelf. “Het is vooral de ‘context’ (ouders, leerkrachten, vrienden…) die het probleem detecteert en er last van ondervindt. Het zijn dus nagenoeg altijd de ouders die hun kinderen inschrijven. Voorafgaand aan de inschrijving vindt wel altijd een gesprek plaats met een medewerker van het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg, het kind en (een van) de ouders.”

“Ouders van kinderen die op Rebootkamp gaan, brengen we met elkaar in contact. We voorzien voor hen ook een educatief gedeelte zodat ze leren wat gamen is en waarom dat nu net zo aantrekkelijk is voor jongeren. Ook tijdens het kamp spelen we actief in op de ouder-kindrelatie: een van de activiteiten is om een brief te schrijven aan elkaar: de jongere naar (een van) de ouders en vice versa. We stimuleren hen daarin om te vermelden waar het de voorbije maanden wel nog goed liep, maar ook te benoemen waar het fout liep en welke mogelijkheden ze zien. De laatste dag van het Rebootkamp staat volledig in het teken van het ouder-kindcontact.”

Ongeveer een maand nadat de Reboot is afgelopen, volgt een terugkomgesprek. Een belangrijke waardemeter, aldus Polders: “Tijdens dat gesprek wordt algauw duidelijk of de positieve lijn van tijdens het Rebootkamp ook thuis kon worden doorgetrokken: heeft de jongere het gamen effectief een gezondere plaats kunnen geven in zijn leven? Is de situatie voor ouders en op school verbeterd? In het ideale geval is het antwoord op deze vragen ‘ja’ en is het Rebootkamp doeltreffend geweest. In het andere geval wordt de mogelijkheid opengelaten om eventueel een individuele behandeling of een gezinstherapeutisch traject op te starten. Met de volledige groep worden bovendien ook naderhand terugkomdagen georganiseerd.”

“Het is in ieder geval belangrijk dat een gameverslaving goed wordt behandeld. Er is niet meteen wetenschappelijke evidentie dat het later leidt tot een grotere kans op alcohol-, drugs-, of tabaksverslaving, maar gokverslaving zit wel min of meer in dezelfde sfeer. Er is een steeds grotere verwevenheid tussen gamen en gokken door de aanwezigheid van al dan niet verborgen gokelementen in de games. Dat is een gevaarlijke tendens.”

Het zijn toch hoofdzakelijk jongens

Is er veel vraag naar Rebootkampen? Sarah Polders zegt volmondig ‘ja’: “We merken dat het aantal jongeren dat risicovol of problematisch gamet stijgt. Intussen kunnen we voorzichtig concluderen dat corona daar geen goed aan heeft gedaan. Opeens viel alles weg, maar gamen kon nog wel, coronaproof uiteraard. We zijn echter gebonden aan de maximumcapaciteit van 10 deelnemers per Reboot.”

Als we spreken over een jongere met een gameverslaving, dan wordt stereotiep het beeld opgehangen van een jongen. Zijn er ook meisjes die zich verliezen in het overvloedig spelen van elektronische spelletjes? “Ja, maar het is toch vooral een jongenszaak leert de praktijk ons. Schietspelletjes, voetbal… het spreekt meer tot de verbeelding van jongens dan van meisjes. Meisjes kunnen zich dan wel meer verliezen in TikTok-filmpjes, sociale media en dergelijke. Onze doelgroep bakenen we ook sterk af in functie van leeftijd: 14 tot 17 jaar. Oorspronkelijk was het 15 tot 18 jaar, maar we merken dat gameverslavingen zich op steeds jongere leeftijd manifesteren. Overigens, als iemand van 13 jaar zich aanmeldt, gaan we die niet per definitie weigeren. Iemand van pakweg 35 zal daarentegen niet meegaan. Op die leeftijd komen ook gameverslavingen voor, maar die persoon leiden we dan toe naar een ander, individueel, hulptraject.”

 

TEKST: JENS DE WULF • BEELD: JONATHAN RAMAEL