gert peeters

7 februari 2017

INTERVIEW MET GERT PEETERS EN PROF. FRIEDA MATTHYS OVER VIP² GGZ

DE POSITIEVE DYNAMIEK VASTHOUDEN

Het duo Gert Peeters en prof. Frieda Matthys is sinds enkele maanden voor­zitter van VIP² GGZ. Hun ambities zijn hoog, maar haalbaar. “Onze voorganger heeft het pad geëffend. Wij willen die dynamiek vasthouden en in 2017 flinke stappen vooruit zetten.”

“De psychiatrische ziekenhuizen zijn goed twee jaar bezig met het Vlaams Indicatorenproject voor Patiënten en Professionals in de Geestelijke Gezondheidszorg (VIP² GGZ)”, vertelt Gert Peeters, operationeel directeur van het Universitair Psychiatrisch Centrum KU Leuven (UPC). “In die tijd zijn de ontwikkelingsgroepen erin geslaagd een eerste set van zeven GGZ-indicatoren uit te werken en is voor vijf ervan vorig jaar een eerste meting gebeurd. Op 13 januari 2017 zijn de resultaten aan de sector meegedeeld. Grote verrassingen zitten er niet bij.”

“Uit de indicator ‘inzet van ervaringsdeskundigen’ blijkt dat veel organisaties hiervan werk maken, al staat het fenomeen nog in zijn kinderschoenen. In 2017 willen we een tweede meting organiseren en dan zal de evolutie duidelijk worden. De indicator ‘suïcidepreventiebeleid’ focust op de mate waarin een protocol aanwezig is dat beantwoordt aan de standaarden. De meeste organisaties scoren hier goed. Hetzelfde kan gezegd worden van de indicator ‘geneesmiddelenvoorschrift’. Op enkele deelaspecten na benadert de score hier de 100%. Een vierde indicator betreft de betrokkenheid van de patiënt bij het behandeltraject, een indicator die samen met het Vlaams Patiëntenplatform (VPP) is ontwikkeld en waarvoor een peiling bij patiënten is georganiseerd. Ook hier zijn de jongste jaren grote stappen vooruitgezet, maar blijft er nog veel ruimte voor verbetering. De vijfde indicator gaat over het ‘tijdig ambulant contact na ontslag’. Door een technisch probleem met data van de mutualiteiten hebben we daarover nog geen resultaten, maar die komen eraan.”

“De metingen hebben op verschillende manieren plaatsgevonden”, verduidelijkt Gert Peeters. “Over de ervaringsdeskundigen is een bevraging georganiseerd, maar voor suïcidepreventiebeleid en het geneesmiddelenvoorschrift gingen organisaties bij elkaar op bezoek om te scoren.”

VIJF DOELSTELLINGEN

“Uit die eerste ervaringen blijkt hoe moeilijk het blijft om voor alle sectoren gelijke indicatoren te hanteren, die relevant zijn voor zowel de psychiatrische ziekenhuizen als voor de psychiatrische verzorgings­tehuizen, de centra geestelijke gezondheidszorg en de initiatieven beschut wonen. Dat is lastig omdat de context, de finaliteit en de verwachtingspatronen zo verschillend zijn. Het vergelijken van de resultaten is dan ook moeilijk.”

“In een eerste terugkoppeling krijgen de organisaties de eigen resultaten tegenover de geaggregeerde resultaten van hun deelsector. Ze kunnen hierop reageren en de reacties zullen we verwerken voor we de resultaten publiek maken. Dat wordt het stramien: meten, verwerken van de gegevens, terugkoppeling vanuit de organisaties en dan pas publiceren.”

“Voor 2017 hebben we vijf grote ambities. Ten eerste de terugkoppeling van de resultaten van de eerste meting naar de sector én de organisatie van een tweede meting van de bestaande indicatoren. Ten tweede willen we tegen eind maart een referentiekader maken. Je kunt 101 indicatoren verzinnen, maar we hebben nood aan meer focus. Laat ons prioriteiten stellen die aansluiten bij de noden en verwachtingen van patiënten en voorzieningen. Door te focussen zullen we er beter in slagen om effectief de kwaliteit op een aantal cruciale domeinen te verhogen. Ten derde willen we beginnen met de ontwikkeling van richtlijnen. In de GGZ-sector hinken we op dat vlak wat achter­op. Ik weet uit ervaring hoeveel werk dat kan zijn, maar ik ben er tegelijk van overtuigd dat met een goede aanpak relatief snel resultaat kan worden geboekt. Wij willen rond bepaalde thema’s experten samenbrengen die vanuit de literatuur en vanuit hun praktijkervaring tot richtlijnen komen,Bijvoorbeeld over afzondering, medicatiebeleid, suïcidepreventie of over ziektebeelden als psychose en verslaving. Daarvoor willen we samenwerken met het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE), dat op dat vlak zijn expertise al heeft bewezen. Een vierde doelstelling is het maken van een jaarprogramma met een herkenbare vaste cyclus van meten, verwerken, feedback, publiceren. Het is bovendien onze ambitie om elk jaar één of bij voorkeur twee nieuwe indicatoren te ontwikkelen en na validatie te introduceren. Tot slot willen we dit jaar een inventaris maken van alle bestaande bronnen die interessant kunnen zijn om indicatoren te verkrijgen zonder extra registraties. Er circuleren veel gegevens waarmee meer kan gebeuren dan vandaag het geval is. Door die in kaart te brengen en op de juiste manier samen te brengen, kunnen we zonder extra werk een schat aan bijkomende informatie bijeenbrengen.”

“De ontwikkelingsgroepen hebben mooi werk geleverd en de eerste resultaten zijn er. Alles is in volledige vrijwilligheid gebeurd. De huidige dynamiek hebben we te danken aan het werk van velen. Frieda en ik hebben het geluk dat we op dit moment kunnen instappen. Er is heel wat in beweging en we willen de dynamiek levend houden door die cirkel van meten, verwerken, feedback en publiceren structureel in te bedden. Op basis van benchmarking kunnen we voorts ook best practices uitwisselen en zo steeds beter worden. De sector is er klaar voor!”


PROF. FRIEDA MATTHYS

“Ik ben blij met het enthousiasme vanuit de diverse sectoren”, zegt prof. Frieda Matthys, diensthoofd psychiatrie in het UZ Brussel. “Het geeft me een goed gevoel dat de eerste resultaten nu beschikbaar zijn.” Toch ziet prof. Matthys ruimte voor verbetering. “We werken nog te fragmentair. De huidige indicatoren vertonen weinig samenhang, terwijl kwaliteit in de praktijk toch een coherent verhaal zou moeten zijn. Rond één kwaliteitsaspect zou je bijvoorbeeld meerdere indicatoren kunnen ontwikkelen om dan te zoeken hoe we het best tot effectieve verbetering kunnen komen.”

frieda matthys

“Een andere vraag is of we alle indicatoren voor altijd moeten aanhouden. Op het vlak van medicatievoorschrift zijn de voorbije jaren enorme stappen vooruitgezet. Die resultaten zijn ook voldoende geborgd. Is het dan nuttig om die indicator elk jaar opnieuw te scoren?” “Ook het streven naar indicatoren die voor alle GGZ-deelsectoren gelden, lijkt me moeilijk houdbaar. De verschillen in werking tussen een CGG en een psychiatrisch ziekenhuis zijn immens. Of neem het thema verslavingszorg: de RIZIV-conventies functioneren hier helemaal anders.” “Positief is dat organisaties bij elkaar over de vloer komen om bepaalde indicatoren te scoren. Dat werkt de noodzakelijke openheid en de samenwerking in de hand. Het is allemaal heel vlot verlopen. Het moeilijkste was nog de verwerking van alle data.”

“Wat de toekomst betreft moeten we nog meer vanuit de ogen van de patiënt durven te kijken. Uiteindelijk bereiken we goede zorg als de patiënt zegt: ‘ik ben goed behandeld’. Dat is niet altijd gemakkelijk meetbaar, maar de tijd dat de dokter het best weet wat goed is voor de patiënt, ligt achter ons. De evolutie naar meer regie voor de patiënt is ingezet. Ik pleit voor nog meer samenwerking met het Vlaams Patiëntenplatform, dat hier toch heel mooi werk verricht.”

“Met beperkte middelen kunnen we veel realiseren als het enthousiasme in de sector groot is. De vraag naar evidence based richtlijnen komt vanuit de voorzieningen zelf. Vergelijk dat met Nederland, waar richtlijnen vooral ten dienste staan van de relatie met de zorgverzekeraars. Bij ons is ook de Vlaamse Vereniging Psychiatrie vragende partij voor meer richtlijnen, niet als een verplichting, maar als een houvast met wetenschappelijk gefundeerde handvatten die garantie geven op meer kwaliteit. Dat is de richting die we uit moeten”, besluit prof. Matthys.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS