AAN TAFEL MET DE CEO'S VAN DE VLAAMSE UNIVERSITAIRE ZIEKENHUIZEN

DE MUREN TUSSEN DE FACULTEITEN VERDWIJNEN,LEVE DE INTERDISCIPLINAIRE SAMENWERKING!

Om de drie maanden gaan de CEO’s van de universitaire ziekenhuizen samen uit eten om in een ongedwongen, informele sfeer te praten. Bij het aperitief gaat het nog over koetjes en kalfjes, maar daarna staat steviger kost op het menu: gezamenlijke standpunten vormen, initiatieven aftoetsen, mogelijkheden voor samenwerking onderzoeken… Wij mochten eind september een uurtje aanschuiven en onze vragen afvuren.

De regen valt die avond overvloedig over Brussel. Druppelsgewijs arriveren Eric Mortier (UZ Gent), Marc Noppen (UZ Brussel), Wim Robberecht (UZ Leuven) en Johnny Van der Straeten (UZA) op de plaats van afspraak om aan te schuiven voor het gesprek. Laatstgenoemde kende wat vertraging en kon pas voor de laatste vragen aansluiten.

Onderhouden de universitaire zieken­huizen een goed contact met elkaar?
Eric Mortier: De opeenvolgende staatshervormingen hebben ervoor gezorgd dat de zeven universitaire ziekenhuizen in ons land meer en meer uit elkaar drijven en eigen accenten leggen. Terwijl we net meer cohesie nodig hebben om ons internationaal te manifesteren en blijvend toegang te krijgen tot innovatie.

Marc Noppen: Er is nog altijd meer dat ons bindt dan wat ons scheidt. Ook over de taalgrens heen. De financiering is immers federale materie. Met de vier Vlaamse universitaire ziekenhuizen komen we vier keer per jaar samen om de violen te stemmen. Daarnaast zien we elkaar maandelijks in de Raad van Universitaire Ziekenhuizen, waar ook onze Franstalige collega’s deel van uitmaken. En we telefoneren ook geregeld met elkaar.

Eric Mortier: Big data, robotica en synthetic biology met ingrepen rechtstreeks in het genoom: dat zijn de belangrijkste ontwikkelingen de komende jaren. Op die terreinen ligt niet toevallig de meerwaarde van de universitaire ziekenhuizen. 

Wat staat er vandaag op de informele agenda?
Eric Mortier: Het bestaansrecht van de universitaire ziekenhuizen. Meer dan ooit hebben we er belang bij dat zowel de politiek als de burger ten volle het belang van de universitaire ziekenhuizen inzien op het gebied van opleiding en wetenschappelijk onderzoek.

Marc Noppen: De huidige federale minis­ter van Volksgezondheid heeft het paradigma en de traditionele rol van de universitaire ziekenhuizen verlaten. Zij kiest veeleer voor het Angelsaksische model met een bredere spreiding van de onderwijsopdracht (het model van het teaching hospital, nvdr.). Het gevaar voor ons hele kleine landje is dat die spreiding neerkomt op een versnippering en verdunning. Prestatiegedreven geneeskunde en fee for service zijn bovendien niet de beste voedingsbodem voor een onderwijsopdracht. Het is dus niet voor niets dat de artsen in universitaire centra en in de teaching hospitals een vast salaris hebben. Zij hebben gekozen voor een andere benadering dan een prestatie- en volumegedreven omgeving. In het begin van de legislatuur was er nog sprake van duidelijk afgelijnde opdrachten voor universitaire, grote algemene en regionale ziekenhuizen. Dat lijkt nu van de baan. Iedereen kan vandaag aanspraak maken op topklinische pathologie. Dat leidt onvermijdelijk tot een verdunning van de middelen, want topklinische pathologie vergt zware investeringen. We zien die evolutie ook in de financiering van de universitaire ziekenhuizen. Het budget voor opleiding en voor de coördinatie van stagementoren verdampt.

Eric Mortier: Ik begrijp het standpunt van de artsensyndicaten wanneer ze ervoor pleiten om de beschikbare middelen maximaal in te zetten voor zorg voor de patiënt. Maar we moeten tegelijk blijven investeren in onderzoek en opleiding. Eigenlijk zou een aparte financiering hiervoor beter zijn. De zesde staatshervorming heeft alles nog complexer gemaakt. Door de hervorming dreigen we van het kastje naar de muur gestuurd te worden. Onderzoek en onderwijs is Vlaamse materie, de financiering van de ziekenhuizen is federaal. Ons maakt het niet uit wie wat financiert, als er maar voldoende middelen komen.

Wim Robberecht: De ziekenhuisnetwerken kunnen een opportuniteit bieden voor een grotere mobiliteit van de artsen. Artsen van algemene ziekenhuizen zullen gemakkelijker naar een universitair centrum in hun netwerk kunnen om nieuwe technieken aan te leren zodra de tijd daar rijp voor is.

Trekken de universitaire ziekenhuizen doorgaans aan één zeel of bent u vaker concurrenten dan collega’s?
Marc Noppen: We zijn in de eerste plaats collega’s. Zeker op menselijk vlak.

Eric Mortier: We bellen elkaar sowieso op als er een gevoelige kwestie is. We beseffen trouwens allemaal dat we maar sterk staan als we samenwerken. Individueel heeft elk van ons weinig in de pap te brokken.

Marc Noppen: We maken die hechte samenwerking te weinig zichtbaar, denk ik weleens.

Wim Robberecht: Het veranderende landschap drijft ons samen. Als we onze rol willen spelen, dan moeten we hechte allianties sluiten.

Maakt de samenwerking in ziekenhuisnetwerken de opdracht van elke actor niet duidelijker dan tevoren?
Eric Mortier: Neen, omdat de netwerken alleen over de basiszorg gaan. De netwerken gaan bijvoorbeeld niet over zeldzame ziektes. Net daar ligt de grote expertise van de universitaire ziekenhuizen. Het is jammer dat de wet hierover niets op papier zet. Het is belangrijk om de resultaten van het wetenschappelijk onderzoek zo breed mogelijk te delen onder de bevolking. Dat kan alleen als wij onze rol kunnen opnemen.

Marc Noppen: Onderschat het interdisciplinaire karakter van het wetenschappelijk onderzoek niet. Daarin schuilt de meerwaarde van de nauwe link met een universiteit. Wij zijn medici, maar we beseffen beter dan wie ook dat we voor de grote medische doorbraken vandaag moeten samenwerken met tal van andere disciplines: ingenieurs, wiskundigen, IT’ers, biologen, economen…

Johnny Van der Straeten: Veel van ons werk blijft onzichtbaar, vooral in de onderzoeksfase. We pakken daar weinig mee uit. Omdat we niet pedant willen overkomen en omdat we uiteraard eerst zeker moeten zijn van de evidence based resultaten.

Wim Robberecht: Die tendens zal in de toekomst sterker worden. We kantelen van speerpuntonderzoek naar systemisch onderzoek. We denken meer in zorg­modellen. Het gebruik van big data staat nu nog in zijn kinderschoenen. De ontwikkelingen gaan snel en zorgen voor een paradigmaverschuiving met een voortdurende interactie tussen het zieken­huis en zowat alle disciplines in een universiteit. De muren tussen de faculteiten verdwijnen. Topwetenschappers van verschillende disciplines hebben elkaar nodig voor robotica, nanotechnologie, big data, artificiële intelligentie… Daar ligt onze grote opdracht. We streven geen monopolies na, maar wel de concentratie van middelen die nodig zijn om dit te realiseren. Nogmaals, het gaat om grote investeringen. We mogen de beperkte middelen niet verdunnen door ze over te veel spelers te verspreiden.

Eric Mortier: Het federale beleid gaat in tegen internationale ontwikkelingen. Het kabinet heeft wel degelijk studiewerk verricht en is onder meer te rade gegaan bij de Scandinavische landen. Ook daar werken ziekenhuizen samen in netwerken. Maar wat onze overheid vergeet over te nemen van die goede voorbeelden is precies de concentratie in academische centra. Er is nog een gevaar. Met beperkte middelen streven wij zoveel mogelijk meerwaarde na. We kunnen daarvoor traditioneel een beroep doen op een enorm voluntariaat bij onze artsen en onderzoekers. Maar zoals overal ervaren ook wij dat de jongere generaties andere aspiraties hebben op het gebied van werk-privébalans.

Wim Robberecht: Als de financiering van onze academische opdracht afkalft, dan komen wij onvermijdelijk in een nog meer rechtstreekse concurrentie met de andere ziekenhuizen. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat de universitaire ziekenhuizen zich richten op secundaire pathologie? En toch worden wij in die richting gedreven om bedrijfseconomische redenen. Waarbij we dan nog in een zwakkere positie staan, want onze artsen hebben een vast salaris. Dat alles kan de samenwerking in netwerken onder druk zetten.

Marc Noppen: In het nieuwe federale regeerakkoord hoop ik vooral, op de lange termijn, op een heldere visie op de toekomst van onze gezondheidszorg én op een stappenplan hiervoor. Op korte termijn hoop ik op een stoutmoedige minister die de universitaire ziekenhuizen een veilige ruimte voor experiment biedt.

Marc Noppen: De financiële incentive om samen te werken in een ziekenhuisnetwerk ontbreekt. Het gaat in netwerken vandaag om locatie en aantallen prestaties. De universitaire ziekenhuizen zijn verplicht om hieraan mee te doen, maar dan wel in competitie met ziekenhuizen die hun bestaansreden daar halen. Soms maak ik mij de bedenking of we de patiënt niet schromelijk over het hoofd aan het zien zijn in het verhaal van de netwerken.

Wim Robberecht: De universitaire zieken­huizen willen secundaire pathologie blijven verzorgen als training voor artsen en assistenten. Maar zonder in het vaarwater van algemene en regionale ziekenhuizen te komen, integendeel, wel in samenwerking met die partners. De precaire financiering van de derde- en vierdelijnspathologie plaatst ons echter voor een economische realiteit die het tegenovergestelde aanmoedigt. 

De universitaire centra gaan voorop in de innovatie. Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen voor de komende jaren?
Eric Mortier: Big data, robotica en synthetic biology met ingrepen rechtstreeks in het genoom. Op die terreinen ligt niet toevallig onze meerwaarde. Welk centrum kan honderd ingenieurs en wiskundigen inschakelen voor een onderzoek? Welk centrum heeft voldoende kennis in huis voor de ontwikkeling van robotica? Alle trends benadrukken het belang van de interdisciplinariteit in universiteiten. Het is jammer dat dat aspect onvoldoende bekend is bij de bevolking.

Marc Noppen: Universitaire ziekenhuizen zijn proeftuinen die nieuwe technieken via onderzoek toegankelijk maken. Wist je dat België een van de landen is waar de bevolking het meest kan genieten van de medische innovaties in studieverband? Wij experimenteren vandaag ook volop met artificiële intelligentie en algoritmes voor de medische beeldvorming en de kritische diensten. Tegelijk experimenteren we met toepassingen als teleconsulting en het bouwen van nieuwe gezondheidsmodellen. Al die ontwikkelingen leiden vrij snel tot nieuwe toepassingen in algemene ziekenhuizen, maar ze zien dikwijls het licht in de universitaire centra.

Wim Robberecht: De ziekenhuisnetwerken kunnen wel leiden tot een nauwere samenwerking tussen een universitair ziekenhuis en de algemene ziekenhuizen die zich willen engageren in onderzoek en innovatie. Maar in een vroeg stadium zal je altijd de expertise van een universitair ziekenhuis nodig hebben. Iemand moet trouwens ook de eindverantwoordelijkheid op zich nemen. Daartoe willen we onze universitaire roeping blijven invullen.

Eric Mortier: In feite liggen de puzzelstukken klaar om een coherent geheel te vormen. De netwerken kunnen een meerwaarde zijn om internationaal competitief te blijven; een verticale integratie op het lokale gebied en daarnaast het onderzoek als proof of concept. Maar hiervoor bestaat er geen wetgevend kader.

Is dat wetgevende kader nodig? Wat weerhoudt u om onderling afspraken hierover te maken?
Eric Mortier: Goede vraag. Wat de universitaire ziekenhuizen nodig hebben, is de ruimte om vrij initiatief te kunnen nemen. We moeten hiervoor empowered worden. Dat ontbreekt vandaag.

Tijdens het gesprek kwam enkele keren de gebrekkige beeldvorming over de rol van universitaire ziekenhuizen zijdelings aan bod. Moet u daar meer op inzetten?
Marc Noppen: Daar zit iets in. We zouden onze branding beter kunnen verzorgen. We kunnen de meerwaarde als interdisciplinaire omgeving beter in de verf zetten.

Wim Robberecht: Om eerlijk te zijn: we zijn niet altijd zeker of dat opportuun is. We willen niet verzeilen in een onaan­gename of zelfs polariserende discussie met de algemene ziekenhuizen. Daar werken immers onze collega’s en de artsen die wij opgeleid hebben en met wie wij samenwerkingen beogen. Een discussie over wie ‘de beste’ is, is betekenisloos. Daarom blijven we soms wat te stil.

Eric Mortier: We zijn inderdaad terughoudend om iets te ondernemen dat ruikt naar monopolievorming. We beseffen dat we niet altijd erg geliefd zijn in de sector. Tenzij men ons nodig heeft. (lacht)

Wim Robberecht: De overheid maakt vandaag nog nauwelijks verschil tussen de rol van een algemeen ziekenhuis en een universitair ziekenhuis. Dat leidt op korte termijn tot problemen.

Johnny Van der Straeten: Algemene ziekenhuizen komen geregeld in de krant met nieuwe technologieën of toepassingen. Wat de mensen niet weten, is dat de universitaire ziekenhuizen daar op dat moment al vijf jaar mee bezig zijn. Wij onderzoeken, pionieren en banen de weg. Pas op het einde van dat traject wordt over terugbetaling gepraat. En daarna nemen de algemene ziekenhuizen het op. Veel van ons werk blijft onzichtbaar, vooral in de onderzoeksfase. We pakken daar weinig mee uit. Omdat we niet pedant willen overkomen en omdat we uiteraard eerst zeker moeten zijn van de evidence based resultaten. Wat ook weinig geweten is, is dat onze artsen een deel van hun honorarium in wetenschappelijk onderzoek investeren.

Wim Robberecht: De ziekenhuisnetwerken kunnen een opportuniteit bieden voor een grotere mobiliteit van de artsen. Artsen van algemene ziekenhuizen zullen gemakkelijker naar een universitair centrum in hun netwerk kunnen om nieuwe technieken aan te leren zodra de tijd daar rijp voor is. Tegelijk mogen we een bepaalde activiteit niet reduceren tot een louter technische ingreep. Gespecialiseerde ingrepen als slokdarm-, pancreas of rectumchirurgie zijn niet alleen een kwestie van techniek, maar van een veel ruimer zorgprogramma door een multidisciplinair team.

Johnny Van der Straeten: Dit is geen pleidooi om alle referentiediensten voor te behouden aan universitaire centra. In­tegendeel, de ziekenhuisnetwerken bieden algemene ziekenhuizen nieuwe kansen om nog meer en nog sneller innovaties te introduceren in hun voorziening. Zo kunnen we patiënten beter en sneller helpen.

Universitaire ziekenhuizen werken niet alleen samen met andere zorgvoorzieningen, maar voor onderzoek en ontwikkeling ook met de medische industrie. Wat ging er door u heen toen de publieke fondsenwerving voor Pia massale steun kreeg?
Wim Robberecht: Ik ben uiteraard erg blij voor het gezin van Pia en ik vind de solidariteit hartverwarmend. Tegelijk houd ik er een ongemakkelijk gevoel aan over. Ik ken duizenden Pia’s die allemaal onze hulp verdienen. Bovendien had ik het gevoel dat vooraf onvoldoende gecheckt was of de behandeling wel de beste oplossing voor Pia was. Mijn respect voor het initiatief is groot, maar de inhoud roept vragen op.

Marc Noppen: Ik deel die mening. De solidariteit is mooi, maar de echte waarde van het medicijn is nog onvoldoende bewezen. En de prijs is buitensporig hoog. De actie deed me terugdenken aan de zaak Viktor in ons ziekenhuis, maar bij Viktor was het nut van het medicijn wel bewezen. En wat die prijzen betreft… het gaat om shareholder value hé.

Eric Mortier: Een geneesmiddel heeft soms een eenvoudige samenstelling, soms ook een heel complexe, zoals bij genetische immunotherapie. Elk geneesmiddel bevat veel expertise. Maar die in handen laten van commerciële concerns houdt gevaren in. De verstandhouding tussen academische centra en de industrie is scheefgetrokken. Investeren in academisch onderzoek is de oplossing. Los daarvan is het emotionele gebeuren rond Pia geen goede grond om met steekvlampolitiek de gezondheidszorg te reorganiseren.

Marc Noppen: Wel hebben we nood aan een nieuw financieel model dat rekening houdt met shared risk en spreiding in de tijd. Er is nu een geneesmiddel op de markt voor congenitale blindheid. Prijskaartje: 800.000 dollar. Voor iemand met een levensverwachting van 80 jaar kan je argumenteren dat die prijs van 10.000 dollar per jaar te verdedigen valt. Niemand is tegen een redelijke winstmarge, maar we vervallen snel in extremen.

Wim Robberecht: Het is een mooi voorbeeld van waar een universitair centrum een belangrijke bijdrage kan leveren: het ontwikkelen van nieuwe modellen voor de terugbetaling van geneesmiddelen. Solidariteit moet in die context als een essentieel gegeven bewaard blijven, zeker in de context van dure geneesmiddelen. Stel dat ik bijzonder welstellend ben en zelf 1,9 miljoen euro betaal voor een geneesmiddel voor mijn dochter. Iedereen zou dat klassengeneeskunde vinden. Dat gevaar loert om de hoek.

Johnny Van der Straeten: Het organiseren van de solidariteit is een belangrijke opdracht van de universitaire ziekenhuizen. Iedereen krijgt dezelfde toegang tot de hooggespecialiseerde gezondheidszorg. Wij bieden geen klassengeneeskunde.

Als afsluitend rondje: wat moet voor u de prioriteit zijn van de volgende federale regering?
Eric Mortier: Een stijging van onze middelen, hoe beperkt ook, kan een groot verschil maken. We zijn ons ervan bewust dat de budgettaire ruimte krap is, maar er is een kritisch minimum waar we niet onder mogen.

Marc Noppen: Op lange termijn reken ik vooral op een heldere visie op de toekomst van onze gezondheidszorg én op een stappenplan hiervoor. Op korte termijn hoop ik op een stoutmoedige minister die de universitaire ziekenhuizen een veilige ruimte voor experiment biedt. Iets meer ambitie dan vandaag het geval is, zou geen kwaad kunnen.

Wim Robberecht: Die langetermijnvisie is inderdaad erg nodig. Vandaag is het beleid te vaak ad hoc. We hebben een duurzaam systeem nodig dat de rol van de universitaire ziekenhuizen respecteert.

Johnny Van der Straeten: Ik pleit vooral voor een geïntegreerd zorgmodel met een sterkere positie van de universitaire ziekenhuizen. Verder hebben we nood aan een financiering op basis van kwaliteit in plaats van prestaties.

 

TEKST: FILIP DECRUYNAERE • BEELD: JAN LOCUS