4 februari 2019

BEROEPSGEHEIM ONDER DRUK

HET DRAAIT ALLEMAAL OM VERTROUWEN

Het beroepsgeheim is te belangrijk om het zomaar te laten uithollen. Vertrouwen is immers waar het allemaal om draait. Prof. Freya Vander Laenen zette haar pleidooi op het symposium Beroepsgeheim: onze zorg (19/10/2018) kracht bij met heel wat casussen. Wij zochten haar op voor een gesprek. 

Wat was uw centrale boodschap op de studiedag?
Hulpverleners die contact hebben met politie of justitie moeten zich altijd twee vragen stellen. Ten eerste: voor wie werk ik, wie is mijn cliënt? En ten tweede: met wie praat ik precies? Want in justitie bestaan heel wat functies. En voor elke functie gelden andere regels over het beroepsgeheim.

Maken hulpverleners vaak fouten tegen het beroepsgeheim?
Ik merk een positieve evolutie. Toch slaat veel hulpverleners nog altijd de schrik om het hart als ze plots telefoon krijgen van politie of parket. Ze voelen zich
geïntimideerd en zeggen daardoor soms te veel. Ook omdat ze de regels niet goed kennen. Ik begrijp dat hoor: hulpverleners zijn daarvoor niet opgeleid. En het is complex.

Ik wind me wel op als critici beweren dat hulpverleners zich te vaak achter het beroepsgeheim verschuilen. Niets is minder waar. Dat woord ‘verschuilen’ alleen al.
Zo tendentieus. Het beroepsgeheim is essentieel. Dat schend je niet zomaar. Daarom bestaat daarover wetgeving. Hulpverleners werken in eerste instantie voor de cliënt, en dat moet zo blijven.

“Het is absoluut nodig dat hulpverleners die vaak met justitie of politie in aanraking komen de nodige vorming en opleiding krijgen.”

Welk houvast kan u hulpverleners bieden?
De wetgeving op het beroepsgeheim is vrij duidelijk, ook al is ze complex. Er zijn ondertussen ook al voldoende cases om op terug te vallen. Toch is elke situatie weer net iets anders en slaat de twijfel toe. Er is geen checklist die geldt voor alle casussen. Wat doe je bijvoorbeeld als hulpverlener als je een patiënt of cliënt bij je hebt die duidelijk onder invloed is van alcohol en aanstalten maakt om met zijn wagen te vertrekken?

Zegt u het maar.
In de praktijk zien we vaak een zwart-witreactie. Of de hulpverlener gaat uit van het beroepsgeheim en laat de patiënt vertrekken. Of hij laat het gevaar primeren en belt de politie. Beter is om niet in die uitersten te vervallen. Er is hier sprake van een potentiële noodsituatie. Het beroepsgeheim is daarmee niet meer zo absoluut. Maar in plaats van meteen de politie te verwittigen, moet je met de cliënt praten: “Is er iemand die u kan komen halen? Kan ik u naar huis brengen? Misschien kan u beter nog even wachten voor u vertrekt?” Als dat allemaal niet helpt, kan je een stap verder gaan. Je zegt de patiënt dat je hem zo niet laat vertrekken, omdat hij een gevaar vormt voor zichzelf en voor andere weggebruikers. Als ook dat niet helpt of de cliënt reageert agressief, dan kan je hem verwittigen dat je de politie belt. En dan bel je ook de politie. Maar die tussenstappen zijn essentieel. Ik besef dat die aanpak moeilijk en confronterend kan zijn, maar het is de beste manier. Op die manier schaad je de vertrouwensband met je patiënt niet. Dat doe je wel als je achter zijn rug, zonder eerst in dialoog te gaan, de politie belt.

Elke vergelijking loopt mank, maar bovenstaande case heeft veel raakpunten met een cliënt die jou in vertrouwen neemt over zijn voornemen om suïcide te plegen. Als die persoon zegt dat jij de enige bent die hij vertrouwt, dan mag je hier als hulpverlener niet mee blijven zitten. Je moet de patiënt zeggen ‘Sorry, maar ik ga dat bespreken met een collega.’ Als de patiënt daarop dreigt om weg te gaan en zich meteen voor een trein te gooien en jij bent overtuigd dat hij dat ook zal doen, dan mag je de patiënt niet laten vertrekken. Desnoods hou je hem met dwang tegen. Ook hier geen zwart-witverhaal. Probeer eerst een oplossing te zoeken binnen de hulpverlening. Betrek de politie of justitie alleen als dat echt nodig is.

Freya Vander Laenen

Krijgen beslissingen van hulpverleners vaak een juridisch staartje?
Dat gebeurt, maar uiterst zelden. Belangrijker is dat het niet respecteren van het beroepsgeheim leidt tot een vertrouwensbreuk bij de patiënt. Niet alleen in die ene hulpverlener, maar in de volledige hulpverlening. Dat is funest. Een justitieassistent moet zich houden aan het beroepsgeheim, maar niet tegenover zijn opdrachtgever: bijvoorbeeld de probatiecommissie. Het gevolg laat zich raden: weinig patiënten laten het achterste van hun tong zien bij de justitieassistent, want ze weten dat die geen veilige omgeving biedt.

Denk ook aan mensen met pedoseksuele gevoelens. Als zij nergens met hun verhaal terechtkunnen zonder het risico te lopen dat justitie er meteen wordt bijgehaald, dan zullen zij nooit de stap naar de hulpverlening zetten. Gelukkig is er vandaag Stop it Now! om die impasse te doorbreken. Vertrouwen is waar het allemaal om draait.

Biedt de wetgeving over het algemeen een goed kader?
Artikel 458 over het beroepsgeheim biedt een helder kader. Maar het beroeps­geheim staat al jaren onder druk. Eerst in de nasleep van de affaire Dutroux, de jongste jaren in het kader van de terrorismebestrijding. Het principe zelf van het beroepsgeheim wordt steeds vaker in vraag gesteld. Ook hulpverleners staan daardoor onder druk om het beroepsgeheim te schenden, ook waar dat niet verantwoord is. Zelfs het debat over intra­familiaal geweld heeft naar mijn mening te zeer tot een uitholling van het beroepsgeheim geleid. We komen dicht bij een situatie waarbij overleg tussen justitie, politie en hulpverleners de standaard is. Dat gaat te ver. Voor mij en voor heel wat hulpverleners. Maar in de praktijk staan zij vaak zwak in de confrontatie. Ook door de complexiteit van de wetgeving. Is de cliënt vrij op voorwaarden? Met probatie? Is er een justitieassistent? Gaat het om een vooronderzoek? Een gerechtelijk onderzoek? Dat is allemaal niet evident om te weten. Daarom is het ook absoluut nodig dat hulpverleners die vaak met justitie of politie in aanraking komen de nodige vorming en opleiding krijgen.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: PETER DE SCHRYVER