SUÏCIDEPREVENTIE: EEN GEZAMENLIJKE TAAK VAN BURGERS EN ZORGVERLENERS

Hoe zal onze zorg er in de toekomst uitzien? Hoe willen we dat onze zorg er zal uitzien? We kunnen hiervoor vele voorstellen uittekenen en pistes verkennen. Met een aan grote zekerheid grenzende verwachting mogen we ervan uitgaan dat de geestelijke gezondheidszorg almaar belangrijker zal worden. De huidige cijfers van de Wereldgezondheidsorganisatie zijn duidelijk: 1 op 4 mensen zal in zijn of haar leven ooit met een psychische aandoening te maken hebben. Angststoornissen en depressie komen het meest voor. 15% van de bevolking zal ooit in zijn leven een depressieve stoornis doormaken. En die cijfers kunnen in de toekomst nog stijgen.

Het belang van het inzetten op de preventie van geestelijke gezondheidsproblemen door het versterken van de mentale gezondheid en veerkracht van de Vlamingen kan dus niet genoeg onderstreept worden. Het tijdig detecteren van psychische kwetsbaarheid of het capteren van de signalen van beginnende psychische problematiek behoort hiertoe. Enkel op die manier kunnen we tijdig ingrijpen en kunnen we hulp en ondersteuning bieden, zodat de problemen niet evolueren naar ernstige mentale aandoeningen.

Voor die “vroegdetectie” wordt vaak enkel in de richting van de professional gekeken. Maar hier klopt iets niet. Gespecialiseerde hulpverleners (psycholoog, psychiater, psychiatrisch verpleegkundige) kunnen pas zaken capteren op een moment dat iemand al in de gespecialiseerde zorg is terechtgekomen. Echte “vroegdetectie” moet dus vroeger en door anderen gebeuren. Het is de taak van ons allemaal. Opmerken dat een vriend, familielid, collega stiller is geworden, minder contact opneemt, vaak voor zich uit zit te staren, zegt dat het moeilijk gaat… dat kunnen toch veel Vlamingen? Waarschijnlijk wel, maar vooral die volgende stap is zo moeilijk: het gesprek daarover aangaan. Durven zeggen dat we opmerken dat het niet zo goed lijkt te gaan. Durven zeggen dat we ons zorgen maken. Durven zeggen dat het misschien kan helpen om hulp te zoeken. Daarvoor deinzen we vaak terug. Mag ik dit wel zeggen? Moei ik mij niet teveel? Wat als ik iets fout zeg? Personen die het psychisch moeilijk hebben getuigen dat net die gesprekken zo waardevol en cruciaal kunnen zijn. En hierdoor een motivatie kunnen zijn om de gepaste hulp en zorg te zoeken. Een hulpverlener in de eerste lijn, een huisarts, een eerstelijnspsycholoog, is hierbij een onontbeerlijke schakel om gepast te ondersteunen en indien nodig door te verwijzen naar meer gespecialiseerde zorg. Een terechte vraag in de campagne www.zorgaanzet.net is precies hoe we kwetsbaarheid meer bespreekbaar kunnen maken.

Personen met een psychische aandoening toeleiden naar de juiste (gespecialiseerde) zorg blijft een uitdaging. Ze de juiste zorg blijven aanbieden is echter nog een grotere uitdaging. Internationaal onderzoek toont aan dat de continuïteit van geestelijke gezondheidszorg een van de belangrijkste knelpunten is in de huidige organisatie van de hulpverlening. In Vlaanderen is dat niet anders. Vooral voor suïcidale personen is dat een knelpunt. Zorg voor suïcidale patiënten is niet altijd goed op elkaar afgestemd. Er kan een gebrek zijn aan doorstroming van informatie en aan opvolging van personen. Dat gebeurt vaak tijdens zogenaamde transfermomenten tussen en binnen zorgorganisaties. En dat zijn net de meest risicovolle momenten voor personen met hoog suïciderisico. Vanuit de internationale en Vlaamse suïcidepreventie is nochtans de opvang en zorg na een suïcidepoging een uiterst belangrijk element. Want na een suïcidepoging zijn er vaak nog blijvende zelfmoordgedachten en kan het suïciderisico nog hoog zijn. Een eerdere suïcidepoging verhoogt sterk de kans op een nieuwe poging of overlijden door zelfdoding. Dat risico op een herhaalde poging is ook het grootst de eerste weken na een opname. Een goede opvang na een suïcidepoging is dus van levensbelang en deze opvang mag niet te snel stoppen. We mogen een suïcidale patiënt niet te snel loslaten.

Een gebrek aan afspraken tussen hulpverleners en zorginstellingen kan ertoe leiden dat suïcidale patiënten niet altijd de meest gepaste (na)zorg krijgen. Hierdoor kan er onduidelijkheid zijn over de taken en verantwoordelijkheden van de betrokken hulpverleners en instellingen, vooral wat betreft bereikbaarheid, overdracht en terugkoppeling. Het is van essentieel belang dat zorginstanties samen die kritische momenten in kaart brengen en een betere doorstroming en opvolging nastreven. Wereldwijd onderzoek heeft aangetoond dat strategieën die de zorgcontinuïteit voor suïcidale personen versterken binnen en over zorginstellingen heen één van de meest effectieve preventiestrategieën voor zelfdoding zijn. Toen het huidig Vlaams Actieplan Suïcidepreventie werd ontwikkeld, was van in het begin dan ook duidelijk dat Vlaanderen nood heeft aan een leidraad met handvatten voor het opzetten van dergelijke strategieën. Vanuit het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP) hebben we eind vorig jaar deze leidraad ontwikkeld (zie www.zelfmoord1813.be)

De adviezen voor het versterken van zorgcontinuïteit, gebaseerd op zowel wetenschappelijke als praktijkgerichte evidentie en specifiek voor suïcidale patiënten, zijn er dus. Maar dat is uiteraard nog maar de eerste, en de gemakkelijkste stap. Nu moeten die adviezen hun weg vinden binnen regionale netwerken zodat in elk netwerk met de zorginstellingen afspraken kunnen worden gemaakt over vervolgzorg. Samenwerking is hierbij cruciaal. Samen met de Suïcidepreventiewerking van de CGG en de netwerken binnen artikel 107 zijn hierin al stappen gezet. Zoveel mogelijk zorginstellingen, eerstelijnshulpverleners en andere partners moeten de handen in elkaar slaan. Zodat geen enkele patiënt na een suïcidepoging of met hoog suïciderisico nog tussen de mazen van het net valt of te vroeg wordt losgelaten.

Gwendolyn Portzky is professor Medische Psychologie (Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen- UGent), directeur van het Vlaams Expertisecentrum Suïcidepreventie (VLESP) en coordinator van de Eenheid voor Zelfmoordonderzoek (UGent). Voor haar klinisch werk is zij verbonden aan de Universitaire Dienst Psychiatrie van het UZ Gent.