stef van eekert
7 februari 2017

AFDELINGSHOOFD ZORGINSPECTIE MAAKT DE BALANS OP

DYNAMIEK ROND KWALITEIT WINT AAN KRACHT

“De geestelijke gezondheidszorg is volop in beweging en de dynamiek rond zorgkwaliteit en patiëntveiligheid wint aan kracht. Daarvan ben ik overtuigd. Maar beschikken we als sector, als overheid, als patiënt over harde gegevens om de kwaliteit precies in te schatten? Nog te weinig, als je het mij vraagt.” Stef Van Eekert is afdelingshoofd van Zorginspectie en neemt ons graag mee in zijn verhaal over kwaliteit in de geestelijke gezondheidszorg.

Sinds 2003 is Stef Van Eekert actief binnen de Vlaamse Zorginspectie. Zijn afdeling, die deel uitmaakt van het departement Welzijn, Volksgezondheid en Gezin (WVG), inspecteert de kwaliteit in voorzieningen. Ook in de geestelijke gezondheidzorg. Vanop de eerste rij heeft Stef Van Eekert het debat over kwaliteit zien groeien en hoe we die in kaart kunnen brengen.

AFGELEGD PARCOURS

Wat is de stand van zaken van de inspecties in de geestelijke gezondheidszorg?
Stef Van Eekert: Laat me beginnen bij de psychiatrische ziekenhuizen. Voor hen gebruiken we vandaag een auditmethodiek die inhoudt dat we de hele organisatie doorlichten aan de hand van zelfevaluaties, beleidsgesprekken en checks op de werkvloer.

In de Centra Geestelijke Gezondheidszorg (CGG) bestond het basistoezicht van Zorginspectie in de voorbije jaren ook uit een auditmethodiek: de eerste audit­cyclus liep van 2005 tot 2007, de tweede van 2008 tot 2012. Aan elke audit werd ook een financiële inspectie gekoppeld. Voor een volgende inspectie lijkt het ons logisch, zeker in een ambulante setting, dat dossierinzage deel uitmaakt van het toezicht. Een aantal verwachtingen uit het referentiekader (de aandachtspunten bij een audit ) zijn dan ook gericht op delen van het dossier, zoals het behandelplan. Ondertussen is daarvoor ook een wet­gevingstechnische grond voorzien.

“We willen op korte termijn al stappen zetten in de richting van risicogestuurd inspecteren.”

De psychiatrische verzorgingstehuizen en initiatieven van beschut wonen ten slotte, vallen sinds de zesde staatshervorming ook onder de Vlaamse bevoegdheden. Vanuit Zorginspectie zouden we graag zien dat voor die sectoren inhoudelijke krijtlijnen worden uitgetekend. Vervolgens kunnen we de inspectiemethodiek en het handhavingsmodel daarop afstemmen.

Welke richting ziet u de inspecties uitgaan?
Na de afronding van de lopende audit­cyclus in de psychiatrische ziekenhuizen – wellicht eind 2018 – zullen we net zoals in de algemene ziekenhuizen evolueren naar een toezicht dat afgestemd is op de realiteit van de certificering. Ook hier zullen we immers zien dat de ziekenhuizen zich laten doorlichten door certificerende organisaties zoals JCI en NIAZ.

De overheid zal in ieder geval de nadruk leggen op inspecties die risicogestuurd zijn. Dat betekent dat we vooral inzetten op die aspecten die de grootste risico’s inhouden op het vlak van zorgkwaliteit en patiëntveiligheid. Daarvoor willen we ook inzetten op thematische inspecties, waarbij we focussen op een welbepaald onderwerp en een set van gestandaardiseerde vragen gebruiken. In 2016 zijn we gestart met een eerste thema: vrijheidsbeperkende maatregelen.

Hoe ziet u de kwaliteit in de geestelijke gezondheidszorg verder evolueren?
De geestelijke gezondheid is volop in beweging en de dynamiek rond zorgkwaliteit en patiëntveiligheid wint aan kracht. Daarvan ben ik overtuigd. Maar beschikken we als sector, als overheid, als patiënt over harde gegevens om de kwaliteit precies in te schatten? Nog te weinig, als je het mij vraagt.

Zijn we het daarenboven voldoende eens over wat ‘kwaliteitsvolle zorg’ inhoudt? Een stevig kwaliteitskader is nochtans een conditio sine qua non om uitspraken te doen over het niveau van de zorg. Welke guidelines zijn bijvoorbeeld richtinggevend voor vrijheidsbeperkende maatregelen? Pas als we het daarover eens zijn, kunnen we ons afvragen hoe we dat zullen stimuleren, borgen, bewaken… en kunnen we indicatoren ontwikkelen.

TRANSPARANTIE

Zorginspectie maakt uitgebreide verslagen en raadt organisaties ook aan om daarover transparant te communiceren. Waarom is dat belangrijk?
Voor de overheid is het decretaal verplicht om openbaar te zijn. Je kan de lijn doortrekken: zorg- en welzijnsorganisaties werken ook met publieke middelen en moeten dus verantwoording afleggen. Net zoals burgers informatie moeten kunnen krijgen over het aanbod en de tarieven, moeten ze ook te weten kunnen komen hoe het zit met de kwaliteit van de zorg in de voorzieningen. Burgers kunnen die informatie halen uit de inspectieverslagen. Maar ze zouden die ook moeten kunnen halen uit indicatoren, communicatie van de voorzieningen, tevredenheidsmetingen enz.

Verhoogt transparantie de kwaliteit?
Daarvan ben ik overtuigd. Voorzieningen worden immers aangezet om werkpunten aan te pakken. We hebben met z’n allen de voorbije jaren – na een aantal mediaverhalen – ook geleerd dat het beter is zelf te communiceren in plaats van te wachten tot er over de sector gecommuniceerd wordt. Dan kunnen organisaties zelf aangeven waar het nog niet goed loopt en meteen ook meegeven hoe eraan werken.

Elke voorziening put hier voordelen uit. Waarom publiceer je als organisatie niet zelf een inspectieverslag? Dan kan je aangeven waarop je trots bent en waarmee je het niet eens bent, kwaliteitsprojecten in de kijker zetten…

Sinds 2012 is er het project VIP² GGZ. Hoe verhoudt die beweging zich tot Zorg­inspectie?
Ik geloof dat we de zorgkwaliteit enkel kunnen stimuleren, borgen, bewaken en transparant maken als er vanuit verschillende hoeken acties worden ondernomen. Werken met indicatoren zoals dat nu gebeurt binnen VIP² GGZ en verder zal worden uitgebouwd binnen het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg, is belangrijk om kwaliteit op te volgen.

Voorlopig is er nog geen effect op de inspecties. Dat kan ook pas als alle voor­zieningen eraan deelnemen. En ook op dat moment moeten we grondig bekijken hoe we die indicatoren zouden integreren. Dat veronderstelt dat er voldoende vertrouwen bestaat in de aanpak van Zorginspectie. We moeten ervoor zorgen dat voorzieningen niet worden afgerekend op een cijfer. Indicatoren geven een indicatie. Indicatoren vormen het begin van een gesprek, niet het einde.

Welke ontwikkelingen verwacht u verder?
Wij zullen blijven focussen op kwaliteit en patiëntveiligheid. We proberen ook steeds meer risicogestuurd te werken en die zaken te inspecteren die een reëel risico inhouden. Daarnaast doen we ook steeds meer inspanningen om de belangrijkste inspectievaststellingen te bundelen in beleidsrapporten.

Wat ontwikkelingen in sector betreft, zie ik één zaak erboven uitspringen in het actuele beleid: sociaal ondernemerschap. Regelluwte, vertrouwen en autonomie worden gezien als katalysatoren daarvoor. Volgens mij moeten we stilstaan bij de checks and balances. Hoe wordt er gezorgd voor een evenwicht waarbij ‘geresponsabiliseerde ondernemers’ in het regelluwe speelveld kwaliteitsvolle en betaalbare zorg leveren? De sleutel daarvoor ligt in een performant kwaliteitsbeleid van de overheid. Voor zo’n beleid hebben we de medewerking nodig van alle stakeholders: voorzieningen, patiëntenorganisaties, beroepsgroepen… Samen moeten we zoeken naar manieren om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen. Daarom pleit ik voor het organiseren van brede ‘kwaliteitstafels’. Dat zijn regelmatige overlegmomenten tussen alle betrokkenen in de sector. Zo kunnen we geleidelijk stappen zetten om samen werk te maken van kwaliteitsverbetering.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS