roel van giel
31 oktober 2017

INTERVIEW MET DR. ROEL VAN GIEL, VOORZITTER DOMUS MEDICA

GEEF ARTSEN PERSPECTIEF OP LANGE TERMIJN EN ZE STAPPEN MEE IN DE VERANDERINGEN

Voor dr. Roel Van Giel ligt de sleutel tot alle noodzakelijke veranderingen in de gezondheidszorg in een hervorming van de nomenclatuur. Als voorzitter van Domus Medica werkt hij in de Medicomut aan een langetermijnvisie die hiervoor het kader moet bieden. “Als je aan één element raakt, raak je onvermijdelijk aan het inkomen van een bepaalde beroepsgroep, die dan meteen moord en brand schreeuwt”, beseft dr. Van Giel. Toch gelooft hij dat de bereidheid voor fundamentele veranderingen heel groot is.

Dr. Roel Van Giel, huisarts met een praktijk in Kalmthout, is sinds januari 2017 voorzitter van Domus Medica. “Ik heb altijd een grote interesse gehad voor de organisatie van de zorg”, vertelt hij. “Ik heb trouwens ook een master ‘Management en beleid in de gezondheidszorg’ behaald. Toen dr. Maaike Van Overloop me voorstelde om voor Domus Medica in de Medicomut te zetelen, is het plots snel gegaan. Begin dit jaar ben ik haar opgevolgd als voorzitter. Ja, soms is het moeilijk om alles te combineren, maar het is tegelijk erg boeiend. De sector is grondig aan het veranderen en het is prettig en uitdagend om als huisartsenvereniging de toekomstige organisatie van de gezondheidszorg mee vorm te geven.”

“Wat ik tot nu toe mis in het debat, is een heldere toekomstvisie op gezondheid en gezondheidszorg. Er zijn veel hervormingen bezig in de eerste lijn, de zieken­huizen, de financiering… Maar waar willen we finaal naartoe? Die langetermijnvisie ontbreekt. Dat verklaart veel van de onrust. Het is moeilijk om mensen mee te krijgen in veranderingen, als ze niet weten waarheen de tocht leidt. Onzekerheid en onduidelijkheid zijn nefast voor succesvolle veranderingen. In het verzekeringscomité werken we daaraan, samen met andere stakeholders en de administratie. In wezen gaat het om drie eenvoudige vragen. Wat is gezondheid? Wat is gezondheidszorg? Welk beleid hebben we nodig om die gezondheidszorg te realiseren? Als we het antwoord op die drie vragen helder stellen, dan weten we waaraan we werken. Dat is belangrijk voor de gedragenheid.”

Is er een consensus over het antwoord op deze drie basisvragen?
Dr. Van Giel: Als je met de verschillende stakeholders praat, lopen de meningen opvallend gelijk. Maar in de huidige structuren en voor de mensen die al jaren verknocht zijn aan het huidige systeem, ligt het soms moeilijk. Daarom is het goed dat op diverse platformen nieuwe mensen aantreden: Pedro Facon als nieuwe directeur-generaal Gezondheidszorg bij de FOD, Luc Van Gorp aan het hoofd van de CM enzovoort. De nieuwe generatie vindt elkaar. Alleen hebben we een heldere langetermijnvisie nodig. Beleidsnota’s van de overheid volstaan niet, omdat ze doorgaans een kortetermijnperspectief hebben. Een perspectief op 2030-2035 is nodig voor de fundamentele veranderingen waarvoor we nu staan. Met de diverse stakeholders werken we aan een nota met dat perspectief. Die kan de huidige maar ook de toekomstige ministers houvast geven. Idealiter wordt daarna elke maatregel in het verzekeringscomité getoetst aan dat kader. Zo kan je een sturend beleid voeren. Vandaag gebeurt dat te weinig. Elke akkoordencommissie handelt naar eigen goeddunken. Allemaal goedbedoeld, maar met als resultaat dat er soms tegenstelde richtingen worden gekozen. Stel dat we in de Medicomut bijvoorbeeld werk willen maken van een stevig diabetesbeleid, met naast de zorg door artsen ook een inbreng van de dië­tist, de podoloog en andere experten. Dat kan alleen in goede afstemming met andere commissies. Want als een andere commissie andere prioriteiten stelt, dan komt er van dat gezamenlijke diabetesbeleid niets in huis. Er zijn nog veel te veel schotten vandaag. Elke beroepsgroep concentreert zich op zichzelf. Dat is niet meer werkbaar. We hebben elkaar voortdurend nodig.

roel van giel

We zouden ervoor kunnen opteren om de hele structuur van het verzekeringscomité en het Riziv om te gooien. Maar dan vrees ik dat alles op de lange baan geschoven wordt. Dat zou alleen leiden tot oeverloze discussies met veel tegengestelde belangen. Daarom lijkt het me meer haalbaar om te streven naar een gemeenschappelijke visie, waaraan elke akkoordencommissie daarna bijdraagt.

Een ander thema dat u als voorzitter van Domus Medica nauw aan het hart ligt, is de hervorming van de nomenclatuur?
Die hervorming laat veel te lang op zich wachten. Ondanks de beleidsverklaring van de federale regering is er op dat vlak nog veel te weinig gebeurd. Het zou nochtans een van de grote werven van minister De Block worden, samen met de zieken­huis­financiering en de ziekenhuisnetwerken. Ik vind dat bijzonder jammer, want de hervorming van de nomenclatuur is de sleutel tot de andere hervormingen. Waarom loopt alles zo moeizaam? Het kernprobleem is de verouderde financieringswijze. Je raakt dus rechtstreeks aan het inkomen van heel wat mensen. Maar zowel de artsen als de andere stakeholders beseffen dat verandering nodig is. De bereidheid voor vernieuwing is groot. Alleen moeten we alle betrokkenen een perspectief kunnen bieden, ook financieel. Met de hervorming moet een inkomensgarantie gepaard gaan. We moeten die discussie durven aanvatten. Wat is het norminkomen voor een arts? Voor een verpleegkundige? Voor een diëtist? De discussie over het artseninkomen springt natuurlijk het meest in het oog.

Ik ben het trouwens niet eens met prof. De Maeseneer, die een vast inkomen voorstelt. Hulpverleners kunnen best hun zelfstandigenstatuut aanhouden. Maar dat belet ons niet om een gemiddeld aantal prestaties te definiëren en daar tegenover een correct inkomen te plaatsen. Als we daarin slagen, kunnen we de nomenclatuur hervormen. Dan kunnen we ook los van nomenclatuurnummers bepaalde taken verschuiven naar andere beroepsgroepen. Alleen moet er een zekere inkomensgarantie zijn, niet alleen voor volgend jaar, maar ook voor over tien of vijftien jaar.

De gesprekken hierover verlopen heel moeilijk, ook al omdat de wetgeving één grote Vlaamse koterijbouw is. Bij elke verandering werd telkens weer een kot bijgebouwd. Vandaag beantwoordt de nomenclatuur niet meer aan de noden. Ze is te prestatiegericht en te weinig toegespitst op de chronische zorg. Maar als je aan één element raakt, raak je onvermijdelijk aan het inkomen van een bepaalde beroepsgroep, die dan meteen moord en brand schreeuwt. Ja, bepaalde artsen zullen moeten inleveren. Laat ons dat niet ontkennen. Laat ons die artsen een perspectief geven op de lange termijn, zodat ze mee willen stappen in de noodzakelijke veranderingen.

Ik zie trouwens een verschil tussen hoe jongere en oudere generaties erover denken, zonder te willen veralgemenen. Elke arts wil graag een goed inkomen, maar voor de jongere generaties is dat niet het enige wat telt. Goede kwaliteit van zorg, meer tijd nemen voor elke patiënt, goed samenwerken met andere beroepsgroepen, een gezond evenwicht tussen werk en privé… Het zijn allemaal thema’s die meer dan ooit leven bij de artsen. Maar zonder een grondige hervorming van de nomenclatuur kom je ook in de andere grote dossiers geen stap verder. Altijd weer speelt op de achtergrond de vrees voor inkomensverlies. Daarom: zorg voor een norminkomen en geef elke arts garanties.

U verwees al twee keer naar de jongere generaties artsen, die meer geneigd zijn om de veranderingen door te zetten. Is het een kwestie van de juiste mensen aan de macht?
Ik heb veel respect voor het werk van dr. Marc Moens en zijn collega’s. Hij geeft al 30 jaar het beste van zichzelf en heeft veel mooie dingen gerealiseerd. Maar de wereld verandert. Je kunt niet langer het perspectief van 30 jaar geleden aanhouden. We moeten als artsen mee evolueren. Het is trouwens nooit gezond om te lang in een functie met een grote verantwoordelijkheid te blijven. Om nieuwe ideeën te laten ontstaan, moet je nieuw bloed aanboren. Helaas is het soms moeilijk om opvolgers te vinden. Veel artsen willen gewoon hun werk als arts doen. Dat is waarvoor ze gestudeerd hebben. Wie zijn werk als arts ter harte neemt, klopt hoe dan ook al veel uren, ook ten koste van het gezinsleven. Daarbovenop nog eens een engagement opnemen in een artsenvereniging is niet evident. Zelf werk ik niet voltijds in mijn praktijk. Dat is een keuze die ik maak. En we hebben nog mensen nodig die die keuze maken. Dat zeg ik ook telkens als ik huisartsenkringen bezoek. We hebben nood aan artsen die de contacten met de eerste en de tweede lijn willen uitbouwen. Jammer genoeg is dat vandaag nog te vaak vrijwilligerswerk. Daarvoor zou een vergoeding moeten zijn. Denk aan de ziekenhuisnetwerken en de eerstelijnszones: er zijn huisartsen nodig die een rol willen opnemen in deze structuren, als vertegenwoordiger van de huisartsen. Niet vanuit een conflictmodel, maar om optimaal af te stemmen met andere partners. Ik geloof sterk in de regionale zorgplanning tussen eerste en tweede lijn. Maar het is logisch dat de ziekenhuizen een aanspreekpunt verwachten bij de huisartsen. De huisarts die deze rol op zich neemt, zal een stukje van zijn tijd daarvoor moeten vrijmaken, ten koste van zijn of haar praktijk. Het zal onvermijdelijk ook leiden tot een verdere professionalisering van de huisartsenkringen. Dat is nodig als we onze rol als spil in de gezondheidszorg willen waarmaken.

Ook het kwaliteitsbeleid is voor u als voorzitter van Domus Medica een stokpaardje?
Wie met overheidsgeld werkt, moet kunnen aantonen dat dat geld goed besteed wordt. Het is een maatschappelijke evolutie, waaraan ook huisartsen niet zullen ontsnappen. Mijn voorstel is om zelf meer verantwoordelijkheid op te nemen en het heft in eigen handen te nemen. Laat ons niet wachten tot de overheid ons indicatoren oplegt en openbaar maakt. Veel beter kunnen we zelf een kwaliteitsbeleid uitbouwen. In de Medicomut zijn we daarmee al twee jaar bezig. We werken aan een aangepaste accreditering die de juiste klemtonen legt en die we als kwaliteits­instrument kunnen hanteren. We streven naar een minimale belasting. Ook het Vlaams Instituut voor Kwaliteit van Zorg is betrokken partner. Huisartsen leveren vandaag al goede zorg, maar dat volstaat niet langer voor de samenleving: we moeten het ook kunnen staven. Dat geldt voor iedereen: ook de verpleegkundigen, de diëtisten, de kinesitherapeuten… moeten zich meer en meer verantwoorden. Dat heeft ook voordelen. Meer dan ooit zullen we met cijfers kunnen aantonen dat investeringen in de gezondheidszorg een ongelooflijke return on investment (ROI) hebben. Zo kunnen we wegen op het beleid en het maatschappelijke discours. Dat ziet de gezondheidszorg vandaag te veel als een dure kost, terwijl de opbrengst vaak onder de radar blijft. Ook onderzoek van prof. Annemans bevestigt de hoge ROI van investeringen in de zorg, alleen kunnen we dat niet altijd voldoende aantonen. Met een gestructureerd kwaliteitsbeleid zullen we dat wel kunnen.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS