stef steyaert

HERVORMING EERSTELIJNSGEZONDHEIDSZORG IN EEN STROOMVERSNELLING

EERSTELIJNSZONES KRIJGEN VORM

De grondige hervorming van de eerste lijn komt met de goedkeuring van 49 eerste­lijnszones in een stroomversnelling. De woonzorgcentra en de eerstelijns-GGZ zijn betrokken partners en op termijn zullen ook de ziekenhuisnetwerken en de GGZ-netwerken met de eerstelijns­zones in gesprek moeten gaan om samen aan een regionaal zorgstrategisch plan te werken. Maar zover zijn we nog niet. We maken een stand van zaken op met programmamanager reorganisatie eerste­lijnszorg Stef Steyaert.

“De 49 eerstelijnszones waarvan het aanvraagdossier goedgekeurd is, kunnen zich nu voorbereiden op een erkenning. Ze hebben nog twee jaar om alles in orde te brengen. De eigenlijke erkenning is voorzien vanaf 1 januari 2020. Er is nog heel wat werk aan de winkel. Het doel is om al doende naar de erkenning te groeien. De eerstelijnszones kunnen dus vanaf nu aan de slag. Ze hoeven niet te wachten tot 2020 om afspraken te maken, samenwerking op het getouw te zetten en taken op te nemen. Integendeel, tegen 2020 proberen we alles rond te krijgen”, vertelt Stef Steyaert.

De 49 goedgekeurde aanvraagdossiers dekken 245 van de 308 gemeenten in Vlaanderen. Er blijven dus wel nog enkele blinde vlekken. Maar ook die gemeenten zullen de komende weken of maanden aansluiten bij een zone of een eigen zone vormen. Uiteindelijk wordt gemikt op een 60-tal eerstelijnszones.

Stef Steyaert: “De situatie met de ‘blinde vlekken’ op het terrein is verscheiden. In het oosten van de provincie Antwerpen zijn de gesprekken volop aan de gang. Het is een kwestie van tijd. De signalen zijn positief. In West-Vlaanderen is Diksmuide nog een hangijzer. Het ligt voor de hand dat Diksmuide aansluit bij Veurne of Ieper. Die zones zijn dan ook goedgekeurd onder voorbehoud van een oplossing voor Diksmuide. Niet goedgekeurd is het aanvraagdossier van Izegem­-Ingelmunster-Lendelede, dat als eerstelijnszone met 44.150 inwoners te klein in omvang is. Daarom zijn ook de aangrenzende zones goedgekeurd onder voorbehoud van een oplossing. In Oost-Vlaanderen is er een gelijkaardige situatie rond Lokeren­Moerbeke, dat eveneens aansluiting moet vinden bij een aangrenzende zone. In Vlaams-Brabant heeft de regio ten zuiden van Leuven ondertussen een oplossing gevonden. In de Druivenstreek is er een specifiek knelpunt door de faciliteitenwetgeving, waarvoor nog een oplossing moet komen. In Vilvoorde lopen de gesprekken nog. In Limburg, ten slotte, is er de aparte situatie van Opglabbeek en Meeuwen­Gruitrode die op 1 januari 2019 fusioneren tot Oudsbergen en moeten kiezen tussen de eerstelijnszone Noord-Limburg of Genk­-As-Zutendaal. Alles bij elkaar genomen is dit een heel mooi resultaat als je bedenkt dat alles bottom-up onder­handeld en afgestemd is met heel wat partners. Dat is meteen ook de kracht van dit verhaal: de gedragenheid en de regionale verankering zijn troeven voor de toekomst.”

stef steyaert
ELKE REGIO IS ANDERS

De voorbije maanden is op het terrein al duchtig geëxperimenteerd. De piloot­projecten Dender en ZOL (Zuid-Oost Limburg) kregen hierbij ondersteuning van Flanders Synergy. Welke inzichten hebben die pilootprojecten ondertussen opgeleverd?
Stef Steyaert: “Wat mij treft, is de sterke stakeholdersmapping: het in kaart brengen van alle betrokken actoren. Dat is een bijzonder leerrijke oefening, die toont dat het werkveld enorm groot is en dat er heel wat partners betrokken zijn bij het realiseren van goede, toegankelijke en continue zorg en welzijn. Je staat er echt van te kijken. Mooi is hoe de organisaties erin slagen om de evidentie te overstijgen. Ook de wil om te participeren is mij opgevallen. In de praktijk is er een kleine groep van trekkers in het ‘veranderteam’, maar dat zorgt voor een goede terugkoppeling naar de grotere groep die deel uitmaakt van het ‘veranderforum’. Het is die grotere groep die het kapitaal en de kracht van het geheel uitmaakt. Die wisselwerking gaat met vallen en opstaan, maar het lukt. Nog een belangrijke les is dat de partners voldoende tijd en ruimte moeten maken voor een gezamenlijke visie. De ‘waarom’­-vraag primeert. Waarom gaan we samenwerken? Waarom is afstemming nodig? Wat is ons gezamenlijke doel? Die discussie moet worden gevoerd vóór er over een governancestructuur en andere praktische afspraken wordt nagedacht. Zien de partners hun opdracht als een plicht of als een opportuniteit? Als hierover eensgezindheid kan groeien, dan staan de projecten meteen veel sterker.”

De pilootprojecten werden begeleid door experten van Flanders Synergy. Maar ook de andere eerstelijnszones krijgen de nodige ondersteuning.
Steyaert: “Ondertussen staan er acht transitiecoaches klaar om de zones bij te staan. Die coaches zijn specifiek opgeleid en hanteren dezelfde methodieken als die in de pilootprojecten. Bovendien zullen de eerstelijnszones een beroep kunnen doen op de medewerkers van de Samenwerkingsinitiatieven Eerstelijnsgezondheidszorg (SEL) en de Lokale Multidisciplinaire Netwerken (LMN). Die beide organisaties verdwijnen op termijn en gaan op in de eerstelijnszones. De medewerkers van SEL en LMN hebben de competenties om de eerstelijnszones mee op de sporen te helpen zetten. Ze kennen hun regio goed. Elke regio is anders en daarom is de lokale autonomie zo belangrijk. Het verklaart deels ook het verschil in tempo. Sommige eerstelijnszones hebben een mooi dossier voorbereid, andere werken al nauw samen. De eerstelijnszone Oostkust bijvoorbeeld, heeft een sterke visie ontwikkeld en werkt in de praktijk al goed samen. Het is mee de reden waarom we die zone hebben goedgekeurd, ondanks het feit dat de zone geografisch geen aaneengesloten geheel vormt. De praktijk en de realiteit krijgen dus de bovenhand op de plannen die op de teken­tafel zouden ontstaan. We moeten met die variabelen leren omgaan. Elke context is anders, maar geen enkele eerstelijnszone wordt aan zijn lot overgelaten.”

De medewerkers van de SEL en de LMN zitten ondertussen wel in een ongemakkelijke situatie. Weten dat hun organisaties binnenkort worden opgedoekt, is niet ideaal voor de motivatie. Een aantal medewerkers heeft al eieren voor zijn geld gekozen en de organisatie verlaten. Steyaert is zich daarvan bewust. “Ik heb er ook alle begrip voor”, zegt hij. “Deze transitie zal nochtans niemand zijn job kosten, maar de functies en de taken veranderen wel. We onderzoeken de piste om alle medewerkers van de SEL en de LMN tijdelijk onder te brengen bij het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn. Daarmee zouden we die mensen nog duidelijker de boodschap kunnen geven: we hebben een plan voor u. Als iemand toch uitkijkt naar een andere baan, moeten we dat respecteren. Maar het is niet nodig.”

ROL VAN DE WOONZORGCENTRA

De diversiteit aan partners in de eerstelijnszones is groot: huisartsen, apothekers, thuisverpleegkundigen, psychologen, welzijnswerkers… Ook de woonzorgcentra maken er deel van uit. In hoeverre zijn zij vandaag al betrokken? “Ze zijn een verplichte partner in elke eerstelijnszone”, zegt Steyaert. “Ze vervullen ook een sleutelrol. Als voorzieningen vormen ze een brug tussen de vele zelfstandige zorgverstrekkers, de welzijnsactoren en de lokale besturen. De woonzorgcentra kennen en begrijpen de complexe zorgwereld goed. Ze hebben hun eigenheid, maar werken al nauw samen met andere organisaties en de lokale besturen. Hun ervaring is goud waard in heel wat contexten. In zones die vertrekken vanuit een sterke visie, is het een evidentie dat ook de woonzorgcentra actief betrokken partij zijn. In veel eerstelijnszones is dat vandaag al effectief het geval. In andere moet het nog wat groeien.”

“Dit is een heel mooi resultaat als je bedenkt dat alles bottom-up
onderhandeld en afgestemd is met heel wat partners.”

Ook personen met een zorg- en ondersteuningsnood en mantelzorgers krijgen een plaats in de eerstelijnszones. Twee projecten binnen het reorganisatieprogramma gaan specifiek hierop in. “In een eerste project willen we de inzichten van het Expertisepunt Mantelzorg vertalen naar de eerstelijnszones. In 2019 zetten we hiervoor concrete stappen. In een tweede project, dat ik zelf leid, zoeken we naar werkvormen om patiënten een actieve en structureel ingebedde rol te geven. We gaan hiervoor voortbouwen op de ervaringen van Trefpunt Zelfhulp en het Vlaams Patiënten­platform in Limburg. Het gaat erom het patiëntenperspectief in het beleid te verankeren op alle niveaus: in de Zorgraden maar ook op het niveau van de concrete zorgprocessen. Het Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn kan dit mee stimuleren. Ten slotte willen we, in hetzelfde project, samen met het Fonds Dr. Daniël De Coninck dat door de Koning Boudewijnstichting wordt beheerd, werken aan een betere zorggeletterdheid van de brede bevolking.”

ALLE PUZZELSTUKJES

Een noodzakelijke voorwaarde voor een goede samenwerking op het terrein is een sterke digitale structuur. Ook hieraan wordt al jaren gewerkt. Maar zal die structuur klaar zijn tegen 2020? “Er gaat veel aandacht en energie naar het digitale zorg- en ondersteuningsplan”, verzekert Steyaert. “Momenteel wordt een grondige businessanalyse uitgevoerd. Onze doelstelling is om in de loop van 2020 op zijn minst de journaalfunctie en de agenda­functie helemaal klaar te hebben. De journaalfunctie laat zorg- en hulpverleners toe om informatie en rapporten te delen. De digitalisering verloopt als het leggen van een ontzettend complexe puzzel. Er wordt aan alle stukjes van de puzzel hard gewerkt. Er bestaat ook al veel. We hoeven niet van nul te beginnen. Uiteindelijk moeten al die puzzelstukjes in elkaar vallen.”

“De hervorming van de eerste lijn is een gigantisch en complex project. En ja, we zetten soms 2 stappen vooruit en 1 achter­uit. Maar wat me positief stemt, is de gedragen visie en het gedeelde beeld van waar we naartoe werken. In grote lijnen zijn alle actoren het eens over de veranderingen, maar in de uitwerking van de principes botsen we onvermijdelijk op belangen. En toch: als we de sterke visie en het algemene belang blijven herhalen en als richtlijn gebruiken, dan komen we er”, besluit Stef Steyaert.


WAT VOORAFGING EN WAT VOLGT…

Op de eerstelijnsconferentie van februari 2017 werd een draagvlak gecreëerd voor een grondige hervorming van de eerstelijnszorg.

In juli 2017 lanceerde het Agentschap Zorg en Gezondheid de oproep voor de vorming van eerstelijnszones. Het doel is een integrale eerstelijnszorg – met zorg en welzijn – die een centrale plaats geeft aan de persoon met een zorg- en ondersteuningsnood en zijn mantelzorger. Elke betrokken actor kon het initiatief nemen voor een eerstelijnszone, als er maar voldoende draagvlak werd gevonden bij verplichte en optionele partners, waaronder ook de lokale besturen, de woonzorgcentra en de GGZ-eerstelijnspartners. Elke eerstelijnszone moet 75.000 tot 125.000 inwoners tellen. Er mogen geen blinde vlekken overblijven. In een eerste fase werden voorstellen verwacht tegen 31 december 2017.

Die eerste fase is met 55 aanvraagdossiers en 49 goedgekeurde zones alvast geslaagd. Her en der moeten nog knopen doorgehakt worden (zie interview). In een volgende fase krijgt de samenwerking in elke eerstelijnszone al doende vorm, met de steun van transitiecoaches en medewerkers van de Samenwerkingsinitiatieven Eerstelijnsgezondheidszorg en de Lokale Multidisciplinaire Netwerken, die beide ophouden te bestaan. Er wordt gewerkt aan regelgeving om de eerstelijnszones een erkenning en subsidiëring te geven.

Elke eerstelijnszone zal worden aangestuurd door een pluralistisch en divers samengestelde Zorgraad. Ook de woonzorgcentra zullen hierin participeren, net als een vertegenwoordiging van de zorggebruikers en de mantelzorgers.

Een hoger niveau dan de eerstelijns­zones worden de regionale zorgzones. Hier worden zaken afgestemd die de eerstelijnszone overstijgen: preventie, palliatie, dementie… Ook de ziekenhuisnetwerken en de GGZ-netwerken worden in de regionale zorgzones betrokken. Op dit niveau worden immers de regionale zorgstrategische plannen gemaakt. Hiervoor zullen specifieke methodieken worden ontwikkeld. Elk regionaal zorgstrategisch plan zal vertrekken vanuit de regionale noden en behoeften. Het plan wordt in de toekomst de basis voor erkenningen en planningsvergunningen. Wie de regionale zorgzone zal aansturen, moet nog worden uitgeklaard.

Een Vlaams Instituut voor de Eerste Lijn krijgt gaandeweg vorm. Het instituut zal de werking van de eerstelijnszones op diverse vlakken ondersteunen: bundeling van expertise; overzicht van het zorgaanbod; vormingsbeleid; beleid, bestuur en planning; doelstellingen en indicatoren. Toch zullen lokale verschillen altijd mogelijk blijven.


TRANSPARANTE COMMUNICATIE EN EEN VINGER AAN DE POLS

Stef Steyaert mag zich ‘programma­manager reorganisatie eerstelijnszorg’ noemen. Wat houdt die opdracht in?
Steyaert: “Naast de vorming van de eerstelijnszones zijn er nog een 11-tal projecten in de hervorming van de eerste­lijnszorg. Het is mijn rol om de vooruitgang van het geheel te bewaken. Alle projecten zijn ondertussen uitgeschreven en de meeste lopen. Ik hoef niet van elk project alle details te kennen, maar op cruciale punten zorg ik voor afstemming en coherentie. Zo heb ik in de vorming van de eerstelijnszones een ondersteunde rol opgenomen en ga ik me ook actief inzetten in het debat over de zorgcoördinatie en de casemanagementfunctie. Om de twee weken overleg ik met de diverse projectleiders. Er is immers een grote onderlinge afhankelijkheid van de projecten. Goede, continue communicatie en een actief stakeholdersmanagement zijn daarom cruciaal. Alle betrokkenen moeten niet alleen goed op de hoogte gehouden worden, ze moeten ook kunnen deelnemen aan de dialoog op verschillende fronten. Daarom hebben we een klankbordgroep opgericht. Ik probeer ook in overleg te gaan met de koepelorganisaties en hun leden. Ik wil een vinger aan de pols houden bij de verschillende stakeholders. Transparante communicatie vind ik ontzettend belangrijk. Ik wil alles zichtbaar maken. Elke betrokkene heeft zijn eigen belangen en daar is niets mis mee. Integendeel, door die belangen te erkennen en uit te spreken, kunnen we samen oplossingen zoeken. In alle openheid.”

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS