ACADEMIE VOOR DE EERSTE LIJN VERSTERKT EN ONDERSTEUNT

"We streven naar innovatie met duurzame impact"

April 2021

De coronacrisis toont dagelijks hoe belangrijk de eerste lijn is. Om die nog te versterken en wetenschappelijk te onderbouwen, werd de Academie Voor De Eerste Lijn opgericht. “We gaan voor een duurzame 360°-aanpak”, vertelt algemeen coördinator prof. dr. Emily Verté.

Wat is de Academie Voor De Eerste Lijn?

“Het is een netwerk voor onderzoek en ontwikkeling dat bestaat uit alle grote Vlaamse universiteiten en hogescholen, het Wit-Gele Kruis en het Vlaams Patiëntenplatform. Met één gemeenschappelijk doel: de eerste lijn versterken en ondersteunen. We werken rond vier thema’s: interprofessionele samenwerking, doelgerichte zorg, zelfmanagement en buurtgerichte zorg. Die worden aangepakt in toegepast onderzoek, waarbij we heel concrete tools en strategieën ontwikkelen voor het werkveld. Daarnaast introduceren we al die nieuwe kennis ook in het onderwijs. In de basisopleidingen voor de eerste lijn – de bachelor- en masteropleidingen van al onze partners – én in opleidingen voor professionals, onder de vlag van levenslang leren.”

Hoe en wanneer is de Academie ontstaan?

“In 2018 deed de Koning Boudewijnstichting een oproep om een leerstoel rond eerstelijnszorg op te richten. In Vlaanderen werd daarvoor een budget van 2,5 miljoen euro vrijgemaakt. Samen met een 45-tal experts hebben we toen een traject afgelegd: waar staan we met de eerste lijn en wat zijn de grootste noden? Zo is de Academie Voor De Eerste Lijn ontstaan, die veel breder is dan een traditionele leerstoel. Intussen zijn er 65 mensen bij betrokken. In januari 2019 kregen we de goedkeuring en in 2019 zijn we officieel gestart. We streven naar innovatie, maar we willen ook als organisatie innovatief zijn. Het feit dat er bij de Academie op zulke grote schaal wordt samengewerkt, over de instellingen en disciplines heen, staat op zich al haaks op het traditionele onderzoek in ons land. Daarenboven spitsen we ons toe op een zo groot mogelijke impact op de samenleving, via de eerste lijn.”

Wat zijn vandaag de belangrijkste knelpunten voor de eerste lijn?

“Het belangrijkste is het gebrek aan structurele en doorgedreven transversale samenwerking, iets waar ik steevast op hamer. De coronacrisis heeft nochtans aangetoond dat samenwerking mogelijk én noodzakelijk is. Maar er is nog veel meer nood aan verbinding. Daarom pleit ik tegen het denken in hokjes en zelfs in lijnen. In plaats van te focussen op de eerste, tweede en derde lijn, moeten we persoonsgericht denken. We moeten zorg én welzijn organiseren rond de persoon zelf. Dat betekent ook dat we veel meer op het lokale niveau moeten werken. Kijk naar de saga rond contacttracing: als je dat centraal organiseert, verloopt dat heel stroef, maar op lokaal niveau lukt het wél. Ik geloof echt in lokale ecosystemen, waarbij je bijvoorbeeld ook woonzorgcentra verbindt met de buurt, of minder gespecialiseerde ziekenhuiszorg outreachend aanbiedt, in de lokaliteit. Op die manier werk je efficiënter, omdat je de lokale capaciteit beter benut. Maar het is ook inclusiever: je kunt zorg voor iedereen garanderen.”

De patiënt komt dus centraal te staan?

“Nee, de burger moet centraal staan. Dat is een soort mantra dat ik blijf herhalen. Het verhaal van de eerste lijn draait om zorg, welzijn, wonen en meer: we werken interdisciplinair, met een 360°-aanpak. En centraal staat de ‘persoon met zorg- en ondersteuningsnood’, zoals die nu officieel wordt genoemd. Maar dat is wat mij betreft nog te beperkend. We weten namelijk niet wie al die personen met noden zijn, omdat we kampen met onderdetectie. Heel wat zwakkeren en kwetsbaren vallen uit de boot. Vandaar dat ik ook zo’n voorstander ben van de buurtgerichte, lokale aanpak: we moeten élke burger op de radar krijgen.”

Wordt er te weinig geïnvesteerd in innovatie op de eerste lijn?

“Van oudsher zijn er heel veel pilootprojecten in Vlaanderen. Vaak zijn die heel goed, maar het zijn te veel ‘losse flodders’. Ze hebben wel een beperkte impact op lokaal niveau, maar doordat ze nadien gewoon stilvallen hebben ze geen ruimere maatschappelijke impact. Zo zie je soms vijf jaar later een zeer gelijkaardig pilootproject opduiken, waar de hele oefening gewoon wordt herhaald. Vanuit de Academie willen we die versnippering tegengaan en inzetten op duurzame innovatie. We verzamelen de kennis die er is, onder meer van pilootprojecten en burgerinitiatieven, en gaan die verder ontwikkelen en verdiepen. Eenmaal dat gebeurd is, kunnen we het opschalen en in heel Vlaanderen doorvoeren, zodat er een duurzame, grootschalige impact is.”

“In plaats van te focussen op de eerste, tweede en derde lijn, moeten we persoonsgericht denken. We moeten zorg én welzijn organiseren rond de persoon zelf”

Jullie streven naar een gedeelde visie op de eerste lijn. Hoe pakken jullie dat aan?

“Dat doen we op veel verschillende niveaus. Het begint bij onze eigen organisatiestructuur. Al onze onderzoeksafdelingen werken in cocreatie met de sector: professionals, maar zeker ook patiënten en mantelzorgers. Daarnaast is er veel uitwisseling tussen de onderzoeksafdelingen, zodat ze elkaar inspireren en voeden. Het mogen geen aparte eilandjes zijn. Maar ook in onze raad van bestuur en onze adviesgroep proberen we zoveel mogelijk stakeholders te betrekken. Als coördinator zetel ik zelf ook in een hele rits werk-, advies- en stuurgroepen. En we werken bijvoorbeeld ook nauw samen met VIVEL, het Vlaams Instituut Voor de Eerste Lijn. Zo ontstaat veel verstrengeling, zowel ad hoc als structureel.”

Jullie kiezen ook voor ‘lerende netwerken’. Wat zijn dat?

“Elke onderzoeksafdeling krijgt de opdracht om zo’n netwerk op te richten. Dat wil zeggen dat ze een oproep doen naar iedereen die werkt rond dat bepaald thema om zich aan te sluiten. Elk netwerk komt regelmatig samen, de leden wisselen kennis uit en gaan op zoek naar verbinding. Zo zet je systematisch stappen vooruit, weg van het status quo.”

Wat voor onderzoek voeren jullie nu precies?

“We hebben verschillende onderzoeksafdelingen. De eerste heeft onderzocht wat de grootste noden zijn binnen de eerste lijn en hoe die best kunnen worden aangepakt. Dat onderzoek is intussen afgerond, in mei worden de eerste resultaten voorgesteld op een conferentie. Maar die resultaten worden ook meegenomen in alle andere onderzoeksgroepen. Zo werkt er een groep rond doelgerichte zorg: in plaats van te focussen op problemen, vertrekt die vanuit de levensdoelen van de zorgbehoevende burger en wat die zelf graag wil bereiken. Een andere onderzoeksgroep werkt bijvoorbeeld rond zelfmanagement: hoe kun je mensen ondersteunen om hun eigen zorgtraject te regisseren en hun ziekte een plaats te geven in hun dagelijks leven?”

Zelf coördineert u de onderzoeksgroep rond buurtgerichte zorg.

“Inderdaad, dat was ook het thema van mijn doctoraat. Om meer gelijkheid te creëren tussen burgers, is het belangrijk om op buurtniveau te werken. Het is een relatief nieuw concept, dat bottom-up is gegroeid en daardoor breed gedragen wordt. De voorbije jaren begint het beleid er ook steeds meer in te geloven en te investeren. Maar het probleem is dat er voorlopig weinig wetenschappelijke kennis over bestaat. Er zijn wel projecten en onderzoekjes, maar die zijn – nogmaals – te versnipperd. En er zijn ook te weinig handvaten voor organisaties en overheden die met buurtgerichte zorg aan de slag willen gaan. Om echt vooruit te gaan, is verdieping nodig. Dat willen wij met de onderzoeksgroep bereiken. De eerste stap is dat we één taal moeten spreken. Nu gaat het over ‘buurtgerichte zorg’, ‘zorgzame buurten’ en soortgelijke begrippen: die houden verband met elkaar, maar ze zijn niet helemaal hetzelfde. Er is dus nood aan één duidelijke definitie. We moeten de bestaande kennis en ervaringen samenbrengen, structureren en verdiepen. Nogmaals: dat is de kern van innovatie. We mogen ons niet blindstaren op enkele kleine lokale successen, maar streven naar brede maatschappelijke impact.”

Jullie kiezen steevast voor een participatieve aanpak.

“Ja, dat is een belangrijk onderdeel van onze methodologie. Onze onderzoekers doen regelmatig oproepen in de sector. Iedereen die rond hetzelfde thema werkt, wordt uitgenodigd om in gesprek te gaan. De onderzoekers gaan dan verder met hun opmerkingen aan de slag, en koppelen regelmatig terug. Maar ook op strategisch niveau werken we participatief: stakeholders worden betrokken bij onze beleidskeuzes. Zo creëer je gedragenheid, wat een heel belangrijk voordeel is. Maar die participatieve aanpak heeft natuurlijk ook nadelen. Alles gaat iets trager, en bovendien moeten we opletten dat we de sector – die het door Covid al zeer lastig heeft – niet overbevragen. Ook andere platformen, zoals VIVEL, werken op die manier. Waardoor er in de zorg- en welzijnssector bij momenten een overvloed aan vragen is om mee te werken aan projecten.”

De Academie werkt met subsidies en giften. Hoe duurzaam is dat? 

“We hebben 2,5 miljoen euro gekregen van de Koning Boudewijnstichting, meer bepaald van het Fonds Dr. Daniël De Coninck. Daarmee kunnen we de Academie vijf jaar laten draaien. Intussen zitten we halfweg en is de toekomst nog onzeker. Uiteraard zoeken we constant naar giften en subsidies, maar we kunnen onmogelijk zelfbedruipend worden. Ik hoop natuurlijk dat de Academie duurzaam kan blijven voortbestaan, maar dat is voorlopig een vraagteken. Vandaar ook mijn oproep aan de overheid: de coronacrisis heeft aangetoond dat een sterke eerste lijn cruciaal is om chronische en complexe situaties onder controle te houden. Maar er is nood aan een tweesporenbeleid: vechten tegen acute crisissen zoals vandaag, maar ook kiezen voor duurzaamheid op lange termijn. En dan is innovatie een van de beste investeringen die er zijn.”

 

TEKST: STEFANIE VAN DEN BROECK • BEELD: JONATHAN RAMAEL